Vrijdag 07/10/2022

Een poel van zwavel en pek

Vier keer heeft Paul Claes 'Une Saison en enfer' van Rimbaud al vertaald. De laatste versie werd onlangs uitgegeven: het is een tekst die kraakt van panache, intelligentie en inventiviteit.

Arthur Rimbaud

Een seizoen in de hel

Uit het Frans vertaald door Paul Claes Athenaeum-Polak en Van Gennep, Amsterdam, 131 p., 950 frank.

Vrijwel alle zinnetjes die Arthur Rimbaud (1854-1891) beroemd hebben gemaakt, komen in dit helse geschrift voor, van de uitroep "Il faut être absolument moderne" tot "Ik verzon de kleur van de klinkers! - A zwart, E wit, I rood, O blauw, U groen" en een aanhef als "Ô saisons, ô châteaux". Rimbauds prille leeftijd en de nauwelijks verholen verwijzingen naar zijn relatie met die andere grote dichter Paul Verlaine hebben van Une Saison en enfer evengoed een literaire mijlpaal gemaakt als een poel van zwavel en pek, een tekst die meer wordt geciteerd dan grondig gelezen. De auteur schreef de negen prozagedichten van zijn "Heidens boek, of Nikkerboek" tussen april en augustus 1873, anderhalf seizoen lang; hij was nauwelijks achttien. In die tijd woont hij met zijn geliefde in Londen, maar even later treffen we het duo in Brussel aan, waar een dronken en moegetergde Verlaine de knaap met een pistool bedreigt en verwondt. Na verpleging trekt Rimbaud naar de hoeve van zijn moeder in de Ardennen, waar hij op de graanzolder de laatste hand legt aan het manuscript. In de herfst verschijnt het boek in eigen beheer; drukker Poot uit de Brusselse Koolstraat houdt het grootste deel van de oplage echter achter omdat het dichtertje zijn rekening niet betaalt.

Jaren later ontdekt een bibliofiel uit Mons toevallig de voorraad; hij koopt hem voor een prikje op, waarna Une Saison en enfer zijn mythische tocht langs antiquariaten en veilinghuizen aanvat. In 1988 werd een exemplaar van de bundel, vierenvijftig pagina's in duodecimo en oorspronkelijk aan de man gebracht voor 1 Belgische frank (vandaag ongeveer honderdtachtig frank), geveild voor het duizendvoudige van dat bedrag. Drie kladjes uit Rimbauds manuscript belandden enkele jaren geleden in de Parijse Bibliothèque Nationale voor een slordige 2,9 miljoen Franse frank.

De dichter had echt alles mee om zowel een cultfiguur als een instituut te worden: een briljante pen en een kort, krachtig leven van seks, drugs & rock-'n-roll. Misschien moeten we zijn meesterwerk maar gaan lezen als de belijdenis van een baldadige adolescent die met zijn geest geen raad wist en ook lijf en leden maar wat graag te grabbel gooide: "Ieder wezen leek mij recht te hebben op een aantal andere levens." Een contrair ventje ook, een tegenspreker en een onruststoker die de taal binnenstebuiten keerde en zelfs de typografie geen rust gunde, proza met poëzie versneed en met metaforen dolde alsof het tinnen soldaatjes waren. Het is geen wonder dat rocksterren uit de school van Patti Smith met de dichter dwepen. Rimbaud hing met overgave de verdoemde en de "boze engel" uit - dat laatste compliment komt van Verlaine. Misschien heeft diens tegendraadse minnaar wel de weg van de minste weerstand gekozen - de roes van woorden die snijden, verontrusten, verleiden en verwarring stichten in het kamp van de tegenstander: de arme lezer die sporen tracht te volgen maar met lege handen naar huis terugkeert.

Kunnen we ons inderdaad "geen lezing van Une Saison en enfer voorstellen die geen kwelling is", zoals Pierre Brunel, professor aan de Sorbonne en Rimbaud-commentator, beweert? Nergens in dit boekje krijgen we vaste grond onder onze voeten. De aanwezigheid van een ikfiguur suggereert een vorm van (al dan niet autobiografisch verankerde) identiteit, maar het personage neemt voortdurend nieuwe gedaanten aan. Waarover gaat dit boek dan? Ook na drie, vier pogingen weet ik het niet zeker. Is het een biecht, een persiflage, het gelal van een dronken knaap in zijn wilde jaren, het verslag van zijn religieuze ontreddering, een afrekening in het milieu (met zijn geliefde, met de klassieke letteren of met de lezer?), "een soort van autobiografie" (dixit Verlaine), een esthetisch of zelfs politiek maar in elk geval revolutionair manifest?

Claes heeft de Babylonische spraakverwarring in het hoofd van de dichter nauwgezet in kaart gebracht: "In dat tumult schreeuwen allerhande stemmen door elkaar heen: gelovige, quiëtist, geestelijke, atheïst, satanist, heiden, primitief, humanist, filosoof, verlichte geest." De 'ik' van Une Saison en enfer is altijd een ander. Rimbaud heeft zonet de waan van het schrijven ontdekt en gooit al het materiaal dat hem in de schoot valt op een hoopje. Hij tovert met woorden en geselt zijn deskundig ontregelde zintuigen tot hij uitbarst in "de gruwelijke lach van een gek". Alles kan in zijn tegendeel omslaan: theorieën, waarden of woorden. Christelijke motieven worden, zoals in de rituelen van duivelaanbidders, op hun kop gezet. De klassieke kunsten moeten ondermijnd worden tot er nog slechts hortende, hikkende, sissende klanken en een hitsig 'nee' overblijven. "Op een avond heb ik de Schoonheid op schoot genomen. - En ik vond haar bitter. - En ik beschimpte haar."

Zelfs de taal klinkt als een parodie van de bijbel of van een heidens orakel. De wereldse zekerheden moeten eraan geloven: volk, rede, natie, vooruitgang, geest, werken, beminnen, leven. God is dood, moraal blijkt een vorm van hersenverweking te zijn. En zo hoort het ook, voor een cynisch filosoof (of: een wild kind) van achttien. "Dit heb ik altijd al gehad: wantrouwen in geschiedenis, gebrek aan principes. Ik moet erover zwijgen: het zou dichters en zieners maar afgunstig maken. Ik ben wel duizend keer rijker dan zij, we moeten zo gierig zijn als de zee." Zoals Ensor hangt Rimbaud af en toe de miskende mysticus uit die ook de kleinste kinderen tot zich laat komen en iedereen wil troosten maar ons met de "duizendmaal vervloekte kus" van het zondebesef heeft vergiftigd. "Er zou een aparte hel moeten zijn voor mijn gramschap, een hel voor mijn hoogmoed - en een hel van de graagheid; een concert van hellen."

De "hel van de graagheid" uit de vorige alinea is Claes' briljante vertaling van "l'enfer de la caresse", zelf al een knipoog naar "paresse", de traagheid als een van de zeven hoofdzonden of een eufemisme voor homoseksualiteit? In zijn dagboekaantekeningen voor het laatste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift noteert Claes op 17 november dat hij zijn vierde versie van Une Saison en enfer heeft voltooid: "Nu pas, nu ik ieder woord tien keer heb rondgedraaid, begint de vertaling een beetje te lijken op wat ik bijna veertig jaar geleden wou, maar niet kon."

Er is inderdaad veel taal in dit boek (of beter: in deze twee boeken). Een voorbeeld uit 'Alchimie van het woord': "ô bonheur, ô raison" wordt bij Claes "o geluk, o gelijk"; door 'raison' niet als 'rede' te vertalen, sleept hij een fraai klank- en lichtspel met 'geluk' en 'gelijk' in de wacht, als introductie voor de "étincelle d'or de la lumière nature" die "een goudsprankel van louter licht" wordt. In een ander gedicht wordt "feignons, fainéantons" gespiegeld in "huichelen, luieren". De "met klare parels betraande kist" uit 'Kwaad bloed' blijkt een equivalent voor "cercueil (...) couvert de limpides larmes".

Maar deze bundel is niet louter een spel met woorden. Zonder Une Saison en enfer al te dwingend te duiden als een autobiografisch zoekplaatje, geeft Claes nauwkeurig aan waar het leven van de dichter tussen de regels door schemert. Al op de eerste bladzijde scheurt Rimbaud voor de lezer "een paar afschuwelijke blaadjes uit het dagboek dat ik schreef als verdoemde". De tekst zet inderdaad in met een fragment waarin het woord 'mijn' de toon aangeeft: afgoderij, drang tot heiligschennis, "de weelde van de wellust", leugen en traagheid zijn zonden die de ikfiguur maar wat graag opbiecht en die ook de 'historische' Arthur Rimbaud uit Charleville graag bedreef. Claes heeft het voor ons opgezocht: de dorst uit 'Hellenacht' verwijst niet alleen naar de lijdende Christus maar ook naar Rimbauds ziekelijke verlangen naar drank in het gezegende jaar 1872.

In "de aparte hel voor mijn gramschap" klinkt Verlaines vers over "cet enfant de colère" door. Is de uitzinnig verliefde, onderworpen "Dwaze Maagd" geen schets van Rimbauds minnaar, zijn de "jonge vriend" en de "helse Bruidegom" geen zelfportretten? Ja. Allicht. Ook. Bijvoorbeeld. Zelfs Paul Claes, die zo goed de deur naar andere betekenissen op een kier kan laten staan, leest "une pénétrante caresse" als een homofiele liefkozing en begrijpt de binnenrijmen in "je pleure, j'ai peur. Un peu de fraîcheur, Seigneur" als een allusie op Verlaines regel "Il pleure dans mon coeur" uit de tijd dat de twee mannen in Parijs samenleefden. Ook het zwijn dat de ikfiguur ooit heeft liefgehad zou Verlaine kunnen zijn, die zichzelf in een brief aan zijn geliefde "ta vieille truie" ("je ouwe zeug") noemde. Soms kunnen we er echt niet naast kijken. Het dichtertje dat zich opgebrand waande en kermisklant, bedelaar, kunstenaar of bandiet wilde worden, laat zijn literaire 'ik' zijn "twintig jaar afmaken, zoals iedereen". In oktober 1873 ging Rimbaud inderdaad zijn twintigste jaar in.

En zo gaat het voort in deze veeltalige en raadselachtige tekst die je nooit onschuldig, onbevangen of ongestraft leest, maar brandend van geduld. Het was ook een goudmijn voor de surrealisten, die Rimbaud twintig jaar na zijn dood uitriepen tot hun patroonheilige. Dat kon ook moeilijk anders, na deze beginselverklaring uit het 'Nikkerboek': "Ik hield van idiote schilderijen, deurstukken, decors, toneeldoeken van kermisklanten, uithangborden, volksprenten; literatuur van vroeger, kerklatijn, erotische boeken vol spel- en andere fouten, romans uit grootmoeders tijd, sprookjes, kinderboekjes, ouderwetse opera's, simpele deuntjes, naïeve verzen." Het lijkt wel de hele wapenrusting van de modernen uit de klas van Aragon en Man Ray, maar dat is een ander verhaal. Lees eerst Une Saison en enfer, begraaf je enkele dagen tussen Claes' aantekeningen - vijf bladzijden commentaren voor twee tekstpagina's, of iets van die orde - en ervaar hoe opwindend 'hard lezen' ook kan zijn.

Eric Min

Claes heeft de Babylonische spraakverwarring in het hoofd van de dichter nauwgezet in kaart gebracht

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234