Vrijdag 22/10/2021

Een stalen blik en bitchy imago

De opkomst en val van Condoleezza Rice

Haar carrière oogde als een nooit gezien succesverhaal. Maar toen ging Condoleezza Rice voor George W. Bush aan de slag. Sindsdien dreigt de naam van deze volgens vriend en vijand ongewoon begaafde vrouw onherroepelijk met Irak en andere debacles verbonden te blijven. Door Lode Delputte

'Ma chère Condi", glinsterden de ogen van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Michel Barnier. Zijn Belgische collega Karel De Gucht was niet minder onder de indruk. En na haar bezoek aan een Amerikaanse basis in Duitsland, waar het leger haar als een fanclub ingehaald had en ze zichzelf van haar meest modieuze, zelfs sexy kant had laten zien, werden haar staatshoofdelijke allures toegedicht. Niet alleen de gewiekste regisseur van haar publieke optredens, Jim Wilkinson, ook first lady Laura Bush wisten het wel zeker: in Rice school een toekomstige president.

Even had het er dan ook naar uitgezien dat Condoleezza Rice zichzelf opnieuw uitgevonden had. In februari 2005, kort na haar aanstelling tot minister van Buitenlandse Zaken door haar pas herverkozen overste George W. Bush, maakte Rice een succesrijke maidentrip langs de Europese hoofdsteden.

Gedaan met het geschoffeer. De trans-Atlantische kloof die zich in de aanloop naar de invasie van Irak had afgetekend, moest worden gedicht, zei Rice. Het Witte Huis had Londen, Madrid, Rome en de Centraal-Europese kabinetten wel voor zijn avontuur warm gekregen, maar de klassieke bakermat van de Europese Unie, Washingtons oude bondgenoten Parijs en Berlijn, hadden tot opluchting en trots van de meeste Europese burgers verzet geboden. Na Rice' wittebroodsvisite oogde het water echter weer minder diep en kon een begin gemaakt worden met het herstel van de betrekkingen.

Intussen staan we drie jaar verder en luidt de vraag wat de Secretary of State met haar toenmalige kapitaal heeft aangevangen. Bitter weinig, zo blijkt uit twee recent verschenen Ricebiografieën. Oké, Frankrijk en de VS zijn, zeker aan de oppervlakte, weer beste maatjes, maar daar zit Nicolas Sarkozy voor veel meer tussen dan Rice. Ook Duitsland heeft de banden aangehaald, maar ook dat heeft minder te maken met de ijver van het State Department dan met het aantreden van Angela Merkel.

Intussen heersen in het Midden-Oosten noch vrede noch democratie, hangt het Iraanse nucleaire dossier als een zwaard van Damocles boven de regio, is er geen oplossing in de maak voor Darfur, blijft Irak tot nader order bloedig stuurloos en lijkt ook de toestand in Afghanistan en Pakistan op drift. Alleen op het Noord-Koreaanse probleem heeft Rice kunnen wegen - tot boosheid van de neocons die haar beslissing om de olietoevoer niet langer op te schorten en Pyongyang weer toegang te geven tot zijn buitenlandse rekeningen als een nederlaag voor de VS afschrijven.

Met andere woorden, stellen Marcus Mabry en Glenn Kessler, respectievelijk de auteurs van Twice as Good: Condoleezza Rice and Her Path to Power en van The Confidante: Condoleezza Rice and the Creation of The Bush Legacy, er zou al erg veel goeds in de wereld plaats moeten vinden voor Rice zich alsnog een redelijke gooi naar het presidentschap kan veroorloven.

Of nauwkeuriger: ze zou op overtuigende wijze uit de nesten moeten raken waar ze zichzelf in heeft gewerkt. "Potje breken, potje betalen", had haar voorganger Colin Powell in de aanloop naar de Iraakse invasie nog zo gewaarschuwd. Wijze raad die ze niet heeft willen - of kunnen? - opvolgen. Rice was alleszins een zwak Nationaal Veiligheidsadviseur, die haar belangrijkste taak, de gesmeerde uitwisseling van strategische informatie tussen het State Department en het Pentagon, tussen Colin Powell en Donald Rumsfeld, niet naar behoren heeft behartigd. Condoleezza Rice was bij uitstek de internationaal-politieke vertrouwelinge van George W. Bush, maar stond niettemin toe dat hij door de neocons werd ingepakt. Ofwel wist ze niet dat haar inlichtingen fout zaten, maar dan zat zijzelf niet op haar plaats. Of ze wist het wel maar kon niets doen, en in dat geval hoorde ze evenzeer op een minder strategisch zitje thuis.

Toch wil Mabry, die als Newsweek-correspondent een even gedetailleerde als veelomvattende biografie neerzet, er zijn hand niet voor in het vuur steken dat Rice géén kandidaat wordt. Want wie de levensgang van Rice natrekt, zal niet ontgaan zijn dat de 53-jarige Afro-Amerikaanse altijd al mateloos ambitieus geweest is, dat ze alleen vrede neemt met de hoogste functie en dat haar inhoudelijke project altijd haar ambitie heeft gediend, veeleer dan omgekeerd.

Zo komt het dat de serendipiteit - het fenomeen van de nieuwe wereld die toevallig opengaat en onverhoeds nieuwe kansen biedt - als een rode draad door Rice' leven loopt. De vrouw uit Birmingham, Alabama, wou aanvankelijk kunstschaatster worden. Toen de nog piepjonge Rice inzag dat ze daarin nooit de beste zou kunnen zijn, zette ze haar zinnen zonder omzien op de piano. Maar hoe virtuoos haar techniek ook heette, uiteindelijk raadde een vooraanstaand muziekprofessor haar ook die loopbaan op veelzeggende wijze af: Condoleezza Rice kon zich niet aan emoties overgeven en legde geen gevoel in haar spel. Na een onverwachte ontmoeting met Josef Korbel, een van haar eerste docenten aan de universiteit, werd het dan maar sovjetologie. Korbel was niet alleen de vader van Madeleine Albright, die later een van Rice' voorgangster op State zou worden. Vooral was hij diegene die haar de internationaal-politieke theorieën van Hans Morgenthau bijbracht: staalhard realisme, waarbinnen het sleutelwoord 'macht' heet. "Het Sovjetimperium zal nooit instorten", beging ze ooit een flater. "Imperia storten niet in."

Maar zo ambitieus als ze is, zo bang ook toont Rice zich voor gezichtsverlies. Haar stalen blik en bitchy imago zijn erop gericht elk moment van zwakte weg te flitsen. Liever dan een fout of verkeerde inschatting toe te geven, herspint Rice het verhaal tot ze ermee wegkomt. Als ze echter niet honderd procent zeker is dat ze de presidentsverkiezingen wint, schrijft Washington Post-journalist Glenn Kessler in een werk dat met name Rice' carrière als buitenlandminister belicht, dan gooit ze zich ook niet in de strijd.

Iets anders dan maar? Rice zat ooit al in de raad van bestuur van oliegigant Chevron, ze heeft al een olietanker op haar naam staan, en ze steekt zelf niet onder stoelen of banken dat het bedrijfsleven haar lekker zit: vrienden, kennissen en andere elementen uit haar omgeving zien in haar een toekomstige CEO. ("Dan kan ze eindelijk eens wat geld verdienen", wordt daar bijna meewarig aan toegevoegd.)

Meer geld ook dan als ze Academia weer zou opzoeken. Niet alleen was Rice destijds op haar zestiende aan de universiteit van Denver ingeschreven geraakt, op haar achtendertigste, en nadat ze eerder al, onder Bush' vader, voor de Nationale Veiligheidsraad gewerkt had, schopte ze het tot vicerector van Stanford. Daar had ze zich zo'n onverbiddelijk manager getoond dat ze grotendeels korte metten maakte met de positieve discriminatie voor minderheden. "Een hel voor vrouwen en zwarten", wordt Rice' toenmalige beleid daar vandaag nog steeds genoemd. Het neemt niet weg dat een waslijst prestigieuze universiteiten Rice straks graag als rector wil.

Hoe komt het dat 's werelds machtigste zwarte vrouw zo weinig empathie voor de eigen gemeenschap aan de dag legt? Het zijn vragen die net zo goed aan de Franse minister van Justitie Rachida Dati of de Nederlands-Somalische Ayaan Hirsi Ali kunnen worden gesteld. Een ijzeren wil om hogerop te komen, dat zeker; een rotsvast geloof ook in het eigen kunnen, veeleer dan in dat van de groep; een onweerstaanbare drang ten slotte om bij de machtigen te horen, een drang waar ook iedere liefdesband of kinderwens voor moeten wijken. "Ik hou van kinderen", liet Rice zich ooit ontvallen. "Als ze achttien zijn..."

Dat het weinig snor zit tussen Rice en de Afro-Amerikaanse gemeenschap, heeft dan ook niet alleen met haar beleid te maken. Goed ja, onder zwarte Amerikanen was de Irakoorlog, anders dan bij de blanken, nooit bepaald populair. En Rice haalde zich de woede van de zuidelijke VS op de hals toen ze in volle Katrina-zondvloed ging shoppen in New York. Maar eigenlijk is het in haar prille jeugd al begonnen: Rice werd streng calvinistisch opgevoed, daarbij geschraagd door het idee dat God een heel eigen bestemmingsplan voor haar in petto had. Anders dan Dati en Hirsi Ali stamt Rice ook uit de middenklasse, wat maakte dat haar gezin zelfs in het erg gesegregeerde en door blank geweld geterroriseerde Birmingham maar weinig op had met Martin Luther King, of beter, King niet nodig had om vooruit te komen in het leven. Toen Condoleezza amper elf was, verhuisden haar ouders naar Colorado, en daarna naar California, staten waar veel meer emancipatie mogelijk was.

"Ze zegt wel dat ze uit het gesegregeerde zuiden komt, eigenlijk is ze een puur product van het liberale Westen", vertelt een analist in The Confidante. Het neemt niet weg dat Rice gruwelt van racisme, de stelling huldigt dat je als zwarte 'twice as good', twee keer zo goed moet zijn om even ver te komen als een blanke, en dat ook zij haar Afro-Amerikaanse afkomst gebruikt heeft om een voet in de deur te krijgen.

Terwijl Mabry vooral op Rice' persoonlijkheid en karakter focust, biedt Kesslers boek een fascinerende inkijk in de wereld van de Amerikaanse diplomatie. Beiden geven haar na dat ze privé eindeloos inschikkelijker en zachter is dan in staatszaken - als ze met haar Democratische homovrienden uit dansen gaat bijvoorbeeld, tennist, musiceert of shopt until she drops - en huldigen haar om haar werklust en intelligentie. Alleen is het hun een raadsel waarom Rice er dan zo weinig van bakt. Waarom ze, pakweg, democratische verkiezingen eist in het Midden-Oosten maar diezelfde verkiezingen hun legitimiteit ontneemt zodra blijkt dat niet gematigde krachten maar de extremisten ze gewonnen hebben.

Rice heeft een uniek profiel en is wereldwijd een van de meest besproken politieke figuren van het begin van de eenentwintigste eeuw. De balans van haar beleid is, zo vinden zowel Kessler als Mabry, al is de tweede ietsje milder dan de eerste, bepaald negatief. Nochtans hoeden de auteurs zich voor een oordeel over de plaats die Rice in de geschiedenis zal verwerven. Pas als het stof van deze woelige tijden finaal is neergedaald, zullen historici de balans opmaken. Het zou de eerste keer niet zijn dat een machthebber daar op een heel andere manier uitkomt dan bij zijn of haar leven de perceptie was.

Zo ambitieus als ze is, zo bang ook toont Rice zich voor gezichtsverlies. Liever dan een fout of verkeerde inschatting toe te geven, herspint Rice het verhaal tot ze ermee wegkomt

Marcus Mabry

Twice as Good: Condoleezza Rice and Her Path to Power

Modern Times, New York, 362 p., 27,50 euro.

Glenn Kessler

The Confidante: Condoleezza Rice and the Creation of the Bush Legacy

Saint Martin's Press, New York, 288 p, 20 euro.

Correctie

Vorige week werd op p. 5 niet de juiste boekinfo weergegeven. Het boek van Howard Zinn heet Geschiedenis van het Amerikaanse volk en is uitgegeven bij Epo, Berchem (887 p., 44,95 euro).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234