Woensdag 19/01/2022

Een schrijver voor alle tijden

Borges lezen, en vooral hem herlezen, is een overrompelende ervaring. Zijn oeuvre blijft volstrekt uniek - en te weinig bekend, omwolkt als het wordt door mythen: het zou kil en cerebraal zijn, onverteerbaar verliteratuurd, en nog reactionair ook. Maar wie onbevangen zijn verhalen induikt, komt terecht in een heldere, zij het ongewone wereld van speelse paradoxen, ironisch bestreden fanatisme - en meedogende melancholie. Een portret van de grote Argentijn bij het verschijnen van zijn verzamelde in het Nederlands vertaalde werk.

Ilse Logie

Borges' verhalen, meer dan zijn gedichten en essays, geven al decennia aanleiding tot uiteenlopende interpretaties. De academische wereld heeft zich met geestdrift op de steeds terugkerende thema's gestort: het illusoire karakter van de werkelijkheid; het leven als een doolhof; de pantheïstische gedachte dat ieder mens minstens twee en misschien wel alle mensen in zich bergt; het universum voorgesteld als iemands droom; de opvatting dat geen enkele gebeurtenis zich ooit volledig laat achterhalen. De vele verschillende invalshoeken hebben boeiende inzichten opgeleverd, maar ook steriele hoogstandjes die de teksten zelf ondersneeuwen. Daarenboven heeft dit doorgedreven graafwerk Borges met een imago van literaire halfgod opgezadeld waar hij zelf niet gelukkig mee was.

Eigenlijk was de man schuchter, bescheiden en, zeker nadat hij in 1955 helemaal blind was geworden, ook enigszins hulpeloos. De twee onhebbelijkheden die hij het meest verfoeide, aanstellerij en fanatisme, bestreed hij echter met een laconiek soort ironie die zelden haar uitwerking miste. Het beeld van de elitaire metafysicus Borges dat uit sommige studies spreekt, klopt bijgevolg niet helemaal, omdat het belangrijke facetten van zijn oeuvre zoals humor, speelsheid en nostalgie over het hoofd ziet.

Wat Borges echter veel meer schade berokkend heeft, was zijn volstrekte gebrek aan politieke correctheid, dat hem zelfs de Nobelprijs kostte. Vooral in de jaren zeventig stapelde de auteur de blunders op: in eigen land verwelkomde hij de militaire junta en in buurland Chili drukte hij generaal Pinochet de hand. Ook al zette hij zijn Argentijnse misstap later publiekelijk recht, het mocht niet baten. Tussen Borges en links kwam het nooit meer goed.

In hun collectieve verontwaardiging verloren zijn vijanden uit het oog dat Borges' uitspraken nogal eens boutades waren. Hij was tegendraads geboren en cultiveerde zijn behoudsgezindheid. Dat eigengereide optreden deed hem even vaak moedige standpunten innemen: in het pro-Duitse Argentinië van de jaren veertig veroordeelde hij onomwonden het nazisme, hij trapte niet in de demagogie van Perón, en hij waarschuwde voor de gevaren van het communisme op een ogenblik dat de voltallige Latijns-Amerikaanse intelligentsia die doctrine aanhing. Daarenboven liet hij zich in zijn verhalen, hoewel meestal zijdelings, genuanceerder over politieke kwesties uit dan in interviews.

Over Borges bestaat nog een ander taai vooroordeel: dat van de kleurloze kosmopoliet die zijn afkomst zou hebben verloochend. Borges bracht inderdaad beslissende jaren van zijn leven (1914-1921) buiten Argentinë door. Hij ging naar school in Genève, bezocht Italië, Frankrijk en Spanje, en had een Britse grootmoeder die haar 'Georgie' Engelse avonturenromans toestopte. Toen Borges op zijn 22ste in Buenos Aires terugkwam, flirtte hij kortstondig met de avant-garde, een 'jeugdzonde' die hij later radicaal afzwoer. In 1935 verscheen Wereldschandkroniek (Historia universal de la infamia), Borges eerste verhalenbundel, het genre waarin hij een onbetwist meesterschap zou bereiken. In 1941 volgde De tuin met zich splitsende paden (El jardín de los senderos que se bifurcan) in 1944 uitgebreid tot Fantastische verhalen (Ficciones) en in 1949 De Aleph (El Aleph).

Dat Borges niet meteen sant in eigen land was bewijst de volgende anekdote. Voor hij directeur werd van de Nationale Bibliotheek van Buenos Aires, werkte hij in een onbeduidende buurtbibliotheek. Op een dag lieten enkele medewerkers hem een naslagwerk zien waar zijn naam in voorkwam. Ze vonden de coïncidentie alleraardigst, maar het kwam geen ogenblik bij hen op dat die Borges misschien wel hun eigen collega was. Borges zelf verkoos hen in de waan te laten dat het om een naamgenoot ging.

Pas toen hij ver in de vijftig was, raakte zijn werk ook buiten kringen van insiders in trek. Zoals het ook de tango vergaan was, hadden de Argentijnen de omweg via Parijs nodig om talent van eigen bodem naar waarde te kunnen schatten. Maar toen de bal aan het rollen ging, was er geen houden meer aan. Het regende gastdocentschappen, eredoctoraten, prijzen en vertalingen. Borges werd het monstre sacré van de Argentijnse literatuur, op wie de volgende generaties de onvermijdelijke vadermoord pleegden. Inmiddels heeft die echter alweer plaats gemaakt voor eerherstel.

Dat Borges op gespannen voet stond met zijn land bewijst hoezeer hij een Argentijn in hart en nieren was, want alle Argentijnen worstelen met hun identiteit. Zonder Buenos Aires is Borges' oeuvre gewoon ondenkbaar, ook al verschijnt de stad meestal slechts als een aroma, een tangocouplet of een straatnaam. Zijn verhalen ontlenen een flink deel van hun zo geroemde universele geldigheid aan het feit dat de auteur moest opboksen tegen een weinig opwindende literaire traditie. Noch de folkloristische gaucho-literatuur noch het uit Europa geïmporteerde psychologisch realisme vond in zijn ogen genade. Op zijn eentje haalde hij dan maar de inlandse canon overhoop, zocht naar bruikbare elementen en kruiste die vervolgens, vanuit het isolement van de periferie, met de hele wereldliteratuur. Weinig Europese schrijvers hebben de nalatenschap van het Westen zo volledig geassimileerd als Borges, die een deels verzonnen verleden construeerde op een tegelijkertijd vreemd en vertrouwd fundament. Tevens bewees Borges als eerste dat een Latijns-Amerikaans auteur werk van wereldformaat kon scheppen.

Zijn leven lang was Borges zich bewust van de culturele tweespalt waarin hij verkeerde. Zijn Europese voorouders ten spijt was hij Argentijns staatsburger. Zelf had hij de westerse cultuur hoog in het vaandel: hij wilde nadrukkelijk blank, stedelijk en geletterd zijn. Maar hij zag ook wel in dat het ideaal van de absolute beschaafbaarheid van Zuid-Amerika even kortzichtig als onuitvoerbaar was. Niet voor niets was Argentinië eeuwenlang een land geweest van ruwe taferelen, fonkelende dolken, paardeleren tenten en feestmalen met geschroeid vlees. Daarbij kwam nog dat de kloof die gaapte tussen zijn eigen bestaan - hij was opgegroeid tussen eindeloos veel boeken, van het inlandse en het heftige gescheiden door een hoog tuinhek - en het 'volle leven' van de ruige gaucho's en hun stedelijke tegenhangers Borges mateloos fascineerde. Niet zonder afgunst keek hij naar het stoere en overmoedige gedrag van die primitieve messetrekkers. In Wereldschandkroniek wemelt het dan ook van portretten van misdadigers, gangsters en piraten die zich laten leiden door "de zuivere smaak van het gevaar".

'Het Zuiden' (uit Fantastische verhalen) is het verhaal dat Borges' ontheemding het treffendst weergeeft. Juan Dahlmann bezit een vervallen boerderij in het zuiden van het land maar gaat er nooit heen. Om te herstellen van een ongeluk besluit hij het landgoed voor het eerst op te zoeken. Plots hunkert hij naar "onmetelijke ochtendstonden en dagreizen die de geur van paarden hebben". Maar aan die droom zit een schaduwkant. De treinreis naar het zuiden symboliseert namelijk de overgang van 'beschaving' naar 'barbarij'. Juans zoektocht naar zijn afkomst brengt hem naar een streek waar onbuigzame erecodes gelden. In het bescheiden eethuis waar hij strandt wordt hij door zo'n archetypische gaucho tot een duel uitgedaagd. Hoewel hij niet met een mes overweg kan, heeft hij geen keuze: "Het was alsof het Zuiden had beslist dat Dahlmann akkoord moest gaan met het duel." Wanneer hij beseft wat hem te wachten staat, ervaart hij zijn nakende dood toch als een bevrijding, als een verzoening met zijn Latijns-Amerikaanse wortels.

Maar ook de 'beschaving' is doortrokken van gekrenkte trots en geweld, die zich in de stad veeleer in verbale steekspelen uiten. In 'De theologen' worden twee elkaar bekampende godgeleerden op hun nummer gezet. De eerste slaagt erin zijn tegenstander als ketter op de brandstapel te doen belanden. Het is hem daarbij echter niet zozeer om de orthodoxe leer te doen als wel om zijn gevoel van eigenwaarde, zijn weigering om de superioriteit van de ander te erkennen. Borges ontmaskert deze hoogmoed zoals hij zoveel wetmatigheden blootlegt, en laat zien hoe uit de drang om uniek te zijn naijver voortvloeit, en uit die naijver wrok, waarvoor frustratie de brandstof levert. In het licht van de eeuwigheid is zo'n rivaliteit hoe dan ook vergeefs: wanneer de inquisiteur zelf sterft, stelt hij tot zijn verbijstering vast dat God hem en zijn tegenstander voor één en dezelfde persoon houdt.

In het geval van Borges is onbevangen in de verhalen duiken de aangewezen remedie tegen mythevorming. Barber van de Pols sprankelende nieuwe vertaling van de vroege verhalen, die samen het eerste deel van het verzameld werk vormen, leent zich daartoe uitstekend. Wie Borges' heldere maar ongewone wereld wil betreden, moet over een drempel heen, maar wordt ruimschoots voor zijn inspanning beloond.

Dat Borges het troetelkind van de literatuurwetenschap zou worden lag voor de hand. Niet alleen bestrijken zijn verhalen, ondanks hun bondigheid, een verbluffend aantal tijdperken en breedtegraden (Argentinië natuurlijk, maar evengoed India, het middeleeuwse moors-christelijke Spanje, het oude Griekenland, het IJsland van de sagen), ze ontvouwen ook een hele reeks intellectuele vraagstukken zoals het probleem van de tijd, het verband tussen toeval en determinatie of de menselijke identiteit.

Toch is Borges in de allereerste plaats schrijver en slechts impliciet denker (een erg eclectisch denker dan nog), hoezeer specialisten als Robert Lemm ook gemeend hebben die rollen te moeten omkeren. De waarheidsaanspraken van de wetenschap of de filosofie zet hij op losse schroeven door de eruditie die hij in zijn verhalen zo kwistig rondstrooit steevast te laten falen. De indruk ontstaat zelfs dat hij de stellingen die hij verkondigt met flarden encyclopedische kennis kruidt om ze des te beter te kunnen weerleggen.

Zijn verteller is meestal een gissende instantie die toegeeft zelf in het duister te tasten en de lezer via een vertragende zigzagstructuur doet uitkijken naar de opheldering van het raadsel. Maar veelal blijft de ultieme onthulling uit. Het verhaal verandert ineens van koers, er treedt een perspectiefwisseling op, de oplossing die aanvankelijk werd voorgespiegeld blijkt onhoudbaar; kortom, het mysterie neemt eerder toe dan af en de anticlimax profaneert het verheven karakter van de aangehaalde gedachtenspinsels.

De met het heelal samenvallende cirkelvormige Bibliotheek van Babel uit het gelijknamige verhaal mag dan alle boeken bevatten, dat ene boek dat de mens in staat zou stellen de wetten van het universum te doorgronden blijft onvindbaar of ontoegankelijk. Het bestaat eenvoudigweg niet omdat elk boek nieuwe vormen van verwarring veroorzaakt. Immers: "Niemand kan een lettergreep uitspreken die niet is vervuld van tedere krachten en van angsten; die niet in een van die talen de machtige naam is van God." Er rest de ontnuchterde lezer niet veel anders dan de gangbare oordelen en concepten op te schorten.

Nederlagen hebben Borges altijd meer geboeid dan triomfen. Zijn scepsis gold niet alleen rationele systemen, maar net zo goed het empirische 'gezond verstand': waar we onze kennis ook vandaan halen, ze is ontoereikend en verschaft ons geen toegang tot de werkelijkheid; de wereld die de mens ervaart is grotendeels het product van zijn geest. Het is dan ook logisch dat Borges' selectiecriterium niet de vermeende objectiviteit van een denkschema was, maar de schoonheid die het uitstraalde. Op deze grond ging hij zover disciplines als metafysica en theologie als takken van de fantastische literatuur te beschouwen.

Dat zo'n omgekeerde rangorde nog zo absurd niet is, bewijst 'Tlön, Uqbar, Orbis Tertius'. Een geheim genootschap van geleerden roept er de onbestaande planeet Tlön in het leven, die daadwerkelijk invloed op de realiteit uitoefent: Tlön tast het onderwijs aan, sleurt alles in zijn opmars mee en ontwricht uiteindelijk de hele wereld. Dit scenario valt ernstig te nemen. Wat is een denksysteem anders dan het ondergeschikt maken van alle aspecten van de wereld aan één willekeurig aspect? Als de mensheid zich ooit heeft laten betoveren door andere symmetrieën met de schijn van orde - het dialectisch materialisme, het antisemitisme - waarom zou ze zich dan niet aan het gezag van Tlön onderwerpen?

Het valt de mensheid echter moeilijk aan te nemen dat de scheidswand tussen werkelijkheid en fictie zo verontrustend dun is. We dulden de chaos niet, zijn op zoek naar een ordenend principe, hebben behoefte aan het opheffen van onze beperkingen. Maar Borges, die dol is op paradoxen, redeneert ook hier tegelijkertijd vanuit pool en tegenpool. Hij laat zien dat, wanneer de mens wèl de beschikking krijgt over onbegrensdheid (een feilloos geheugen, onsterfelijkheid of een allesomvattend visioen), hij daar evenmin raad mee weet.

Zo bestaan er in de stampvolle wereld van 'Funes de allesonthouder' alleen nog details die hem het denken beletten, en komt 'De onsterfelijke' tot de slotsom dat juist de dood mensen kostbaar en aandoenlijk maakt. In 'De Zahir' groeit een toevallig ontvangen muntstuk uit tot een ware obsessie die ontstaat uit een te grote vrijheid ("Geld is toekomstige tijd. Het kan een namiddag aan de rand van de stad betekenen, het kan muziek van Brahms betekenen, het kan landkaarten betekenen", koffie en nog veel meer). In 'De Aleph', wellicht Borges' beroemdste verhaal, aanschouwt het hoofdpersonage in een kelder in Buenos Aires een punt waarin alle plekken op aarde gelijktijdig aanwezig zijn. Het kijken naar die kleine, van kleur verschietende bol zorgt voor een haast ondraaglijke gloed en brengt opnieuw zo'n ongelijksoortige opsomming op gang ("Ik zag de dichtbevolkte zee, ik zag de dageraad en de namiddag, ik zag de menigten van Latijns-Amerika, ik zag een zilverkleurig spinneweb in het midden van een zwarte piramide..."). Wanneer hij het huis verlaat, huivert de hoofdpersoon, want tegen zoveel absoluutheid is hij niet opgewassen.

De literatuur is evenmin bij machte om die sensatie van oneindigheid over te brengen. Taal is beperkt, want aan regels van opeenvolging gebonden. De kern van zulke ingrijpende ervaringen blijft onzegbaar. Borges' verhalen kunnen hooguit enige structuur proberen aan te brengen in op het eerste gezicht onsamenhangende of duizelingwekkende verschijnselen. Maar de auteur weet dat hij voor een bijna onmogelijke opgave staat, moeilijker dan "een koord vlechten van zand". Elke ordening vervalst en voegt dimensies toe, van echte weergave kan geen sprake zijn.

Ook met zijn literatuuropvatting was Borges zijn tijd ver vooruit. Zijn verhalen gaan telkens ook over zichzelf, over hoe ze zijn ontstaan, wat ze teweegbrengen, en hoe ze mettertijd zullen evolueren. Borges huldigde een allesbehalve romantische visie op het schrijverschap. Aangezien alles al in pakweg de Ilias staat, kan er maar weinig oorspronkelijks meer worden toegevoegd. De originaliteit is dan ook gelegen in de manier waarop bestaand materiaal wordt herschikt. Schrijven staat dichter bij ontdekken dan bij uitvinden, vandaar ook Borges' afkeer van psychologiseren en zijn neiging om een mensenleven tot enkele hoofdlijnen terug te brengen.

Borges ziet een grote taak voor de lezer weggelegd, die, onwillekeurig of bewust, zijn eigen subjectiviteit en historische omstandigheden op een tekst projecteert.

Elk werk sluit namelijk zijn tegenwerk in, en voorziet in alle interpretaties van de toekomst. De proef op de som is de onderneming van de symbolist Pierre Menard ('Pierre Menard, schrijver van de Quichot') die er zich toe beperkt enkele hoofdstukken uit Cervantes' Quichot over te nemen en toch volhoudt een nieuw werk tot stand te hebben gebracht. Daar valt weinig tegen in te brengen: het na de Eerste Wereldoorlog handhaven van de stijl en de opvattingen van een zeventiende-eeuws auteur brengt zonder twijfel onvermoede betekenissen aan het licht.

Schrijven, vertalen, bewerken en citeren zijn voor Borges verwante processen. Hij oordeelde dat je beter kon doen alsof dikke boeken al bestonden en er commentaar op geven of ze samenvatten. Vormen van plagiaat die anno 1998 nog opzien baren, leken Borges in de jaren veertig al een gepasseerd station. Lang voor het postmodernisme aan de orde was, omschreef hij de bouwstenen van taal als eindeloze ketens van verwijzingen, die alleen door willekeurig ingrijpen konden worden onderbroken. Over de overal in zijn werk rondsluipende tijgers merkte hij bijvoorbeeld op: "De tijger zeggen is zeggen de tijgers die hem hebben voortgebracht, de herten en schildpadden die hij heeft verslonden, het gras waarmee de herten zich voedden, de aarde die moeder was van het graf, de hemel die de aarde licht gaf."

Niets kon Borges afbrengen van zijn overtuiging dat ieder mens het hoofd moest buigen voor degene die hij in zich droeg. Ondanks die ogenschijnlijke berusting leed hij onder alles wat zijn eigen lotsbestemming hem had ontzegd: een geslaagd liefdesleven of het hebben van kinderen. Zijn verbeeldingswereld vormde de wijkplaats voor die niet vervulde verlangens. Borges' verhalen zijn dan ook autobiografischer dan ze eruitzien. Dat de hooggegrepen onderwerpen die de auteur erin aansnijdt gewone stervelingen met hun dagelijkse portie 'echte leven' blijven boeien en ontroeren, houdt uiteraard verband met de superieure, onopgesmukte stijl waarin ze zijn geschreven en de feilloze structuur die ze in bedwang houdt. Maar de onverwoestbaarheid ervan heeft vast ook te maken met het persoonlijke gemis van een weemoedige man die desalniettemin bedwongen literaire wanhoop boven de cultus van het ik verkoos.

Ilse Logie

Jorge Luis Borges (uit het Spaans vertaald door Barber van de Pol), De Aleph en andere verhalen, De Bezige Bij, Amsterdam, 433 p., 2.500 frank. De uitgave van de overige drie delen van het verzameld werk (Het verslag van Brodie en andere verhalen; De geschiedenis van de eeuwigheid en andere essays en Het geheimschrift en andere gedichten) zal over 1998 en 1999 worden gespreid.

Wie Borges' wereld wil betreden, moet over een drempel heen, maar wordt ruimschoots voor zijn inspanning beloond

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234