Zondag 09/08/2020

Een stad in de spiegel. Een lichaam dat terugkijkt

Een dwarse keuze van foto- en andere kunstboeken

2004 was een monumentaal jaar voor de fotografie en omstreken. Het monstre sacré Henri Cartier-Bresson ging heen, maar nooit eerder kwamen er zoveel beeldboeken, monografieën en albums op de markt. Onze criteria voor de kerstboomselectie: ouderwets vakmanschap of de schok van het nieuwe, melancholie en street credibility - met één oog op het prijskaartje en het andere op onze deerlijk geteisterde bankrekening.

Suggestie & nuance

Raymond Depardon (°1942) is een werkmier. Hij maakt foto's en regisseert films. Sinds 1968 publiceerde hij een dertigtal boeken, dit jaar alleen al vijf. Hij was fotoreporter en paparazzo op zijn zeventiende, stichtte het persagentschap Gamma en is sinds 1978 een eminent lid van Magnum. Van de ene opdracht rolt Depardon in de andere: de energieke twijfelaar die het fragment en het voorlopige als stijlmiddelen hanteert, heeft een strakke deadline en ongeduldige opdrachtgevers nodig om projecten tot een goed einde te brengen. De Fondation Cartier stuurde Depardon met zijn camera's naar verre steden en bouwde een tentoonstelling met het resultaat. Voor het Franse ministerie van Cultuur trok hij naar het platteland, waar hij ook een documentaire film over het leven van de boeren maakte, een late hommage aan zijn ouders. In al wat Depardon doet, voelen we de spanning tussen zijn eigen verhaal en het onderwerp. Depardon beoefent de kunst van de suggestie en de nuance - voor spektakel of intrige zijn we bij hem aan het verkeerde adres.

Ook de loodzware zwarte turf met de erg persoonlijke titel Paris Journal, veruit het interessantste fotodocument van het afgelopen jaar, kwam tot stand op vraag van een uitgever. Depardon ging er graag op in. Hij is veel liever met boeken en films in de weer dan met het samenstellen van exposities: in een donker bioscoopzaaltje of een zorgvuldig samengesteld album kun je de toeschouwers confronteren met een vrij absolute chronologie, hen bij de hand nemen. Voor het vierkante, gewichtige Paris Journal, een monument als een straatsteen uit Depardons uitverkoren habitat, heeft de fotograaf een keuze van vijfhonderd beelden gemaakt en er korte teksten bij geschreven. De eerste foto dateert uit 1977, de laatste werd dit jaar genomen. Tussen beide afdrukken volgen we de fotograaf in zijn geliefde vijfde en zesde arrondissement, in zijn atelier, in het café, op straat of in het park, maar er zijn ook spaarzame sporen van uitstapjes naar zijn geboortestad Villefranche-sur-Saône, Italië of Zwitserland. Elke afbeelding krijgt een eigen bladzijde, een jaartal en een plaatsaanduiding. Het boek is van een weldadige eenvoud, met het licht en de architectuur in een glansrol, opgetekend in sublieme grijswaarden en gevat tussen de randen van het beeld. Voorbijgangers (op de rug gezien) en collega's (die een gezicht krijgen) bevolken dit universum, maar met mate: dit is vooral het dagboek van een gevoelige man die zijn instinct volgt. "Ik ben vrij primair, vrij naïef. Ik wil begrijpen wat ik zie. Ik werk altijd in de eerste graad - beeld en klank zijn complex en rijk genoeg. Hoewel ik ook wel oog heb voor de elegantie van de dingen, vind ik dat de fotografie eenvoudig en leesbaar moet zijn. Ik wil alleen wat orde scheppen."

Raymond Depardon is een attente heer en een excellent kunstenaar, Paris Journal een boek om in te wonen.

Raymond Depardon

Paris Journal

Hazan, 536 p., 61,70 euro.

Lichtstad & lichtekooi

Ook uit Parijs komt dit uitmuntend vormgegeven en uitermate erudiete boek van de onlangs overleden Baudelaire-kenner Claude Pichois en diens spitsbroeder Jean-Paul Avice. Het is de geactualiseerde versie van een bundel essays die meer dan tien jaar geleden werd uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling Baudelaire/Paris, maar tegelijk een heerlijk kijkboek waarin de beelden van fotografen als Nadar of Marville en de tekeningen van Charles Meryon naadloos overlopen in stemmige zwartwitfoto's uit het hedendaagse Parijs. De innige band tussen de dichter en zijn hoofdstad wordt belicht in bijdragen over Baudelaires kinderjaren, over de talloze adressen waar hij verbleef, over boezemvrienden en tijdgenoten maar vooral over de stad als topos in zijn oeuvre. Naast de belangrijkste grondstof van de dichter, het eigen leven, geven ook de transformaties van het stadsweefsel tegen het achterdoek van het Tweede Keizerrijk zijn verzen en prozagedichten vaart en vorm. De 'magiques pavés' van de boulevards duiken op tussen de regels. Parijs is zijn onbetrouwbare geliefde, lichtstad en lichtekooi, steen en kikkerpoel. Als een alchemist heeft Baudelaire de modder uit de goot geschept om er goud van te maken. Meer dan een eeuw later doen Pichois en Avice niets anders door zijn oeuvre met liefde en diepgang aan de man te brengen. Hun laatste boek is ook een (h)oogstandje van esthetiek. Zowat alle iconografische mijlpalen zijn present: de portretten die Nadar en Carjat maakten, de stadsgezichten op de vooravond van de kaalslag die prefect Haussmann beraamde, naast enkele niet onverdienstelijke krabbels van de dichter zelf.

Claude Pichois & Jean-Paul Avice

Baudelaire Paris sans fin

Paris Musées, 192 p., 39 euro.

Pijn & tristesse

Er zijn geen kinderen meer. Dat is de gedachte die oplicht wanneer je Children van de Franse fotograaf William Ropp (°1960) dichtklapt. De man werkt vrijwel altijd in zwart-wit. Hij gaat lichamen te lijf met infrarood licht of bewerkt de negatieven achteraf in de donkere kamer. Het resultaat is vaak beklemmend en van een peilloze tristesse, met modellen die wezenloos in de studio poseren en spaarzaam geregisseerd worden tot surreële, vertekende beelden. Ze roepen herinneringen op aan Kertész' experimenten uit de jaren dertig, met lachspiegels en uitgeveegde, elastische vormen. Vrolijk is het nooit, wel wanstaltig, aandoenlijk of macaber (en al die andere termen uit de schutkring van het nihilisme). In de krant Libération, die af en toe iets van Ropp afdrukt, voerde een recensente de fotograaf op in het gezelschap van Boris Vian en Joel- Peter Witkin, en terecht: voor deze heren mag kunst een beetje pijn doen. Soms lijkt het alsof Ropp zijn gestalten als overrijpe kaas laat uitlopen of door een zuur laat aanvreten. We ervaren implosie, erosie van vlees.

Ook de figuren uit het recente album Children, in het donker met een polaroidcamera gefotografeerd, zijn wezens op de grens van het menselijke, freaks uit een koortsdroom, tere maar enge vogeltjes. Voor klassieke kinderportretten moeten we natuurlijk niet bij Ropp aankloppen. Zijn jonge modellen verontrusten, spoken, kijken uit hun wazige lijf naar buiten als op een schilderij van Bacon. Er is iets met hun ogen. Ze zijn ziek. Al deze kinderen gaan dood, en we kunnen er niet van wegkijken - zo mooi zijn ze.

William Ropp

Children

Kehrer Verlag, 92 p., 44 euro.

Touwtjes & spuug

Alles aan dit hoge en diepe boek is morsig, uitgewoond, bewogen, goor en korrelig: het karton van het omslag, het goedkope papier, de bladvullende en op het eerste gezicht slordig afgedrukte foto's die trots de sporen van verval als littekens dragen. Er zitten vlekken op, de randen zijn uitgerafeld en iemand heeft er als een gek merktekens op aangebracht, stempels met het opschrift 'foto & copyright G.P. Fieret'. Op de foto's zien we vooral jonge vrouwen uit de jaren zestig en zeventig, op straat bespied of uitgenodigd in het atelier om er bij voorkeur halfnaakt en in uitdagende poses gefotografeerd te worden. Het zijn vieze plaatjes. De dader, die af en toe in beeld komt, is een kerel met een snor en een baard van enkele dagen. Zelden was een fotograaf zozeer voyeur als deze Gerard Petrus Fieret (°1924), dichter en beeldend kunstenaar uit Den Haag. Als een Gaston Chaissac van de donkere kamer heeft hij zijn omgeving in beeld gebracht, ging hij aan de slag met touwtjes en spuug. Klassieke kwaliteiten als scherpte of evenwicht komen er nauwelijks aan te pas, en het licht mag rustig zijn eigen zin doen. Het resultaat lijkt art brut in zijn zuiverste vorm, maar ingrepen als de solarisatie of het verknippen van de foto bewijzen dat Fieret zijn opnamen met overgave te lijf gaat. Wat zoal in beeld komt: bevallige (maar even goed toevallige) billen, voeten in sandalen, vuile kopjes, schaduwen, een vliegtuig en een straatlantaarn, rokende meisjes bij een bushalte. Af en toe krijgt iemand een naam: "mijn model Inge", Phil Bloom, Rudi Fuchs. Het boek lijkt tot de rand gevuld, als een schoendoos met familiekiekjes. Het is een goudschat, het relict van een verdwenen beschaving. Een universum in een doosje.

Viezentist Fieret is dit jaar tachtig geworden; bij zijn verjaardag hoorden een retrospectief in het Fotomuseum Den Haag en dit album, een passende hommage aan een curieuze artiest. Alles klopt: de vormgeving, het diepe grijszwart van de bladzijden, zelfs het drukwerk en de keuze van het papier rijmen met Fierets onrust en met zijn hitsige oeuvre.

Gerard P. Fieret

Foto en copyright by G.P. Fieret

Voetnoot, 160 p., 25 euro.

Lust & genot

Moeten we dit boek lezen als een late maar alsnog lucratieve sequel van de schandaalroman La vie sexuelle de Catherine M., die in honderdduizenden exemplaren over de toonbank ging? Eerder had Jacques Henric al enkele blote portretten van zijn vrouw gepubliceerd in Légendes de Catherine M., een reeks verhalen over de fotosessies die het paar al heel lang opvoert. Nadien zou Henric nog bevallen van een boek met commentaren op de heisa die het wilde seksleven van Catherine teweeg had gebracht, terwijl mevrouw op dit eigenste moment een vervolg in de steigers zet, over jaloezie en zo. Een rampenplan na al dat rampetampen dat haar naam buiten het kringetje van intellectuelen rond het blad Art Press had gevestigd, als de langverwachte, eigentijdse icoon van het libertijnse Frankrijk?

Vandaag is er dus ook een album opgetrokken rond de naaktfoto's die Henric door de jaren heen van zijn mooie vrouw maakte in slaapkamers, treincoupés en vooral gewoon buiten onder de zuiderse zon - het is een gedeeld fantasme, een enigszins lachwekkende en wat problematische hobby van een gecultiveerd koppel met veel vrije tijd. We kennen het procédé. Jacques en Catherine gaan een eindje stappen (in de Provençaalse garrigue bijvoorbeeld, in een leeg stationnetje of bij het grafmonument van Walter Benjamin in Port Bou nabij de Spaanse grens); hij houdt de camera in de aanslag, zij knoopt haar jurk los. Ze deden het al toen het personage Catherine een ravissante jeugdige verschijning was, maar ook nog eergisteren. Het geliefde lichaam is in al die jaren nauwelijks verouderd; misschien is alleen de blik wat harder geworden. M. kijkt bijna altijd in de lens - stout, speels, geduldig, verveeld, nors, gekweld, laatdunkend, aangeschoten, stralend, argeloos, argwanend, medeplichtig, verschrikt.

Natuurlijk gaat het spel dat het model met haar fotograaf speelt, over lust en over het genot van kijken en bekeken worden. Natuurlijk bouwen Jacques en Catherine op gestelde tijden Courbets schilderij L'Origine du monde na, in de nachttrein naar Venetië bijvoorbeeld. Maar dit boek is niet zomaar een verzameling van geile plaatjes op glanspapier. Is het Millets zelfbewuste tronie die het verschil maakt, of de sprezzatura waarmee zij haar benen spreidt? Er gebeurt nog iets anders: het lichaam kijkt terug. Het is een spiegel voor onze eigen, gretige blik. Een straffe madam, die Catherine.

Jacques Henric

Catherine M. L'Album

L'Instantané, 128 p., 27 euro.

Doek, paneel & karton

In 1916 brak de Franssprekende Antwerpse schilderes Marthe 'Tour' Donas (1885-1967) met haar burgerlijk milieu; dat hoorde zo voor iemand die de avant-garde genegen was. Ze vluchtte naar Montparnasse en leerde er in de ateliers van André Lhote en de beeldhouwer Archipenko het kubisme kennen. "J'étais avide de tout voir et de tout comprendre" - een fraaier credo van het modernisme was nauwelijks denkbaar. Donas werd opgemerkt door het blad De Stijl van Theo van Doesburg en exposeerde in de Berlijnse galerie Der Sturm van kunsthandelaar Herwarth Walden, een ander boegbeeld van de nieuwe stijl. Van kunstcriticus Paul van Ostaijen kreeg het werk van de 'Poolse' Tour D'Onasky twee uitroeptekens in de marge; de dichter had zich laten misleiden door haar exotische pseudoniem. Later zou ze als eerste Belgische vrouw abstract gaan schilderen. Vandaag kennen alleen specialisten haar naam, maar de uitstekende monografie die Kristien Boon over deze dame schreef, zou Donas een verdiend eerherstel moeten opleveren. Het leven van de kunstenares, voornamelijk gebaseerd op haar eigen aantekeningen waarin ze zichzelf in de derde persoon opvoert, leest als een roman, terwijl de illustraties een perfect beeld van haar productie ophangen: gedreven kubistische werken op doek, paneel en karton, later vooral kleurige abstracte vormen.

Kristien Boon

Marthe Donas

Stichting Kunstboek, 112 p., 45 euro.

Ten slotte

... is er nog het verzamelde werk van Robert Capa (Phaidon, 39,95 euro) en Edouard Boubat (La Martinière, 75 euro), al het essentiële van Brassaï in een band (Taschen, 14,99 euro), een panorama van de foto's uit het emblematische blad Life (La Martinière, 45 euro), de hele geschiedenis van de fotografie samengebald in een Encyclopédie de la Photographie (La Martinière, 45 euro) en het somtijds hilarische brevier van Geert Kooiman, die banale beelden uit de werkelijkheid combineert met spreuken en citaten (Voetnoot, 19 euro).

Eric Min

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234