Vrijdag 09/12/2022

'een schrijver

OUDE EN NIEUWE LIEFDESPOEZIE van van der graft

moet hevig leven'

Van der Graft is 82. Zijn haar is nog wat witter geworden en hij loopt nu met een stok. Mooie stok, zeg ik om dun ijs te breken. Dank je, lacht hij. 'Soms kan het vervelend zijn. Vanochtend in het hotel moest ik zelf om het ontbijt gaan - dat serveren ze tegenwoordig niet meer aan je tafel. En toen stond ik daar: in de ene hand de stok, in het andere het bord.' Meteen daarop: 'Jij gaat me toch ook niet voor raadsels plaatsen hè.' De pret is zelden helemaal weg uit zijn ogen, behalve wanneer ons gesprek, straks, wat serieuzer zal worden. Dan zal ik een melancholische ernst zien.

Van der Graft

Lijfeigen. Liefdesgedichten 1942-2002

De Prom, Amsterdam/Antwerpen, 84 p.,

14,95 euro.

Van der Graft heet in het gebruikelijke leven Willem Barnard. Tot enkele jaren geleden luidde zijn schrijversnaam Guillaume van der Graft. Na het overlijden van zijn vrouw, in 1995, liet de schrijver echter zijn voorname voornaam vallen. Die vrouw, Tinka of Katinka genaamd, is zeer aanwezig in zijn nieuwe dichtbundel, Lijfeigen. Liefdesgedichten 1942-2002. Zoals de ondertitel aangeeft is dit in de eerste plaats een bloemlezing uit Van der Grafts liefdespoëzie, van het prille begin, zestig jaar terug, tot zeer recent. Maar de bundel bevat ook heel wat niet eerder verschenen gedichten. Lijfeigen is, laat het meteen gezegd zijn, een mooie bundel, opmerkelijk hecht voor de brede tijdspanne die erin bestreken wordt. Hij gaat over de grote thema's, liefde en dood, over man en vrouw, mens en mens, over erotiek, geluk, vriendschap, maar ook over falen, over het moeizame samenzijn soms van twee mensen, over de onvermijdelijke ballingschap van ieder afzonderlijk. Dit alles in beeldrijke taal, nu eens toegankelijk, dan weer cryptischer, en met op de achtergrond altijd Van der Grafts eruditie inzake de wereldliteratuur en de bijbel.

Het is ook een bundel van een schrijver die maar niet écht erkend wordt. Aan zijn grote productiviteit kan het niet liggen, aan zijn diversiteit evenmin. Hoewel, in zekere zin speelt dat laatste hem wel parten.

Willem Barnard (1920) studeerde theologie, werd predikant, maar merkte al snel dat zijn hart meer bij de taal dan bij de strikte uitoefening van het dominee-ambt lag. Hij publiceerde bundel na bundel poëzie onder pseudoniem, en werd onder zijn echte naam bekend door, onder meer, zijn nieuwe psalmberijming en een nieuw liedboek. Hij publiceerde met de jaren ook veel, heel veel over theologie, met als hoogtepunten Verzameld vertoog en het lijvige Stille omgang, een prachtig geschreven boek dat stof wil bieden voor dagelijkse beschouwingen, met godsdienstige inslag, maar allesbehalve prekerig of dogmatisch.

Barnard schrijft geenszins academisch over de religieuze beleving, in alles blijkt zijn behoefte aan literaire formulering. Zijn stijl is helder, zijn taal plastisch, zijn woordenschat rijk. En toch. Voor de literatuur blijft Van der Graft nog altijd een dominee, met de jammerlijke vooroordelen die daarbij horen. Voor de kerkelijke wereld is Willem Barnard dan weer de schrijver, de dichter - met ook de daarbij horende idee-fixen. De tweedeling die de buitenwereld in zijn werk aanbrengt, is hemzelf vreemd. En hij kan niet ontkennen dat het hem frustreert.

"Ik had theologie gestudeerd. Dat betekende voor mijn generatie dat je voorganger in de kerk werd, met alle verplichtingen van dien. Ik kwam als jongeman uit Rotterdam terecht in een plattelandsomgeving. Daar heerst toch nog het gevoel dat zo'n voorganger, zo'n dominee een soort medicijnman is, die in allerlei opzichten de religieuze dimensie moet vertegenwoordigen. Daarnaast - en ik bedoel daarnaast - was er mijn literaire bezigheid. Ik had het gevoel, toen, dat ik uit elkaar getrokken werd. Pas naderhand is dat tot een soort eenheid gegroeid. Voor mijzelf. Maar niet maatschappelijk. Dat heb ik altijd erg jammer gevonden."

Van der Graft verzamelde enkele malen zijn poëzie, onder meer in Mythologisch (1997). Nu is er dus een bloemlezing uit zijn liefdespoëzie. De bundel is opgedragen aan de drie vrouwen waar deze gedichten om draaien. Ten eerste Barnards vrouw, de al genoemde Tinka. Ten tweede de 'onmogelijke' vrouw, Cobie genaamd, en ten derde de 'nieuwe vrouw', de geliefde die in zijn leven kwam nadat Barnards echtgenote overleden was. Tegelijk vormt de bundel een soort levensgeschiedenis.

Hoe zit het nu met die drie vrouwen, vraag ik. De dichter steekt van wal.

"In 1950, ik was dertig, heb ik een heleboel gedichten geschreven voor Cobie, de tweede vrouw die genoemd wordt in de opdracht van de bundel. Zij was een nichtje van mij. Wij waren samen opgegroeid. Zij had geen moeder meer, haar vader was voortdurend bedlegerig en ze had ook geen broer. Ik was enig kind en zo zijn we bijna als broer en zus groot geworden.

"Op den duur, het is een klassiek verhaal, komen daar ook erotische elementen bij. Maar ik ben toen met de Katinka uit mijn gedichten getrouwd. Zij was heel anders dan ik, een tegenpool. Kort daarop echter sloeg de brand erin tussen Cobie en mij. Zoiets kan gebeuren, en ik wist daar geen raad mee. Cobie en Tinka evenmin. In die periode heb ik dus die gedichten geschreven.

"Maar er gebeurde iets heel vreemds. Ik liet die gedichten lezen aan Ad den Besten, een goede vriend (en literair criticus die altijd het werk van Van der Graft heeft geduid en verdedigd, BD). Nu geloof je het nooit, maar hij raakte die gedichten kwijt. Bijna veertig jaar later, bij een verhuizing, kwamen ze weer tevoorschijn. Toen zag ik ze dus terug, teksten uit het heetst van de strijd. Vele ervan vond ik niet meer geschikt voor publicatie, een aantal wel. Die staan nu in deze bundel."

Een van die gedichten luidt:

Ze was mijn binnenrijm. Zij was het woord dat mij ontbrak, dat ik niet zeggen kon en niet hoefde te zeggen. Alsof het vals klonk als ik haar uitsprak.

Dichters zijn goed met woorden en noemen overspel 'de onmogelijke liefde'. Dat klinkt verhevener?

Hij lacht. "Je bedoelt dat ik verbloem? Misschien wel. Maar die overspelige liefde wás ook onmogelijk in de diepste zin. Wij stonden zo dicht bij elkaar dat we ons een mislukte tweeling voelden. Er was tussen ons geen geschiedenis mogelijk. Alleen een stilstaand nu. Bij Tinka was dat heel anders. Het was een vruchtbare liefde, ook letterlijk. Er zijn kinderen uit voortgekomen. En ze kon een maatschappelijke vorm aannemen. Je stond als tweetal in de wereld, tussen de mensen. Cobie en ik daarentegen bouwden onze eigen eeuwigheid, terwijl daar, ver weg, de mensen, de wereld, de plichten waren. Dat is wat ik bedoel met 'onmogelijk'.

"Natuurlijk zijn er in dit verband dingen die ik niet kan vertellen. Ik heb ook gefaald. Maar daar wil ik me niet verder in verdiepen, want dan ga je zwelgen in schuldbesef. En dat is een gevaar dat christenen, calvinisten in het bijzonder, wel bedreigt. Tot mijn geloofsbelijdenis behoort dat je bepaalde dingen beleeft als zonde, maar dat er de vergeving van de zonde is. En dat vind ik het moeilijkste geloofsartikel, moeilijker dan de opstanding, bij wijze van spreken."

De derde vrouw kwam er onverwacht nog bij. Een groot geluk.

"Ik heb met Tinka, mijn vrouw, een heel goed leven gehad. Met de nodige wrijvingen en dergelijke. Maar toch, een goed huwelijk, waar ik ook erg dankbaar voor ben. Op een gegeven moment werd zij ziek, die ellendige Alzheimer. Ze overleed in 1995. Daarna denk je: nu is het wel afgelopen, ik ben een oude vent. Maar toen kwam er een nieuwe liefde, weer van een andere aard, een hele diepe vriendschap. Zij is de derde vrouw in deze bundel."

Met de draad van deze drie vrouwen weeft Van der Graft tegelijk zijn levensgeschiedenis. Lijfeigen behelst dan ook, behalve drie liefdeshistories, nadrukkelijk een terugblik.

"Als je echt oud wordt, krijg je de neiging niet zozeer tot een terugblik, maar tot een overzichtsblik. Je overziet je hele leven. En dan gaat het weleens zoals in dromen: dat er een vreemde gelijktijdigheid ontstaat. Wat lang geleden plaatsvond, gebeurt tegelijk met veel recentere voorvallen. Soms heb ik het idee dat als er een hiernamaals is, het daar misschien zo toegaat: alles door elkaar heen, alles gelijktijdig.

"Op hogere leeftijd komen ook de diepe emoties van je leven weer aan de oppervlakte. Om te beginnen in dromen, daarna ook in gedichten. Zo kwam het dat ik vorig jaar ineens weer een reeks gedichten ging schrijven voor Cobie, die inmiddels al een hele tijd overleden is. Zij is natuurlijk nooit helemaal weg geweest. Ik wilde die gedichten graag publiceren, ook om haar recht te doen. In zekere zin had ik haar verloochend. Dat zat me dwars. Toch wou ik ze niet apart publiceren, en toen ontstond het idee om ze samen met andere liefdesgedichten in een boek te zetten."

De lezer zal zeker niet altijd meteen doorhebben over welke vrouw en welke liefde het gaat. De geschiedenissen lijken soms door elkaar te lopen. Zo is het ook bedoeld, een enkele keer wist zelfs de dichter niet meer over welke vrouw een zeker gedicht precies ging. Ook liet hij de titels weg. Die bevinden zich nu onder de gedichten, als waren ze voetnoten. "Zo staan de gedichten meer bloot", zegt hij. En zo lezen ze meer als een verhaal. "De bedoeling is uiteraard dat het ik van meneer Barnard een algemeen ik wordt. Dat is een waarheid als een koe, maar ze wordt weleens vergeten. Mij ego moet het ego van de lezer worden. Hij voltooit het gedicht, toch?"

Al mocht Van der Graft op oude leeftijd het geluk van een nieuwe liefde beleven, het slotgedicht van de bundel, over oud zijn en dus almaar dichter bij de dood komen, is een gedicht met erg gemengde gevoelens. Het is een van de aangrijpendste in de bundel. Dood is een woord dat niet hoort, het is door en door doof en zo zwart als een gat in de taal en het vriest, het vriest aan mij vast. Kus mij dan, liefkoos mij los, dat ik leef, want ik leef pas wanneer je mijn dood hebt ontdooid.

Het wordt kouder als je ouder wordt?

"Ja, het kan dan erg koud zijn. Ook fysiek. Maar wat moet ik daar meer over zeggen? Je gaat je realiseren dat zoveel van wat je doet louter een kwestie van geheugen is. Thee zetten, bijvoorbeeld, vergt nogal wat stappen, en daar moet je allemaal aan denken, in de juiste volgorde. Anders lukt het gewoon niet. Dat besef je pas echt door de omgang met een Alzheimer-patiënt. En soms schrik ik wel als ik iets even vergeet. Mijn grootste angst op dit moment is die voor afasie, het verschijnsel dat je ineens niet op een woord kunt komen. Maar dat hoort allemaal bij de angsten van de nacht. Overdag ga je daar makkelijker overheen."

De overzichtsblik van de dichter in Lijfeigen komt onderling zeer uiteenlopende dingen tegen, van depressies tot geluksmomenten. Bij Van der Graft speelt de religieuze ervaring daar vanzelfsprekend intens in mee. Meer impliciet dan expliciet. We worden niet om de oren geslagen met bijbelcitaten of geloofsbelijdenissen.

"Mensen vragen me soms, geloof jij? Dan zeg ik vaak: dat weet ik niet, maar hét gelooft wel in mij. Beter kan ik het niet verwoorden. Mijn zoon (schrijver Benno Barnard, BD) heeft eens gezegd: jij ziet bij vlagen het mystieke licht. Dat is zo. Maar hoe moet ik dat omschrijven? Het zijn onvergetelijke religieuze ervaringen. Momenten waarop alles ineens gaaf is, verkeert in een soort verheerlijkte staat, in een licht dat het verheldert en meteen ook vastlegt. Dan ontstaat kortstondig het gevoel: dit is het. Het kan je in principe altijd overkomen, ook als je met je geliefde in bed ligt. Ik herinner mij ogenblikken dat haar gezicht zó straalde. Toen kwamen erotiek en religie samen. Misschien nemen sommige mensen aanstoot aan het samenbrengen van die twee, maar voor mij vormen die één geheel."

Mag ik, daarbij aansluitend, Lijfeigen lezen als een ode aan de vrouw? Van der Graft denkt nu lang na, mompelt wat, en lacht dan geheimzinnig. "Ik voel wel wat", zegt hij gespeeld laconiek, "voor die geinige bijbeluitleg die zegt dat God de man schiep, dan zag dat het toch niet helemaal was wat hij bedoelde en vervolgens de vrouw bedacht."

De strijd der geslachten is aan hem voorbijgegaan?

"Ik heb het nooit ervaren als een strijd. Het zijn personen die botsen, niet de geslachten. Wat ik zelf gek vind is dat ik pas op hoge leeftijd een paar echte coïtusgedichten heb geschreven. Hoe komt dat? Misschien dat je het dan nog meer als een wonder ervaart. God Jezus, ik kan het nog. Zoiets."

Van der Graft wordt om God weet welk misverstand vaak geboekstaafd als een louter religieus dichter - een etiket dat ongetwijfeld een hoop lezers afschrikt of hooguit tot een geeuw verleidt. Wie Van der Graft daarom nog altijd zou associëren met temerige poëzie over spiritualiteit, zal in Lijfeigen menige verrassing beleven. Het is vaak, om het eenvoudig te zeggen, erg lichamelijke, zinnelijke poëzie.

"Als het nu gaat om geloofsbelijdenis, of theologie of kerk of hoe je het ook noemen wilt, dan ben ik altijd geneigd om het begrip incarnatie in het middelpunt te zetten. Vleeswording, lichaam-wording. Dat sluit trouwens aan bij de titel van deze bundel, Lijfeigen. Incarnatie is zeer christelijk. We hoeven de godheid niet te zoeken in hogere sferen, maar hier, op aarde, in het lichaam. Daar openbaart hij zich. En de lichamelijkheid is ook ons domein."

Dat lichaam is tegelijk onze gevangenis. In deze liefdespoëzie, in deze gedichten waarin het samenzijn met de ander beschouwd wordt, wordt niet ontkend dat de ander uiteindelijk onkenbaar, onbereikbaar, ongenaakbaar is. En dat de dichter nog opgeslotener in zichzelf zit dan veel anderen. Met alle vervreemding die daaruit voortkomt.

Een van de meest sprekende regels in dat verband luidt: "Ik leef apocrief maar ik heb lief". Ik lees de regel voor en Van der Graft knikt.

"Nu ga je vragen, hoe bedoelt u dat? Wel, dat weet ik niet. Het voelt zo, meer kan ik er niet over zeggen. Al loop ik wel keurig in het lijntje, toch ben ik niet volgens de maatschappelijke normen canoniek. Vandaar: ik leef apocrief."

Menig schrijver heeft al vastgesteld dat het schrijven leidt tot niet-leven.

"Die tegenstelling geldt niet voor mij. Voor mij is kunst een heviger vorm van leven. Bovendien is het volstrekt steriel als je je beperkt tot de kunst, als je niet deelneemt aan het leven. Een schrijver moet hevig leven, maar dat kan ook heel onopvallend. Natuurlijk, de schrijver heeft de neiging zich naar binnen te keren."

Kunstenaars zijn noodzakelijkerwijs egocentrisch? Ik citeer opnieuw - regels waarin Van der Graft zelf lijkt te verwijzen naar dat egocentrisme: "ik ging voorbij/ aan al wat gebeurde/ buiten mijn paradijs".

"Toen ik nog dominee was heb ik dat op pijnlijke wijze ervaren. Je bent schrijver van nature, dat betekent dat je naar binnen leeft. Maar als dominee moet je naar buiten leven, openstaan voor de wereld. Dat was dus een voortdurend conflict. Ik heb toen de keuze moeten maken, in het voordeel van het schrijven. Maar daar breng je geen brood mee op de plank. Dat was dan opnieuw een conflict. En zo is het altijd wat."

Hij lacht. Maar hij raakt ook zichtbaar wat vermoeid. Het is wel genoeg geweest. De pret echter verdwijnt niet uit zijn blik. Hij strijkt even langs zijn snor, ten teken van finale ontspanning. "Ik wed", zegt hij, "dat je nu tot slot gaat vragen of ik over die keuze ooit wroeging heb gehad." Ik knik. "Wel", zegt hij, "misschien ben ik net slecht genoeg om daar niet al te veel last van te hebben."

Waarlijk een ondeugend antwoord voor een dominee.

Bernard Dewulf

'Wat ik zelf gek vind is dat ik pas op hoge leeftijd een paar echte coïtusgedichten heb geschreven. Hoe komt dat? Misschien dat je het dan nog meer als een wonder ervaart. God Jezus, ik kan het nog. Zoiets''Natuurlijk zijn er dingen die ik niet kan vertellen. Ik heb ook gefaald. Maar daar wil ik me niet verder in verdiepen, want dan ga je zwelgen in schuldbesef''Mensen vragen me soms, geloof jij? Dan zeg ik vaak: dat weet ik niet, maar hét gelooft wel in mij'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234