Maandag 21/06/2021

Een prachtsport, een kutsport

Amper vier dagen na het einde van de Tour de France maakt Phonak bekend dat topman Floyd Landis betrapt is op gebruik van testosteron. En dat na de Alpenetappe naar Morzine die Landis won na een memorabele solo-vlucht, over àlle vier de cols. Een rit, waarvan hij dus vooraf wist dat hij langs de dopingcontrole moest. Door Walter Pauli

Scène één, donderdag 21 juli, 'Salle des Sports', perszaal van de Tour de France. Ademloos kijken de verzamelde journalisten naar de stunt die Floyd Landis aan het voltrekken is. Niemand van ons had in de verste verte zoiets verwacht. Zelfs als men aanneemt dat deze groep van journalisten 'kenners' zijn - de meerderheid leeft honderd, neen, honderdvijftig procent van hun tijd voor wielrennen, ze volgen de renners in en buiten elke wedstrijd - dan nog kon men niet verwachten dat deze mensen die aanval hadden kunnen verwachten, voorspellen, inschatten. En, gezien de reacties, de verbazing, de ontstelling, was dit maar al te duidelijk: Floyd Landis verrastte zelfs de incrowd. Ook de ploegleiders, trouwens, van concurrerende topteams als CSC en T-Mobile, die nooit hadden verwacht dat hij die crazy raid tot het einde kon volhouden, zonder één inzinking.

Maar goed, er maakte zich een spanning meester van de perszaal, een vorm van opwinding, van samen beseffen: 'dit is geschiedenis'. En waarom kom je anders naar de Tour de France? Om drie weken lang te schrijven: 'het is maar niks', of 'het blijft onder de verwachtingen', zoals deze krant in meer dan één artikel deed? Wat moet, moet, maar het is niet prettig zo te schrijven. Het is een vorm van stijlbederven: als de wielerjournalisten aan het meest wielergekke deel van hun lezers dag na dag moeten uitleggen dat er ofwel geen lor aan te beleven valt, ofwel dat de boel wellicht belazerd is, is een sport of sterven na dood. of niet?

En dus wàren we met zijn allen enthousiast. En niet eens zozeer om die hierboven beschreven bijgedachten, maar om het atletische exploot dat zich voor onze ogen voltrok.

Op die ene scepticus na. Joeri, wieleerjournalist van Het Laatste Nieuws, keek zijn eigen rubriekleider aan met een gezicht van 'let maar even op'. En dat is vreemd. Er zijn namelijk niet zoveel journalisten die zo gepokd en gemazeld zijn in het wielrenne dan Joeri. In het begin van zijn carrière was hij, toen nog voor Het Nieuwsblad, 'verantwoordelijke jeugdwielrennen'. Dat is het ras van de freaks der freaks: de mannen die jonge talenten volgen, die liefhebbers en 18-jarigen zien groeien en zich ontwikkelen op de Waalse hellingen, nog zonder tv-camera's erbij, maar wel al onder het wakend en keurend oog der 'kenners'.

En uitgerekend die Joeri zei, rustig maar beslist: 'Even afwachten.' Het verwonderde iedereen, omdat uitgerekend Joeri dat zei. Geen beroeps-scepticus, maar een man die in zekere zin tot het wereldje behoort. In 1998, tijdens de zogenaamde 'Festina-tour', waren diezelfde wielerjournalisten de die-hards die bij hun hoofdredacties erom pleitgen vooral niéts te doen aan doping.

Hij had een punt, dat wisten wel allemaal. Maar je kàn niet je reportage beginnen met 'even afwachten maar'. Als een voetballiefhebber niet meer met open mond mag kijken naar Ronaldinho, als een wielerliefhebber bij elke pedaalstoot van Tom Boonen in de Ronde van Vlaanderen moet denken 'kan dat wel?', als bij elke wereldrecordpoging in elke Golden League-meeting elke atletiek-lielfhebber eerst moet denken: 'Even de dopingcontrole afwachten, of die sprint of sprong of hordenpoging of krachttoer wel geldig is', dan hoeven die sporten niet meer. Dus, om even de aanwezigen rond datzelfde tv-scherm in de perszaal te Morzine op te sommen: niet L'Equipe, niet De Morgen, De Volkskrant, Trouw of NRC Handelsblad, niet Le Soir, niet Le Monde, Libération of Le Figaro, niet Politiken, niet The International Herald Tribune, niet El Pais, La Repubblica of Il Corriere della Sera (om ons maar de 'zogenaamde kwaliteitsbladen' te beperken) focusten op mogelijk medicinaal gebruik van Landis. Wel integendeel.

Want waarom zoùden we zo negatief zijn? Het tourreglement is terzake voldoende gedetailleerd. Elke dag moeten, na de rit, naar de controle: de ritwinnaar, de houders van de truien (geel, groen, wit en bollen), en een aantal bij het lot aangeduide renners. Floyd Landis was die dag ritwinnaar, en het hing niet van hem af, maar van die halsbrekende afdaling van de Joux-Plane door Oscar Pereiro Sio, dat hij ook niet de gele trui veroverde. Als het even anders was gelopen, had de dopingcontrole in Morzine Landis niet één maar twee keer moeten controleren, als ritwinnaar én als gele trui, bij wijze van spreken. Dat zou even dom zijn als 150 kilometer per uur rijden op een plaats met bord 'Radarcontrole', en een zichtbare flitspaal erbij.

Scène twee, zaterdag 23 juli, aankomstplaats van de 19de rit, een inviduele tijdrit van 57 kilometer. Zoals verwacht veroverde Floyd Landis na die chronorit de gele trui. De definitieve, nam iedereen aan, die dag nadien ook geshowed zou worden op de Champs Elysées te Parijs. En, zoals de traditie dat wil, ondergaat die gele trui een 'algemene persconferentie'. In plaats van driehonderd interviews te geven, trekt hij een dik half uur/kleih uur - nagelang de man en de vragen - uit voor een grondige ondervraging met de verzamelde pers. Die persconferenties zijn doorgaans méér dan de naam verbergt: Lance Armstrong maakte er pittige causerieën van, niet te missen, waarin hij verbaal afrekende, soms ook met zijn eigen falen, maar vooral met het domme beeld dat in veel Euroepse hoofden zit. Armstrong toonde zich intelligenter dan het beeld dat de gemiddelde West-Europeaanse 'intellectueel' heeft van de gemiddelde Texaanse sportman.

De persconferentie van Floyd Landis was een afknapper. Een onverwachte tegenvaller, zelfs, want Landis had die Tour best wel iets zinnigs te vertellen. Je kon het niet met hem eens zijn, en zeker niet met de besliste toon waarop hij zijn waarheden verkondigde - zoals op L'Alpe-d'Huez, waarop hij zei dat de gele trui hem nog altijd geen barst kon schelen - maar de toon was meestal openhartig.

Zoals die keer op La Toussuire, één dag voor de stunt naar Morzine, een paar uur na een van de meest merkwaardige nederlagen van een gele trui in de Tourgeschiedenis. Landis praatte toen zo eerlijk met de pers, zo openhartig, dat je hem meteen van alle zonden had vrijgepleit. Geen gezeur, geen excuses als honger of ploegmaats of weer of te lange etappes of zelfs zijn eigen heup: niks van. Hij was gewoon te slecht geweest. Zei hij zelf. En hij zei dat op zo'n toon, alsof hij vrede nam met zijn eigen lichamelijke beperkingen.

Ookl al had hij de Tour eigenlijk van a tot z gedomineerd. Hij reed een uitstekende proloog (9de), hij was de grote winnaar van de eerste lange tijdrit te Rennes (2de, na materiaalproblemen), hij was de rote winnaar van de Pyreneeën (geel op Plat de Beret), hij oerheerste ook de eerste Alpenrit, naar L'Alpe d'Huez (opnieuw geel).

Toen hij kreeg hij die zijn. Maar na die éne slechte dag was hij opnieuw de winnaar te Morzine, en nadien ook de feitelijke winnar in de tijdrit te Monceau les Mines. Deze Tour telde acht sleutel-etappes (drie tijdritten, vijf bergritten). Landis domineerde er zéven van. Behalv e dat die ene foute etappe zijn hele Tour vergalde.

Je dacht dus, toen hij aan zijn laatste en belangrijkste persconferentie begon: die man heeft iets te vertellen.

Neen dus. Niéts. Tot driemaal toe werd Landis gevraagd om een uitspraak over doping, al waren die vragen niet eens kritisch bedoeld. Maar je moét een Tourwinnaar toch vragen naar de waarde van zijn overwinning, nadat Ullrich was uitgesloten, en Basso, Mancebo en Vinokoerov. Maar Landis weigerde. Hij was niet meer de vriendelijke jongen van op La Toussuire, de verstandige kanaap van op L'Alpe-'d'Huez. Hij werd kittelorig. Achteraf drentelden journalisten samen. De meesten beslisten de zinnen letterlijk uit te schrijven, ook De Morgen. We vertaalden zijn cruciale passage. Letterlijk zei hij: "I've nothing to say on that subject." Het leek Bill Clinton wel, met zijn aanval op 'that woman'.

Scène drie. Weerom terug naar Morzine, 21 juli. 's Avonds. Twee Belgische journalisten merken tot hun verbazing dat ze de twee enigen zijn op de privé-verdieping van Floyd Landis en zijn Phonak-ploeg. Wat niet gezien mocht worden voor de buitenwereld, kon binnenskamers niet meer verborgen gehouden worden. Overal champagne, in koelemmers. Half-lege flessen Ruinart. In de hoek van de bar, Floyd Landis zelf. Toen wij naar huis gingen, lang na de klok van negen uur, was Landis nog hyper-actief. Meenden wij dat wielrenners niet moesten slapen tijdens de Tour. Waren wij in slaap gewiegd door allerlei verhaaltjes en verzinsels?

En vooral, moesten we nadien daarover schrijven? Maar waar ligt de grens tussen De Morgen en Biild? We konden één keer een Tourwinnaar meemaken na zijn triomf? Moet je daar meteen een smeuïg verhaal van maken? Hadden wij hem zien drinken? (neen, niet één druppel). So what? Goed, Landis zat daar te ont-stressen dat het geen naam meer had, maar wie zijn wie om hem dat te verbieden, of om dat verdacht te maken? Waar begint de genuanceerde journalistiek, maar (zo vragen we ons nu af), waar stopt de compliciteit?

Floyd Landis is tegelijk de redder en de ondergang van de Tour. Het lijkt te gemakkelijk en/of vrijblijvend om zeggen, maar is het niet. Als Landis geklist wordt, prima zo. Het bewijst dat het wielrennen een dopingprobleem heeft (wat geweten is), maar het toont ook aan dat het wielrennen geen erbarmen heeft. De drie laatste grote rondes (Heras in de Vuelta, Basso in de Giro en landis in de Tour) zijn 'gepakt'. Dat is gruwelijk, en tegelijk bevrijdend. Wie weet nog dat in 1997, na het WK te San Sebastian, niemand minder dan UCI-voorzitter Hein Verbruggen himself de 'lastige feiten' in verband met de nieuwe wereldkampioen Laurent Brochard verdonkeremaande? En hoe ver is de Tour van 1988 al geleden, toen iedereen het ok vond dat Pedro Delgado won, ook al was hij betrapt op een maskeringsmiddel (verboden door de lijst van het Olympisch Comité, maar (nog) niet door die van de UCI: een procedurezaak, inderdaad).

Néén, wielrennen is niet zuiver. Dat was het al niet in 1977, toen Bernard Thévenet won, maar zowle Lucien Van Impe (derde) als Eddy Merckx (zesde) toch naar de dopingcontrole stapten, 'voor het geval dat'. Thévenet werd niet betrapt, en niemand maakte er een zaak van. Al gaf hij later toe tjokvol onder de doping te steken.

Maar wat belette dat de pers, het publiek, toen om kritisch te zijn? Toen zwegen ze. Nu niet meer. Zowel de Duitse als zelfs de Franse tv lieten al weten dat wielrennen een probleem wordt, als elk jaar de vedette zichzelf met doping besmeurt. En wie eerlijk was, zag tijdens de laatste Tour met eigen ogen dat er (véél) minder volk langs de weg stond dan vroeger. Op Plat de Beret stond zelfs schaamtelijk weinig volk. Op L'Alpe d'Huez was dat een beetje beter, maar wellicht stonden er honderdduizend(en) kijkers minder dan de jaren voordien.

En dat is terecht. Wielrennen is juist dat verloren wat elke sport behoeft: geloof. Blind geloof. Als Clijsters smasht, màg je niet denken: was zij dat, of haar dokter? Als Tom Boonen gaat in de Ronde van Vlaanderen, mag de kijker niet twijfelen of Boonen echt wel de sterkste is, de snelste, de beste. Als wat hij spontaan voelt, naderhand niet klopt, heeft hij een probleem. Niet na één keer bedrogen te zijn, maar opnieuw, en opnieuw te merken dat hij de foute sport bemint. Het wielrennen knijpt alle dopingzondaars de keel dicht, en merkt tegelijk dat het zichzelf wurgt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234