Zondag 29/11/2020

Een steenkapper in Puerto Rico

'Belga Sport': 32 jaar geleden bokste Jean-Pierre Coopman tegen Mohammed Ali

Tweeëndertig jaar geleden stond Jean-Pierre Coopman in de ring tegenover Mohammed Ali. Inzet: de wereldtitel in het zwaargewicht, toen nog 'the biggest prize in sports'. Winnen deed Coopman niet, Ali tikte hem uit op het einde van de vijfde ronde. Maar dat een artistieke steenkapper uit Ingelmunster het ringlicht deelde met 'The Greatest' was op zich al een wonder. Jan Van den Berghe, kenner van koningen en knock-outs, zat bij het mirakel op de eerste rij. Vanavond vertelt hij daarover in 'Belga Sport'. Door Jo Badisco

Het verhaal Ali vs. Coopman begint op 1 oktober 1975 bij 'The Thrilla in Manila', de belle tussen Ali en aartsrivaal Smokin' Joe Frazier. Frazier had de eerste kamp gewonnen, en Ali had zich de beste getoond in de tweede. In hun derde en beslissende kamp gingen ze andermaal tot het uiterste. Veertien ronden lang. Daarna gaf Frazier op, net voor Ali hetzelfde wilde doen. 'The closest thing to dying', zei Ali achteraf.

Jan Van den Berghe: "De kamp in Manila is ongetwijfeld een breekpunt geweest in de carrière van Mohammed Ali: hij heeft nooit meer op hetzelfde niveau gebokst. Je moet het in de opeenvolging van kampen zien. In 1974 bokste Ali in het toenmalige Zaïre tegen geweldenaar George Foreman, en kreeg daar ongelooflijk veel klappen te verwerken vóór hij Foreman in de achtste ronde knock-out sloeg. De dokters hebben achteraf verklaard dat Ali nog dagen-, wekenlang bloed heeft geplast. En dan komt die onverbiddelijke kamp, een duel op leven en dood, tussen Ali en Frazier. Beide boksers zijn daarna nooit meer helemaal hetzelfde geweest."

Ali had beter na Manila de handschoenen aan de haak gehangen. Maar er moest geld in het laatje voor de alimentatie van zijn twee ex-vrouwen én zijn gigantische hofhouding. Van stoppen kon geen sprake zijn, dus ging men op zoek naar een tussendoortje.

Enter George Kanter. Kanter was een naar de Verenigde Staten uitgeweken Franstalige Brusselaar. Fabrikant van verfijnde lederen dameshandschoenen en, belangrijker, matchmaker in opdracht van bokspromotor Don King. Zijn bevoorrechte positie had Kanter te danken aan zijn perfecte kennis van het Frans, een zeldzaam gegeven in het Amerikaanse boksmilieu van de zeventiger jaren. Kanter had al zaken gedaan met zijn geboorteland België - hij wist van het bestaan af van Jean-Pierre Coopman. Van den Berghe: "Jean-Pierre Coopman behoorde op dat moment tot de tien beste zwaargewichtboksers van Europa, ook omdat het aanbod niet groot was. De besten zaten achter het IJzeren Gordijn. Staatsamateurs, die geen prof konden worden.

"De bokser Coopman was zeer beperkt. Een stilist kon je hem bepaald niet noemen, maar hij was redelijk resistent: van elke kamp maakte hij een slijtageslag. Zo heeft hij menig tegenstander overwonnen. Jean-Pierre was iemand die voor zijn vak leefde. Voordien was hij een fervent fuifnummer, een man die de alcohol en tabak niet schuwde. Maar van de ene dag op de andere liet hij het roken en het drinken en stortte zich met een maniakale gedrevenheid op de bokssport. Vandaar zijn enorme uithoudingsvermogen.

"Coopmans plaats in de Europese top tien was vooral de verdienste van zijn Izegemse manager Charles De Jaeger. Charles, een gewezen haarkapper, had een groot gevoel voor humor. Thuis had hij een papegaai die hij enkele zinnetjes had aangeleerd. Onder andere: 'Jean-Pierre kan niet boksen.' Charles De Jaeger was misschien wel overtuigd van de fysieke kwaliteiten van zijn bokser, maar hij kende zijn beperkingen. Hij kon hem relativeren.

"Door een oordeelkundige keuze van tegenstanders liet De Jaeger Coopman alsnog een redelijke erelijst opbouwen, ook al betekende het soms dat het ging om kampen tegen opgewarmde lijken en kerels op hun retour. Dankzij De Jaeger werd Coopman in 1975 aangeduid voor een Europees titelgevecht. Eerst tegen de Brit Joe Bugner, maar die stopte met boksen. Later tegen een andere Brit, Richard Dunn, maar ook met hem kwam het niet tot een akkoord. Coopman werd drie maanden lang aan het lijntje gehouden. En dát is zijn grote geluk geweest: als hij tegen Richard Dunn of tegen een andere Britse kampioen had moeten boksen, zou hij waarschijnlijk verloren hebben. En dan was er van een kamp tegen Ali geen sprake geweest."

Het liep zoals het gelopen is. Don King zag Coopman wel zitten als tegenstander van Ali want totaal ongevaarlijk. George Kanter benutte een kerstbezoek aan zijn bejaarde Belgische moedertje om manager Charles De Jaeger het contract voor een wereldtitelgevecht met Ali over te leggen.

Van den Berghe: "Charles was zo gelukkig dat zijn bokser voor 50.000 dollar tegen de wereldkampioen mocht boksen, dat hij ermee instemde Georges Kanter voor de gelegenheid als manager van Coopman te laten optreden. Dat was ook het makkelijkst voor hem: Charles had niet veel internationale ervaring. En de talenkennis van Kanter reikte een stuk verder dan de zijne.

"De beurs was naar internationale normen een aalmoes. Ook omdat Coopman moeilijk te verkopen was: het grote publiek kénde hem niet. Maar Kanter, de matchmaker, heeft wel het leeuwendeel van de beurs op zak gestoken. De kruimels zijn eerst bij Charles De Jaeger en in laatste instantie bij Jean-Pierre Coopman terechtgekomen.

"Het lijkt me uitgesloten dat Charles De Jaeger niet wist hoe de deal precies in elkaar zat. Wat naar Kanter zou gaan, wat bij hem zou komen en wat naar Jean-Pierre zou gaan. Ik denk, Charles kennende, dat hij ook op oordeelkundige wijze voor zichzelf zal gezorgd hebben."

Toen De Jaeger en Kanter het onderling eens waren, werd Coopman op de hoogte gebracht dat niet Richard Dunn maar wel Mohammed Ali zijn volgende tegenstander zou zijn. Coopman wist niet waar hij het had. In de ring met de 'Grootste Aller Tijden'! West-Vlaanderen stond op zijn kop: hún Jean-Pierre tegen Ali. En ze hadden er het volste vertrouwen in.

Van den Berghe: "In België had men er geen idee van hoe sterk Mohammed Ali was. Men wist dat hij een trapje hoger stond dan de concurrentie, maar van zijn stootkracht en snelheid had men geen flauw benul. Er gaapte wel een kloof tussen wat Ingelmunster en omstreken voor topboksen hield en het reservoir aan talent dat in Amerika bestond. Jean-Pierre had nog tegen Amerikanen van het vijfde garnituur gebokst en daar de grootste moeite mee gehad. Er was een wereld van verschil tussen Coopman en Ali."

De supporters van Coopman lieten zich niet van de wijs brengen. Vertrouwend op het leeuwenhart van hun idool, volgden ze met zijn honderden Coopman naar het verre Puerto Rico, waar het gevecht om fiscale redenen zou plaatsvinden. In die dagen was Ingelmunster een spookstad.

Van den Berghe: "Het hoefde niet te verbazen dat zoveel Vlamingen naar Puerto Rico trokken. Het was een groot evenement, en het was de tijd dat mensen 's nachts opstonden om naar een kamp van Ali te kijken." Groot enthousiasme bij de Belgische boksliefhebbers. De rest van de wereld was iets minder makkelijk warm te maken voor dit gevecht. Promotor Don King was er niet gerust op. Van den Berghe: "Ik was in Puerto Rico toen de eerste oefensessie plaatsvond tussen Jean-Pierre Coopman en zijn Belgische sparringpartner Robert Desnouck. De promotoren van de kamp waren de wanhoop nabij, zo'n beperkte bokser. Ze dachten: 'Hoe krijgen we deze kamp in hemelsnaam verkocht?' Coopman was niet 'The Great White Hope'. Hij was een bijzonder middelmatige bokser, zoals Ali ze nog maar zelden in de ring had ontmoet. Een ander nadeel: Coopman slaagde er niet in ook maar één zinnig woord in het Engels te zeggen. Op krasse uitspraken van Coopman moesten ze niet rekenen. Uiteindelijk hebben ze Coopman verkocht als 'The Lion of Flanders', de Leeuw van Vlaanderen. Maar toen Ali hem voor het eerst zag maakte die er onmiddellijk 'The Pussycat of Flanders' van."

De geringe talenkennis van Coopman leverde hemzelf wél een bonus op: hij begreep geen snars van de trash talk die Ali uitkraamde om zijn tegenstanders te intimideren. Van den Berghe: "Dat is de conclusie voor wie aan karnemelkpsychologie doet: gelukkig verstond hij Ali niet. Maar ik moet zeggen: Ali was voor zijn doen bijzonder vriendelijk en minzaam voor zijn tegenstander - ik heb hem anders geweten. Misschien ook omdat hij met een tegenstander als Coopman niet in geheelonthouding moest leven. Volgens zijn entourage bracht hij menige wilde nachten door met zijn vriendin Veronica Porsche. Ali was eens komen spioneren tijdens een oefensessie van Jean-Pierre en dat moet hem ontzettend gerustgesteld hebben: een nachtje rampetampen kon geen kwaad. Ali wist dat Coopman niet meer dan een opgefokt halfzwaargewicht was, en bovendien aanzienlijk kleiner dan hijzelf."

Had Coopman dan geen schijn van kans?

Van den Berghe: "Bij de zwaargewichten is alles mogelijk. Die ene fatale stoot kan altijd uit het niets komen. Maar in dit geval? Ali zou met zijn twee handen op zijn rug gebonden hebben moeten boksen. En hij had zelf zijn kin moeten presenteren.

"Toch hoopten de Belgische supporters heimelijk dat Coopman daar, als Leeuw van Vlaanderen, het grootste mirakel ooit in de bokssport zou verwezenlijken. Journalisten speelden dat spel mee. Ze hadden de grootste twijfels, maar ze doorprikten de mythe niet. Men bleef in een sprookje geloven. En Jean-Pierre was een gedreven prijsvechter die door zijn moed, zelfopoffering en fysieke conditie misschien wel een kans maakte. En Ali had enkele moordkampen achter de rug.

"Daaruit putte Coopman ook moed. Hij had de belangrijkste kampen van Ali op film bekeken en geanalyseerd. Hij zou de wedstrijd aanpakken zoals zijn grote voorbeeld Joe Frazier: heen en weer wiegend op Ali af gaan, verscholen achter een dubbele dekking, en hem dan te grazen nemen met een linkse hoek. Coopman geloofde dat hij Frazier kon imiteren. Alleen, tussen droom en daad staan praktische bezwaren. De hardheid van de klappen, de snelheid van die jabs, zie je niet op film. Ali in het echt, met zijn overrompelende présence, zijn vloeiende stijl, zijn flitsende snelheid en zijn buitengewone stootkracht, hebben hem snel doen inzien dat die Ali te hoog gegrepen was. En toch bleef hij erin geloven, tot het bittere einde. Persoonlijk was ik geen believer. Voor de kamp zei ik nog tegen Flandriabaas Pol Claeys, de sponsor van Coopman: 'Pol, als je wereldwijd reclame wil maken, moet je de naam van Flandria op de schoenzolen van Jean-Pierre aanbrengen.'"

Vrijdag, 20 februari 1976 in San Juan, Puerto Rico. Om kwart voor elf 's avonds verlaat Jean-Pierre Coopman zijn kleedkamer in het Roberto Clemente Stadium, en gaat op weg naar de ring. Elfduizend toeschouwers in de zaal, miljoenen boksliefhebbers voor hun tv-scherm. BRT zendt de kamp níét rechtstreeks uit. De Belgische boksliefhebbers stemmen in het holst van de nacht dan maar af op de Duitse televisie.

Van den Berghe: "Van een echte wedstrijd was geen sprake. Het was wel fijn een dansende Ali aan het werk te zien. In zijn laatste kampen had hij meer 'plat op de zolen' gestaan: hij was al lang niet meer 'floating like a butterfly and stinging like a bee'. Maar tegen Coopman kon dit wel. Coopman was ongevaarlijk.

"Ik ging ervan uit dat Ali, zoals hij met andere makkelijke tegenstanders had gedaan, Coopman zou laten staan tot het einde. Om toeschouwers en televisiekijkers waar te geven voor hun geld. Maar Herbert Mohammed, de manager van Ali, had er na vier ronden genoeg van. In de rust vóór de vijfde ronde ging hij naar de hoek van Ali met de dwingende opdracht er een eind aan te maken. Langer doorgaan zou slechte publiciteit zijn geweest, het zou de waarde van Ali's volgende kamp hebben gehypothekeerd."

Ali voerde de opdracht uit: hij schakelde naar een hogere versnelling en sloeg Coopman knock-out kort voor het einde van de vijfde ronde. Achteraf lag ook het moreel van de West-Vlaming aan diggelen.

Van den Berghe: "Coopman was bijzonder ontgoocheld. Hij wist niet goed wat hem overkomen was, zozeer had Ali hem gepakt in snelheid. De stoten waren niet eens zo hard maar wel precies; de opeenvolging van stoten, the flurry of punches, heeft Coopman geveld. Hij was ontnuchterd in alle opzichten, totaal verrast. Na vier ronden, waarin Ali met hem had gedold als een kat met een muis, werd het opeens bittere ernst. Die precisie, die militaire executie, heeft hem ook geestelijk geknakt. Einde van het verhaal. Ook voor de talrijke meegereisde Coopmanfans was het een ruw ontwaken. Zij waren rotsvast blijven geloven in een stunt, en daardoor was de ontgoocheling achteraf des te groter. De ontgoocheling die met tientallen liters rum werd weggespoeld."

Na de kamp was de de buitenlandse pers niet mals voor Coopman. Hij kreeg bakken kritiek over zich heen, als zou hij een onwaardige uitdager zijn geweest. Een tweede uppercut, die hij ook niet verdiende.

Van den Berghe: "Het was voor alles een eer om tegen Mohammed Ali in de ring te staan. Wie dat durft, verdient sowieso respect. Ali heeft zoveel mensen belachelijk gemaakt, zoveel boksers vernederd. En hoe sterker ze waren, hoe groter hun vernedering was.

"Oké, Coopman heeft ondermaats gepresteerd, maar laten we wel wezen: hij kon niet beter.

"Ali viel Coopman ook niet af. Hij mocht de geloofwaardigheid van de kamp, die de promotoren met veel moeite hadden opgebouwd, niet in twijfel trekken. Hij noemde Coopman 'a nice guy', die het langer had volgehouden dan vele andere tegenstanders. Coopman stapte met zijn gezwollen, dichtgeslagen ogen op Ali af, en retourneerde het compliment in steenkolenengels: 'Allez ho, you are a flink boy.' Hij was dankbaar om zijn afstraffing.'

Belga Sport, Jean-Pierre Coopman, geen dag zonder Ali, 22.10 uur op Canvas

Bokskenner Jan Van den Berghe:

Coopman werd gepromoot als 'The Lion of Flanders'. Toen Ali hem zag, maakte die er meteen 'The Pussycat of Flanders' van

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234