Donderdag 20/02/2020

Een spoor van stuiptrekkende, sluimerende schoonheid

Geen kunststroming uit de vorige Eeuw heeft zoveel belangstelling gehad voor de fotografie als het surrealisme. Een uitstekende expositie in het Musée de la Photographie in Mont-sur-Marchienne heeft de sterkste beelden samengebracht die mensen met camera's aan de demonen van het surrealisme hebben geofferd. Bewust, toevallig of zonder dat ze ooit het geweten hebben.

Wie kent Erotique voilée niet, de beroemde opname die Man Ray in 1933 in het atelier van een bevriend graveur maakte? Een naakte vrouw (de kunstenares Meret Oppenheim, die op een dag een kopje en schoteltje van bont knutselde) zoekt steun bij het grote wiel van een drukpers; ze kijkt weg, haar linkerarm zit onder de inkt. Met deze foto opent Surréalisme et photographie, de overzichtstentoonstelling in het Musée de la Photographie van Charleroi die het verhaal vertelt van de relatie tussen een artistieke stroming uit de eerste helft van de twintigste eeuw en het technisch wonder dat in die dagen zijn hoogtepunt beleefde.

Tientallen beroemde of obscure afdrukken leren ons meer over de surrealistische manier om naar de wereld te kijken dan wat artikels in encyclopedieën of schilderijententoonstellingen ooit vermochten. Even vond ik het jammer dat de bezoekers het zonder catalogus of wandelgids moeten stellen; wie tijd en zin heeft, zal de rode draad die de verschillende hoofdstukken van de expositie met elkaar verbindt, moeten samentwijnen uit de citaten op de wanden. Misschien is het wel beter zo. Het favoriete tijdverdrijf van een hoopje tafelspringers uit Parijs (en Brussel of, godbetert, La Louvière!) verdraagt immers nauwelijks een samenhangend discours - hooguit enkele manifesten, tijdschriften die een stille dood sterven na hun eerste nummer en een pamflet of drie, vier.

Reis dus onbevangen af naar het zwarte land waar het altijd regent en vergeet alles wat u ooit over de surrealisten hebt geleerd, of beter: herkauw de clichés, schrap de olifanten op spinnenpoten of de spoorwegstationnetjes en bedenk dat het eigenlijk vooral de voortdurende verwondering over het alledaagse was die de surrealisten inspireerde. Laat net dat nu evengoed de verdienste zijn van de fotografen die destijds actief waren, en het mystieke huwelijk tussen de mannen met de camera en de dromers die in Freuds theorieën over het onbewuste rondwaarden is bezegeld. Bretons stoere uitspraak "De schoonheid moet stuiptrekkend zijn, of ze zal helemaal niet zijn" mag ons niet op een dwaalspoor brengen. Zonder de banale dingen van elke dag zou er geen "surrealist" (let op de aanhalingstekens) opstaan om kunsten te maken. Kijk maar: in Mont-sur-Marchienne is te zien hoe de liefde voor het beeld (of: het verlangen naar beelden) een generatie kunstenaars krachtvoer heeft gegeven.

Vraag een kind wat surrealisme betekent en het komt aanzetten met beelden: een bolhoed, een pijp, over een tak gedrapeerde klokken of een leeg plein in de avondschemering. Susan Sontag vatte het probleem treffend samen: in de schilderkunst heeft deze stroming niet veel meer opgeleverd dan "de inhoud van een magertjes gestoffeerde droomwereld; een paar geestige fantasietjes, voornamelijk natte dromen en nachtmerries van pleinvrees". In de literatuur was de oogst al niet veel rijker - een handvol dichtbundels en een halve roman die zeker geen roman genoemd mocht worden. Surrealistische muziek is een contradictio in terminis, en op de planken waren de dadaïstische stuiptrekkingen (Tristan Tzara's gebral of Kurt Schwitters' Sonate in Urlauten) heel wat interessanter dan wat hun opvolgers hebben uitgekraamd.

Paradoxaal genoeg is het de fotografie, zowat het enige ambacht dat jarenlang volhield dat het een realistisch en dus betrouwbaar beeld van de werkelijkheid produceerde, die de beweging groot heeft gemaakt - en omgekeerd. In 1931 merkte Walter Benjamin op dat de surrealistische tak van de fotografie "een voorhoede (was) van de enige werkelijk brede colonne" die de stroming op gang kon brengen. Zowat elke fotografische techniek, van het zuivere registreren over de regelrechte manipulatie tot de dramatisch geënsceneerde overdrijving heeft haar surrealistische trekjes. Het gaat immers altijd om fragmenten van de werkelijkheid die worden uitgekozen en geïsoleerd om getoond te worden - in een rechthoekig vlak dat geëxposeerd wordt, opgehangen aan de muur van een galerie of afgedrukt in het clubblad, tot kunstwerk getransformeerd -, ook wanneer er tegelijk Iets Meeslepends moet worden verteld over de dood van de kunst (of vergelijkbare, al even aparte modaliteiten van het Intellect). Dit moet de leukste karaktertrek van het surrealistische canaille zijn: hun grenzeloze vermogen tot verwondering over wat is, en over hoe het is.

Een les in kijken

Het lijkt wel alsof de eerste foto's die we in Charleroi te zien krijgen, bij een andere tentoonstelling horen. Een straatlantaarn van Marcel Bovis, generatiegenoot van Brassaï. Vier stadslandschappen van Jacques Boiffard. Een brug over de Seine zoals André Kertész ze zag door de wijzerplaat van het Institut de France heen. Een etalage met korsetten van Eugène Atget, de pionier van de 'objectieve' fotografie die lege straten en winkels registreerde als decorstukken die schilders op hun doeken konden verwerken - de surrealisten waren dol op zijn werk. Niets is vreemder dan wat ons zo vertrouwd is dat we het haast niet meer opmerken, tot een olijkerd met een camera en een arendsblik ons even tot de orde roept.

Misschien was de zo vaak verguisde 'humanistische' fotografie tussen de twee wereldoorlogen wel een vriendelijke les in kijken; veel van wat hier werd verzameld, is schatplichtig aan de ontroerende verbazing van fotografen die het medium gebruikten om met volle teugen van de wereld te genieten. Alles, ook het onbeduidendste detail, kon 'mooi' of interessant genoeg zijn om even bij stil te staan en af te drukken. Henri Cartier-Bresson fotografeert een stuk textiel dat aan een muur hangt, Dora Maar een kantine voor arbeiders. Er zijn uithangborden, affiches, etalages, paspoppen, korsetten (niet alleen van de oude Atget, ook van Manuel Alvarez Bravo) en het bevreemdende arsenaal dat vijftig jaar eerder door Rimbaud was bijeengeharkt: "Ik hield van idiote schilderijen, deurstukken, decors, toneeldoeken van kermisklanten, uithangborden, volksprenten" (uit Een seizoen in de hel). De eerste randvoorwaarde om tot een surrealistische gevoeligheid te komen, is het moment waarop de wereld wankelt en de dingen echt wel zo zot zijn als ze eruitzien. We hoeven niet eens actief in te grijpen. Ze vallen vanzelf wel op hun plaats.

Met de cyclus La subversion des images van de Brusselaar Paul Nougé uit 1929-1930, die een hele wand vult, komen we terecht in een tweede variant van de surrealistische fotografie die weleens een typisch Belgisch verschijnsel zou kunnen zijn - vlakbij worden ook kiekjes van verwante geesten als René Magritte of E.L.T. Mesens in vitrines getoond. Het zijn spaarzaam geënsceneerde tafereeltjes die met een amateurcamera werden gemaakt op een landerige zondagmiddag: huisvlijt van een kunstenaar en zijn vriendin waarin een schaar, een schoorsteen, een spiegel en lege overhemden de hoofdrol spelen.

Een onbekende fotograaf maakte in 1934 Le rendez-vous de chasse, een groepsportret van de Brusselse surrealisten Scutenaire, Nougé, de Magrittes en Mesens. Verderop zullen we nog de collega's van de groep uit La Louvière ontmoeten, en Man Rays brave portretten van de Brusselse verzamelaar en mecenas Paul-Gustave Van Herck en zijn vrouw Norine, die Magritte reclametekeningen voor haar haute-couturezaak liet maken. De wereld was klein, en vooral de Belgische sectie van de surrealistische Internationale deed haar best om er aangrijpend banaal uit te zien. Het waren mannen en vrouwen die geen boodschap hadden aan de trukendoos van dwepers en dromers als Dalì die allemaal lou plou grand' artiste dou mónde wilden worden en hun snor als handelsmerk beproefden, of hun handtekening als bankwaarborg. Ze wisten wél waar de mosterd vandaan kwam: in 1928 organiseerde Mesens in Van Hercks galerie L'Epoque de eerste expositie van modernistische fotografie in België. De bescheiden catalogus is in Charleroi te zien, samen met een groot aantal van de tentoongestelde werken. Het is ook vandaag nog een sterk ensemble.

COLLAGE EN FOTOMONTAGE

Letterlijk een stapje verder belanden we bij nadrukkelijk tot surrealistische beelden geregisseerde opnamen van fotografen die wetens en willens de kant van de beweging hadden gekozen. Een blote voet vertrapt een kunstboek: dit moet Le mépris de la culture (1934) van Max Servais zijn. Vijftig jaar later plant Marcel Mariën een Eiffeltorentje en het bruidspaar van een feesttaart op de buik van zijn naakte model; hij noemt de foto's Le terrain vague ('Braakland') of La banlieue ('De voorstad') en klaar is Kees. Ook de afbeelding van de theepot en de tepel (de pot en de ketel, de theelepel, de theetepel? In dit gezelschap gaat het onbewuste zonder omhaal aan de haal met de taal) is een werkje van Mariën, dat ook als affiche van Surréalisme et photographie mag dienen.

Mateloos was de verbeelding van de mannen (en het handvol vrouwen) in de donkere kamer. Man Ray gooide zijn sleutelbos en de inhoud van zijn broekzak op een vel fotopapier en knipte het licht aan - hopla, de 'rayografie' was geboren. Hij overbelichtte het negatief van een portret zodat de contouren te zwaar werden aangezet en de geportretteerde zowaar een aura kreeg - voilà, de 'solarisatie' zou het volgende succesnummer uit zijn catalogus zijn. Met houten popjes speelde Ray brave of schunnige standjes na, of hij strooide peper, zout, spelden en punaises op onbelichte filmstroken die hij snel ontwikkelde en 's anderendaags vertoonde op een door Tzara georganiseerd avondje dat eindigde met handgemeen en een inval van de politie.

Maar het hoefde niet altijd clichématig grensverleggend te zijn. De brave maar behoorlijk geniale Kertész werkte aan een cyclus 'Distortions', met een vervormende spiegel. Hele detachementen nieuwlichters ontdekten de collage en de fotomontage. Mesens' Masque servant à injurier les esthètes uit 1924 of L'hystérie van Paul Eluard zijn mooie voorbeelden van het objet trouvé. Het surrealisme flirtte graag met het toeval, met de erotische onderstromen van onze verbeelding, met de reclame, met citaten uit en steelse verwijzingen naar de taal en de cultuur van zijn erfvijand, de bourgeoisie waartoe de 'revolutionaire' stroming ondanks alles bleef behoren.

Het is de grote verdienste van deze expositie dat ze een panoramisch beeld schetst van de handelingen van de surrealisten en hun volgelingen, van historische diehards tot ironische erfgenamen als de Belg Pol Piérart (°1955), die eigenhandig op briefjes neergepende woordgrapjes fotografeert en menig bezoeker een lachkramp bezorgt: 'En Belgique le ciel est toujours pleu' of 'Ces êtres rangés qui n'aiment pas les étrangers'... Maar we krijgen - voor zover ik weet voor het eerst - ook een exemplaar van de onmiddellijk na zijn verschijning in beslag genomen bundel 1929 met schunnige gedichten van Aragon en Péret en pornografische foto's van Man Ray te zien, naast een wat stuurloos voortkabbelende compilatie van filmfragmenten uit surrealistische klassiekers als Un chien andalou en Fantômas, aangevuld met de Marx Brothers, Tex Avery en L'Empire des Sens.

Knap is ook het subtiele bruggetje naar de twee andere tentoonstellingen die gelijktijdig in het Musée te zien zijn: honderden fotootjes van de curieuze Belg Georges Thiry (1904-1994), een ambtenaar met een passie voor kunstenaars en andere gewone mensen, en de fascinerende opnamen die Elaine Ling in een handvol verlaten huizen in de Namibische woestijn maakte. Zand is in de lege vertrekken naar binnen gewaaid, als een kamerbreed duin in tere grijstinten - een spookstad uit een nare droom of een surrealistische fabel: de cirkel is rond. Buiten op het kille plein is de hemel nog altijd 'pleu'. We kiezen het hazenpad, maar mijn paraplu blijft in Mont-sur-Marchienne achter, andere avonturen tegemoetgaand. "Chacun bourgeois", mompelt Pol Piérart, gevat tussen de randen en de tanden van zijn fotootje.

De tentoonstellingen zijn tot 3 juni te zien in het Musée de la Photographie van Charleroi, Avenue Paul Pastur 11 te Mont-sur-Marchienne, elke dag behalve maandag van 10 tot 18 uur. Toegang 150 frank.

Dit moet de leukste karaktertrek van het surrealistische canaille zijn: hun grenzeloze vermogen tot verwondering over wat is, en over hoe het is

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234