Maandag 18/10/2021

Een schat van een kind

Weinig personages uit de wereldliteratuur, laat staan uit kinderboeken, zijn zo beroemd als Alice, maar nog veel minder zijn er zo geliefd bij jong en oud, bij hoog en laag, bij braaf en stout. Faamgenoten als Winnie the Pooh of Harry Potter mogen dan al eveneens sterk tot de verbeelding spreken, het aantal films, balletten, schilderijen en theaterstukken waarin Alice eeuwig voortleeft, doet elke vergelijking met hen teniet. Zij en haar medepersonages uit de beide boeken duiken op in nummers van onder meer Bob Dylan, Serge Gainsbourg en Tom Waits, met als wellicht bekendste voorbeeld ‘I Am the Walrus’ van The Beatles. Over de invloed van Lewis Carroll op het modernistische, innovatieve proza van James Joyce, zijn alle exegeten het eens. En neem een passage als deze: “Ze dacht dat ze nog nooit van haar leven soldaten had gezien die zo wankel ter been waren: ze struikelden steeds over het een of ander en telkens als er eentje onderuitging, vielen er verscheidene anderen over hem heen, zodat de grond weldra bedekt was met hoopjes mannen.” Wie hierbij niet onmiddellijk aan Monty Python denkt, heeft eenvoudigweg nog nooit van Monty Python gehoord.Ongetwijfeld is het juist de canonisering van de Aliceboeken die er debet aan is dat er in de loop der tijden zo’n hoop meer of minder vergezochte, hooggestemde en doorwrochte onzin over is verkocht. Het is toch immers wel bijzonder onwaarschijnlijk, nietwaar, dat zo talloos vele, vaak hoogbegaafde volwassenen in de ban geraakt zijn van wat op het eerste gezicht nochtans volstrekt pretentieloze kinderlectuur moet worden genoemd? Wat zit daar dus achter? Wat, kortom, bedóélde Lewis Carroll precies, over de hoofden van de kinderen heen? Hoeveel diepere lagen heeft hij in zijn twee verhalen aangebracht?

Freudiaan avant la lettre

Interpretaties zijn er te kust en te keur. Sommigen blijven bij hun standpunt dat Carroll een freudiaan avant la lettre was - toen zijn twee boeken verschenen, in 1865 en 1872, was Freud zelf respectievelijk negen en zestien jaar oud. Helemaal aan het begin van het eerste boek duikt Alice een konijnenhol in (en we weten allemaal wat de favoriete bezigheid is van deze dieren) en komt dan via “een heel diepe schacht” in Wonderland terecht. Het wonder der geboorte, zeg maar. Eenmaal ter bestemming krimpt en groeit zij met behulp van toverdrankjes en -koekjes dat het een aard heeft: Alice als fallus. Interessant, al leert het ons bovenal toch dat de psychoanalyticus, al lult hij nog zo slap, het altijd bij het rechte eind heeft...Of gooit u het liever over een filosofisch-theologische boeg? Immers, als Alice zich aan het einde van het tweede boek afvraagt wie al die wonderlijke avonturen nu juist allemaal gedroomd heeft, en de schrijver daar tot slot aan toevoegt: “Wie denk jij dat het was?”, doelt hij daarmee dan niet op God? Is God met andere woorden de slapende Koning omtrent wie Fiedeldop en Fiedeldij in de Spiegelwereld Alice waarschuwen hem zeker niet wakker te maken, want “jij bent alleen maar een soortement van ding in zijn droom”, en als “die Koning daarzo wakker werd (...) zou jij uitgaan - plof! - net als een kaars!” Of zijn, over dromen gesproken, de even vreemde als verrukkelijke ervaringen van Alice niets anders dan hallucinaties ten gevolge van druggebruik, en was Carroll toch in de eerste plaats een verre voorzaat van Carlos Castaneda? Ik mag ter plekke in een walrus veranderen als het er in elk geval niet soms heel sterk de schijn van heeft: “ze (...) loerde over de rand van de paddestoel, en onmiddellijk ontmoetten haar ogen die van een grote blauwe rups die er met over elkaar geslagen armen bovenop zat, rustig rokend uit een lange waterpijp, zonder enige aandacht te schenken aan haar of aan wat dan ook.”Misschien, echter, wilde Carroll gewoon spelenderwijs de grenzen van de logica opzoeken, welk vak hij in ‘het echte leven’ net als wiskunde doceerde aan de Universiteit van Oxford. Bijvoorbeeld: hoe klim je doeltreffend over een hek? Eerst leg je je hoofd erop, daarna ga je op je hoofd staan, en vervolgens is Kees klaar. Transitiviteit in de praktijk. Tenzij de schrijver ons bij monde van Alice, die zo vaak (en vaak onterecht) trots is op de moeilijke woorden die ze gebruikt, ons iets wil vertellen, uiteraard, over de arbitrariteit van de taal: “”Als ik een woord gebruik”, zei Wiggel Waggel op nogal honende toon, “betekent het gewoon wat ik verkies dat het betekent - niet meer en niet minder.” “De vraag is”, zei Alice, “of u dat kunt, woorden zoveel verschillende betekenissen geven.” “De vraag is”, zei Wiggel Waggel, “wie de baas is - punt uit.” Sowieso slaan de woordspelletjes de lezer hardhandig om de oren: je kunt nooit de weg kwijt zijn, want je kunt niet iets kwijt zijn dat je niet bezit, en wie een nat pak heeft gehaald, doet er goed aan te luisteren naar een ‘droog’ verhaal - Wiggel Waggel Wittgenstein.De overvloed aan theorieën alléén al toont aan dat er niet één een afdoende verklaring biedt voor het succes van Alice bij volwassen lezers. Al deze interpretaties van de droomachtige verhalen van Lewis Carroll zijn dan ook, zou je kunnen zeggen, weinig meer dan praatjes voor de vaak, en het dichtst in de buurt van de waarheid komt ongetwijfeld professor Michael Irwin met zijn bewering dat de enige volwassene die de schrijver in beginsel wilde amuseren en afleiding bieden, Carroll zelf was. Aan volwassenen, immers, had hij in het geheel geen boodschap. Hij hield van kinderen.

Verdachtmakingen

Vladimir Nabokov, geestelijke vader van Lolita, placht de schrijver van de Aliceboeken in navolging van zijn eigen pedofiele personage Humbert Humbert “Lewis Carroll Carroll” te noemen. Hij is lang de enige niet geweest die in de loop der tijden dit soort van verdachtmakingen heeft gespuid. Carrolls seksuele geaardheid is altijd al evenzeer onderwerp van discussie geweest als de portee van zijn verhalen. Charles Lutwidge Dodgson, de echte naam van Lewis Carroll, was behoudens een bijzonder tevens een zonderling man. Hij mankte, was doof aan een kant, en hij stotterde - behalve dan wanneer hij zich met kinderen onderhield. Van de weinige vrienden en kennissen die hij bezat - doorgaans collega’s op de universiteit - stelde hij het gezelschap aanzienlijk minder op prijs dan dat van hun kroost. Dodgson was ook amateurfotograaf, en hoe veelzeggend is het dat hij zich in die hoedanigheid bij voorkeur bezighield met het op de gevoelige plaat vastleggen van jonge meisjes, al dan niet in (half)ontklede toestand? Kinderen, op hun beurt, waren dol op hem, maar waarom verloor hij elke vorm van interesse in hen zodra hun pubertijd in zicht kwam? Wellicht werd hij vooral - of zelfs uitsluitend - bekoord door hun onschuld, - en toch, hoe onschuldig is dat? Feit is dat hij bij leven nooit in opspraak kwam, al heeft volgens sommige bronnen de moeder van Alice zich wel degelijk bepaalde vragen gesteld.De moeder van Alice? De ironische paradox van Carrolls boeken is dat zij, hoe volkomen van de pot gerukt en irrealistisch zij ook mogen wezen, niettemin in zekere zin op waargebeurde feiten zijn gebaseerd. Op 4 juli 1862 maken de dan tienjarige Alice Liddell, haar twee zussen Lorina en Edith, Dodgson en een vriend van hem per roeiboot een tochtje over de Thames. Als gewoonlijk vermeit Dodgson zijn kleine gezelschap met zijn ter plekke geïmproviseerde vertelsels, en die dag blijkt hij zelfs in een zo grote vorm te steken dat Alice hem na afloop, tranen in haar ogen, smeekt om een en ander op papier te zetten. Dodgson geeft graag aan dit verzoek gehoor, schrijft het verhaal dat hij verteld heeft neer en lardeert het met avonturen waarmee hij Alice en haar zussen vermaakt heeft. Later komt het aan Alice cadeau gegeven manuscript in handen van romancier Henry Kingsley, die toevallig bij de Liddells op bezoek is. Kingsley geeft het door aan kinderboekenschrijver George MacDonald, die het zijn zoontje lezen laat. “Ik wou”, schijnt de jongen naderhand te hebben uitgeroepen, “dat er 60.000 delen van bestonden!” De vraag kan worden gesteld in hoeverre de populariteit van De avonturen van Alice in Wonderland en Achter de Spiegel en wat Alice daar aantrof te maken heeft met de figuur van Alice zelf, van wie de ‘levensechtheid’ een broodnodig of toch welkom tegengewicht vormt voor alle dolle absurditeiten (“De schapenbout ging staan op de schotel en maakte een kleine buiging”) en uitzinnige dialogen (“Waarom zit u hier zo in uw eentje?” “Ja zeg, omdat er niemand bij me is!”) waar de beide boeken van bulken. Alice is met name zo vertederend en grappig omdat zij, als alle kinderen, zichzelf veel slimmer vindt dan zij is. Treft zij een flesje aan met daarop de uitnodiging DRINK ME, dat doet de ‘verstandige Alice’ dat niet zomaar: “‘Nee, ik ga eerst eens kijken’, zei ze, ‘of er misschien VERGIF op staat’” - waarop zij, als zulks het geval niet blijkt te zijn, zonder verder nadenken de fles aan de mond zet. De onweerstaanbare charme van Alice, nuffig, koket, impulsief en eenzelvig, is de charme van elk jong kind, en dat maakt haar al met al nog belangwekkender en boeiender, óók voor volwassenen, dan alle buitenissige creaturen die zij ontmoet bij elkaar. Of om het in haar eigen woorden te zeggen: “Over mij zou je een boek kunnen schrijven, nou en of.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234