Maandag 06/12/2021

Een perfect plan

De klok van de kathedraal slaat drie uur in de namiddag als het busje Grahamstown binnenrijdt. Het stadje ligt breed en lui tussen droge, platte heuvels. Dit lijkt wel de Far West van Zuid-Afrika. Het is zaterdag en het wintert. Maar aan de bomen groeien mandarijnen. 'Naartjies', zeggen de Afrikanen.

De deftige huizen met hun deftige voortuinen ruiken nog naar Queen Victoria. Hier en daar hebben zieltjesvangers er een kerkje tussen gegooid - er is deNew Christian Church, de Methodist Church, de Baptist Church, de Church of Birth... elke afwijkende overtuiging heeft er zijn kerk. En ook wat betreft opvoeding hebben ze er hun best gedaan. Er zijn meer scholen dan winkels voor de amper zestigduizend zielen, de bevolking van de townships niet meegerekend, zo'n oncontroleerbare 180.000 - sommigen spreken zelfs van 500.000 - hongerige magen.

Grahamstown is proper, vooral de villawijken. Nergens zwerfvuil, nergens ronddolend papier, er groeit geen distel in het kortgetrimde gras. Alles wordt er netjes onderhouden. Door de zwarten. Voor de blanken. De ene zijn nood is de andere zijn brood. Zo is er evenwicht en orde. En voor de veiligheid zijn er bewakingscamera's, pergola's van prikkeldraad en goed opgeleide honden.

Het jaarlijkse theaterfestival brengt voor iedereen wat extra's, zelfs voor de vele bedelaars. Maar als de bezoekers vertrekken, valt het stadje terug in een diepe slaap. In Grahamstown is geen toekomst.

IJl van te weinig slaap glijden die eerste indrukken van mijn netvlies. Ongrijpbaar als onscherpe foto's. Ach, wat doet het er toe, ik weet wat ik in Grahamstown kom doen. Ik heb een perfect plan in mijn hoofd en een computer in mijn koffer. Maar ook een camera, inkt, een gom, penselen, nieuwe kleurpotloden, een scanner voor je-weet-maar-nooit en tien nieuwe, dure, Moleskine-tekenboekjes. Het zal niet zomaar wat schrijverij worden. Mijn citybook zal een unicum worden in de reeks. Beeld en tekst samen in één verhaal. Wat ik niet met woorden gezegd krijg, zal ik wel tekenen en omgekeerd. Misschien kom ik het hier volgend jaar wel voorlezen op het theaterfestival, in de vorm van een performance bijvoorbeeld. Woord en beeld muzikaal ondersteund door krekels en vuvuzela's.

Ik heb zelfs al een titel. De moeders van Grahamstown. Een universeel thema, vooral in Afrika. Over de ondertitels - meer dan één natuurlijk - twijfel ik nog. Op het vliegtuig heb ik tien vragen bedacht omtrent moeders. Ik zal ook foto's maken, en de geïnterviewden zullen hun moeder moeten tekenen. Met de nieuwe kleurpotloden die ik - speciaal hiervoor - heb gekocht. Wow, wat zijn ze prachtig. Alleen al omwille van de potloden zal niemand neen durven zeggen.

lll

Mijn plan loopt inderdaad vanzelf. De mensen komen als vliegen op mijn camera af want met een camera in de hand reist men door het hele land. Sommigen poseren, anderen doen een act en allemaal willen ze hun portret zien. Een man die net een broodje aan het eten is, vraagt of hij samen met zijn broodje op de foto mag. Als Napoleon die net een slag heeft gewonnen, recht hij zijn rug en kijkt trots in de lens. Het is mijn moment om toe te slaan.

'Tell me something about your mother', vraag ik in mijn beste Engels.

'She died.' De man kijkt aandachtig naar zijn broodje alsof hij niet meer zo zeker is van wat hij in zijn mond aan het duwen is.

Al had ik me op dit soort antwoord voorbereid, toch heb ik niet meteen nagedacht over how to handle this. Bovendien heb ik geen zin in tranen.

'Oh', zeg ik en 'euh', en ik ga meteen over naar een volgende vraag.

'Hoe zag je moeder eruit?'

'O, she looked so beautiful, soooo beautiful.' Zijn gezicht klaart op. Zijn ogen twinkelen en hij glimlacht te veel tanden bloot.

Ik ben gered.

Hij neemt een nieuwe hap en vertelt smakelijk over zijn overleden moeder.

'Her name was Emily, and she was very shy.' Moeder en zoon hebben elkaar gedurende twintig jaar niet meer gezien en 'when we met again, we both cried all the time. I cried. And she cried. Parents should stay with their children. Do you have children?'

Ik knik. Traag doe ik de rits van mijn pennenzak open. Daar gaan ook de ogen van de man van blinken.

'Can you draw your mother?'

Hij kiest een potlood en tekent heel geconcentreerd een kaal vrouwtje.

Dit was een goed plan.

Overal waar ik kom, trekt mijn semiprofessionele camera nieuwsgierigen aan zoals een honingpot de vliegen. Mensen beginnen me spontaan hun story te vertellen. Mooie verhalen over perfecte moeders, want over de doden niets dan goeds. Maar ook die ene story, over die moeder die 1.000 km verderop leeft, is goed voor een zakdoek vol tranen. Op het einde van de eerste dag heb ik zo veel materaal verzameld dat ik me 's avonds tevreden feliciteer om mijn doortastendheid.

lll

's Nachts begint het te regenen. Een gelukkige zaak volgens kenners, want regen spoelt de lucht schoon. De avonden zullen minder bijtend en zuur worden. Maar de volgende ochtend ziet het nog steeds grijs. Ik wil me houden aan mijn strak schema, dus pak ik mijn fototoestel, mijn tekenboek en mezelf waterwerend in en trek de straat op. Mijn hoofd onherkenbaar verscholen onder de kap van mijn dikke winterjas.

'Hey mam', roept een stem.

Heb ik dit goed gehoord? Mam?

Ik draai me om en zoek kleine jongetjes. Gisteren hadden die mij ook al zo aangesproken. Kereltjes met wit geschminkte smoeltjes die overal in de stad hun eigen side show opvoeren, als een spin-off van het officiële theaterfestival. Maar ik zie geen bedelende jongetjes. Zo bots ik tegen haar op. Tegen het meisje van gisteren, het meisje met het geheim, het eerste meisje dat me over haar moeder had verteld. Ze stapt naar me toe en omhelst me. Heeft zij 'mam' geroepen? In de zin van 'madam'? Of bedoelt ze 'mam' in de zin van mom? Mammie dus. Hoe dan ook gaat mijn hart er even een tel sneller van slaan. Een moederhart is rap gepaaid, en dat beseffen ze hier maar al te goed.

'Hello sissie', zeg ik, 'how are you today?'

'No good business', ze haalt haar schouders op, 'rainy day.'

Ze sloft naast me verder. Aan elke vinger draagt ze een zakje mandarijnen. Haar way of surviving. We praten over het weer. Ze laat me net als de vorige dag haar kapotte schoenen zien.

'Ik heb nieuwe schoenen nodig', zegt ze.

Gisteren heb ik haar 70 rand gegeven omdat ze zo lang met mij had willen praten en ze ondertussen geen 'business' had. Ze zegt dat ze het geld opzij heeft gelegd voor de school fee.

'School fee?', vraag ik.

Ze knikt.

Dat dus. Wat dus?

'Ja, ja', zeg ik ten slotte.

Dat dus.

'I need money for shoes. Very uncomfortable.' Ze tilt de losgekomen lap van haar schoen op. Haar roze voetzool krult zich als een slak in haar huisje. Beschaamd.

'Bon', zeg ik, 'shoes, alors and let's go.' Ik praat alsof de hele Afrikaanse wereld Frans begrijpt.

'Toon me waar we schoenen kunnen vinden.'

'Yes', zegt ze.

'I want high shoes', zegt ze ook nog en ze wijst naar mijn laarzen.

Even overweeg ik of ik mijn laarzen misschien ter plekke zal uittrekken om ze haar met een buiging en een groot hart te schenken. Mijn drang om goed te doen sijpelt uit elk van mijn poriën. Maar een West-Vlaamse nuchterheid - anderen noemen dit gierigheid - kan mijn missionarisdrang nog net op tijd de kop indrukken.

'Goed', zeg ik, 'high shoes dus, want you need them for your job.'

We lopen een allroundshop binnen, gespecialiseerde schoenwinkels zijn in Grahamstown moeilijk te vinden. Maar zelfs in de kledingzaken is het aanbod schoenen miniem en bovendien ruikt alles er naar plastic en nylon en made in China. Achter in de winkel is een rek vol laarzen. Kinky laarzen. Plots begrijp ik waarom elegante zwarte vrouwen zo vaak op ongemakkelijk hoge schoenen rondzwieren. Wie zich hoge hakken kan veroorloven heeft geld. Of een job waar je hoge hakken voor nodig hebt. Maar niet mijn appelsienenmeisje.

'No high heels', zegt ze beslist.

Helaas, er is weinig keuze. Het zijn ofwel sandalen en sportschoenen ofwel high heel boots en pumps. En allemaal made in China. Kwaliteit: zero.

'Misschien vinden we iets over there.'

Ik wijs naar de kinderafdeling en probeer haar uit te leggen dat we voor platte laarzen beter bij de kinderen kunnen kijken.

'No, no kid shoes.' Ze schudt beledigd haar hoofd. Ze weet wat ze wil.

We lopen winkel in en winkel uit. We lopen langs de markt. Het gaat van kwaad naar erger zowel wat modellen als wat kwaliteit betreft. Dit noemen ze hier dus schoenen, denk ik, als ik de berg voorgevormde plastic zie liggen. Terwijl ze hier zo veel beesten hebben om te strippen. The poor people zouden een lederen zooltje trouwens best kunnen gebruiken want de afstanden die zij per dag afleggen - van hun townships naar de stad en weer terug - daar raakt zelfs een stappenteller van uitgeput.

'No good shoes', zeg ik, ik wil kwaliteit. Omdat ze in mijn gezelschap is, mag het meisje winkels binnen waarboven in klare taal staat geschreven: 'Right of admission reserved.' Maar zelfs in die 'dure' winkels, komen de schoenen nog altijd uit China. Ik reken snel om en bedenk dat mijn liefdadigheid wel iets kan hebben maar dat 65 euro dan toch wel wat veel is voor een eerste feelgoodactie. Dit is pas mijn tweede dag, ik heb er nog veertien te gaan. Ik zeg dat ik deze laarzen te duur vind, ze knikt beschaamd en we lopen verder. Plots neemt ze mijn arm. Ik druk hem tegen me aan, mijn hart zwelt van voldoening. We lijken wel moeder en dochter, gezellig aan het shoppen. Terwijl ik shoppen haat. Ik aai haar over haar wang en zie haar misvormde oor. Daar heeft ze me de eerste dag over verteld. Het is haar geheim. Arm kind.

'Wat vind je van deze?', vraag ik. 'Of deze?' Ik toon haar schoenen die binnen een redelijke prijscategorie vallen. Ze haalt er de goedkoopste uit, het scheelt hooguit 60 rand, dus zeg ik dat ze toch maar die moet kiezen die ze het mooist vindt.

'You have to wear them, not I.' Ik hoor mezelf praten als tegen mijn eigen dochters.

'Deze', zegt ze.

Ik gedraag me als een kenner en bekijk aandachtig wat ze heeft gekozen. De zool, de binnenkant, de hak. Ze lijken op mijn laarzen maar dan in een goedkope simililederen uitvoering. Kwaliteit zal haar een zorg zijn. Zolang ze blinken en nieuw zijn, zal het wel kwaliteit zijn zeker. Ik zeg haar dat ze ze moet aanpassen. Ze trekt de vodden van haar voeten. Draagt ze nu panty's?

'Je hebt sokken nodig', zeg ik, 'katoenen sokken, niks nylon. Katoen is beter tegen zweetvoeten.' Maar dan merk ik dat die panty haar eigen blote vel is. De laarzen passen haar perfect, vindt ze. Daar ben ik niet zo zeker van, dus duw ik op de toppen. Er zit meteen een deuk in de neus die er de rest van de dag zal blijven inzitten. Maar ze wil deze en om een onbegrijpelijke reden ook alleen in maat zes. Twee maten te groot. Ik koop katoenen sokken die de leegte in haar schoenen een beetje moeten vullen. We lopen naar de kassa.

De kassierster is argwanend, en wil weten wat onze banden zijn.

'Geen', zeg ik.

'Werkt het meisje misschien voor u?' Is dit een beschuldiging, een waarschuwing of een terechtwijzing?

'Neen', antwoord ik.

'O', zegt ze, ze kijkt een beetje betrapt, 'she should be lucky.'

Helaas, zo lucky is ze niet want net die dag heb ik te weinig cash geld mee en de betaalkaarten doen het niet. Ik zou de laarzen kunnen terugzetten en later terugkomen maar het meisje heeft ze al aangetrokken. Haar oude sneakers hangen stilletjes in een plastic zakje aan haar hand. Terwijl ze in de winkel op me wacht, been ik tussen de dikke druppels door terug naar mijn kamer om geld.

Onderweg zie ik de andere verkoopstertjes van haar clan. Ze lachen me toe, in de hoop dat zij de volgende dag de lucky ones zullen zijn. Zouden ze jaloers zijn als ze straks haar nieuwe laarzen zien? Ik stel me een dramatische scène voor - met veel geroep en geschop - waarbij de meisjes de laarzen willen stelen. Terwijl de ene haar benen vasthoudt, trekt de andere de nieuwe laarzen van haar voeten. Straks zal ik het meisje vragen goed voor haar nieuwe schoenen te zorgen en ze zelfs elke dag te poetsen. Daar zijn zwarten toch goed in. Misschien moet ze nu ook maar eens een betere job zoeken, iets met meer zekerheid op een inkomen en een beter leven.

Als ik uitgeregend terug in de winkel kom, zit ze nog steeds op het bankje, met haar nieuwe laarzen aan. Ze glimlacht en komt me tegemoet gelopen. Ze stapt een beetje zoals een pinguïn; niet verwonderlijk met schoenen die twee maten te groot zijn. De deuk in de neus van haar linkerlaars grijnst me aan. Maar dat deert haar niet.

'Did you put the socks on?', vraag ik. Ze laat me het ongeopende duopack zien dat ik heb gekocht.

'Je moet ze wel aandoen', zeg ik streng, 'dat is warmer.'

Ze knikt en geeft het andere paar aan mij.

'Nee', zeg ik, 'allebei voor jou.' Bijna wil ik haar uitleggen dat ze om de andere dag van sokken moet veranderen, want these boots are so synthetic. You're feet will stink after one day. Maar ik slik mijn woorden in. De lijn tussen goed doen en paternalistische oprispingen, is heel dun. Ik betaal en we lopen naar buiten.

'These boots are made for walking', lach ik. Ik stoot haar nog net niet aan. Ze knikt en kijkt onverschillig voor zich uit. Als ze in Grahamstown zelfs niet weten wie Alice in Wonderland is, hoe zouden ze dan mijn muzikale oneliners kunnen smaken?

'Wat ga je nu doen?', vraagt ze.

'Ik moet werken', antwoord ik, 'geld verdienen, you know.' Hopla, de katholieke afrekening wordt meteen gepresenteerd.

'Ik heb honger', zegt ze, 'ik heb de hele dag nog niets gegeten.'

'Luister', zeg ik, 'jij moest maar eens uitkijken naar een betere job. Nu je zo'n mooie laarzen hebt, kan je overal ander werk vinden. Zoek iets wat meer zekerheid geeft, poetsen bijvoorbeeld of auto's bewaken, de deuren opendoen op het theaterfestival.' Ze belooft me dat ze haar best zal doen.

'Wat is jouw naam?', vraagt ze.

Ik verzin iets.

'En die van jou?'

'Die heb ik je gisteren al gezegd, hij staat in je boek.'

Ik lach beschaamd.

'Heb jij geen werk voor mij?'

Ik vertel haar dat ik in Europa leef, in België, en dat ik twee dochters heb die very expensive zijn.

'Ik wil ook een keer naar België', zegt ze.

'Very cold there.'

'Je hebt een mooie jas aan.'

Goedkoper dan jouw laarzen, denk ik, want ik heb hem in de solden gekocht.

'Ik heb ook een dikke jas nodig.'

Plots voel ik me heel ongemakkelijk. Is ze nu slim of sluw?

'Kom', zeg ik, 'ik moet gaan.' We spreken af dat ze me later die dag zal meenemen naar de townships. Om vijf uur. We zullen erheen rijden met de taxi van de poetsvrouwen. Zeven rand per persoon en ik zal betalen.

|||

Het is middag en ik rep me terug naar mijn hotel. Om een kleinigheidje te eten. Door de openstaande ramen van de cafés gonst de voetbalhysterie. Dit jaar is Afrika gastland voor de wereldcup en zelfs in deze stille uithoek zoemen de vuvuzela's als bijen op een vlinderstruik. Als er een goal wordt gemaakt, juicht iedereen. De mensen in de cafés die de match op het televisiescherm volgen, maar ook die op straat. Zelfs de bedelaars roepen uitgelaten mee. In de eetzaal van mijn hotel hebben supporters zich rond een klein schermpje verzameld. Het lijkt wel of een regisseur hun handelingen heeft geregisseerd. Ik bekijk de goed getimede groepschoreografie. Door het raam zie ik het meisje. Ze loopt heen en weer tussen de geparkeerde auto's. De zakjes appelsienen slingeren als zware emmers water aan haar vingers. Ze wijkt niet van de voordeur van mijn hotel. Ik krijg een benauwd gevoel.

Om vijf uur staat ze me op te wachten aan de overkant van de straat. Ze heeft me sneller gezien dan ik haar. Ik wuif en stap op haar toe. Ze is nat en haar neus drupt. 'You had a nice day?' vraag ik.

'I have a problem', zegt ze, 'come with me.'

We lopen naar de tuin van Rhodes University. Het gras is zompig, dus zoekt ze een boomstronk om te zitten. Ik merk dat ze de rok die ze die ochtend nog aanhad, heeft gewisseld voor een jeansbroek. Had ze die soms al aan onder haar rok? Of is ze snel naar huis gegaan om iets anders aan te trekken? Heeft ze misschien nog een sponsor? We zitten naast elkaar op een vermolmd stuk stam, allebei in een zwarte jas, allebei in jeansbroek en allebei met onze zwarte laarzen aan. Om onze nek hetzelfde sjaaltje, dat ik heb gekregen op het theaterfestival. Dat van haar is wat verminkt want ik heb er het logo proberen af te knippen maar het is een beetje fout gelopen met die schaar. Het deert haar niet, ze draagt haar sjaal met stijl, de flosjen netjes vooraan, het gemutileerde stuk aan de achterkant.

'Kom', zeg ik, 'tell me the problem.'

'I cannot go back now, I need money for the rent. They will kick me out if I don't pay today.'

'How much?'

'150 rand.'

15 euro dus. Ik voel het geld gloeien in mijn tas.

'Waarom willen ze het vandaag', vraag ik, 'kunnen ze niet wachten?'

'Ze willen het nu, anders mag ik niet meer binnen.' Haar blik is ondoorgrondelijk. Ze veegt haar neus af aan haar mouw. Heeft ze dit geoefend of is ze oprecht?

'Ik weet niet waar ik nu moet slapen', zegt ze.

Overal, denk ik, maar niet in mijn kamer. Ik word ongeduldig.

'Ik heb geld nodig', zegt ze nog eens.

Ik vraag haar waar de 70 rand van gisteren zijn.

'I told you this morning, that's for school fee.' Ze wordt kwaad.

Aha, gaan we het zo spelen, denk ik. Mij goed. Ik word ook kwaad.

'Maar de school is dicht, roep ik. It's holiday.' Ik voel me bekocht want ik wil vandaag voor mijn verhaal naar de townships. Dat heeft ze me trouwens beloofd. Maar die belofte is ze blijkbaar vergeten.

'You have money for the rent?'

Ik probeer haar uit te leggen dat ze die 70 rand van gisteren kan gebruiken voor de huur. Dan kan ze vandaag de helft betalen.

'Heb je niets in je zak?', vraagt ze dwingend. Ze loert naar mijn jaszak, daar heb ik voor ik vertrok wat geld ingestoken voor de taxi. Heeft ze de briefjes misschien zien blinken? Straatmensen zien meer dan wij.

'Nee', zeg ik, en trouwens, als ik dit eerder had geweten, had ik die laarzen niet gekocht, maar money for the rent gegeven. Begrijpt ze wel wat ik bedoel? Ze knikt.

'Mijn geld voor vandaag is op', zeg ik. 'Morgen kan ik er weer uit de muur halen.' Geld uit de muur? Ze bekijkt me alsof ik toverkrachten heb.

'Listen', zeg ik streng, 'no money today.'

Dat begrijpt ze beter.

'Waar moet ik dan slapen? I have to pay now.' Ze perst een traan uit haar ogen.

'Probeer bij een vriendin, ...'

'Neen', zegt ze, 'no money, no bed, ik zal buiten moeten slapen, het zal koud zijn, en gevaarlijk, misschien word ik wel verkracht.'

'Give me some food', zegt ze, 'I am so hungry.'

Plots voel ik me ook hongerig. Het is half zes. Mijn hapje van 's middags is al lang vergeten en verteerd. Alsof ze mijn gedachten raadt, zegt ze dat zij vandaag nog niets heeft gegeten, een hele dag lang niets. En gisteren ook niets. En straks ook niets. Ik geef haar 10 rand voor de taxi, dan kan ze tenminste naar huis gaan of naar ergens waar haar bed staat. Of haar matje ligt.

'That's not enough to buy milk and bread. Please. I am so hungry.'

Het wordt me teveel en ik zeg haar dat ik geen zin meer heb om vandaag nog naar de townships te gaan. Het is bijna donker en het weer is zuur geworden. Ik sta op en loop door. Ik kijk niet om of ze me volgt. Even later duikt ze op tussen de geparkeerde auto's met nog steeds een zakje appelsienen aan elke vinger.

'I am so hungry', mompelt ze. 'I didn't sell anything. Buy me an orange.'

Ik steek haar nog eens 10 rand toe. De appelsienen mag ze houden. Op mijn kamer liggen al drie zakken.

Die nacht geraak ik moeilijk in slaap. Als het nu toch waar is wat ze me vertelt?

lll

Wanneer ik de volgende ochtend de straat op ga, komt ze plots naast me gelopen. Ze zegt dat ze met mij naar de townships zal gaan, morgen, om negen uur. Ze heeft een free house gevonden, maar ze heeft nog lakens nodig. En bovendien moet ze ook nog de rest van de huur bijeen zien te krijgen.

'Als je een free house hebt, dan hoef je toch geen huur meer te betalen', zeg ik scherp. Er ontstaat een ongemakkelijk gesprek.

'Help me, I need money for blankets.'

'Luister', zeg ik, 'als ik je vandaag 80 rand geef, vraag je me morgen weer iets anders en de dag daarna weer.'

'Ik zal bloemen voor je kopen', zegt ze.

'Ik wil geen bloemen, hou dat geld maar.'

We sluiten een deal. Ik geef haar 80 rand, die ze bij die andere 70 kan leggen, in totaal 150 rand voor de huur. Eind volgende week zal ik haar dan opnieuw geld geven voor de school fee. Ze lijkt het niet meteen te begrijpen, maar ze knikt. Ik geef haar het geld en ook een half stokbrood, een rol koekjes en een stuk kaas. Ze belooft om me morgen om 9 uur mee te nemen naar de townships. Ze zal me voorstellen aan vrienden, ik zal met hen kunnen praten en we zullen daarna samen naar de stad terugkomen. Ze belooft me dat ze me niets meer zal vragen.

'Oké', zeg ik, en ik loop door.

lll

De volgende ochtend is ze er niet. Niet om 9 uur als ik mijn hoofd buitensteek, niet om 9u30 als ik naar de krantenwinkel loop, niet om 10 uur als ik terugkom van de winkel, en ook niet om 10u30. Ik beslis om dan maar naar het museum te gaan. Plots zie ik haar staan. Aan de trappen van het museum. Zij heeft mij voor een keertje niet eerst gezien. Ik draai me om en ga een andere richting uit.

'Mam mam', hoor ik roepen. Een klein jongetje met een witgeverfd gezicht staat voor me.

'Ik heb niets', zeg ik nors.

'That lady wants to talk to you.'

'Nu niet', zeg ik, 'ik heb werk te doen.'

Ze is me dus toch te snel af. Ik stap de supermarkt binnen. Als ik buitenkom, speur ik de straat af of ik haar zie. Tussen de geparkeerde auto's voor mijn hotel herken ik de rode muts die ze elke dag draagt. Ze hangt dus weer rond in mijn buurt. Ik sla een zijstraat in en loop een blokje om. Ze weet niet dat mijn hotel ook een nachtingang heeft. In een andere straat. Zo ontwijk ik haar de rest van de dag. Ik stel me voor hoe ze urenlang vol verwachting op mij zal staan wachten. Zou het haar deren dat ik ontstemd ben? Maar ik heb geen zin om haar vandaag te zien. Morgen misschien.

's Nachts word ik schreeuwend wakker. Er staat een schaduw in de hoek van mijn kamer. Als ik rechtop ga zitten, is de schaduw verdwenen. Die nacht neem ik een besluit. Morgen zal ik alleen naar de townships gaan. Overdag, da's veiliger. Bovendien is er een stoet met reuzenmarionetten. Iemand heeft me gezegd dat het slechts een half uurtje stappen is. Ik heb geen gids meer nodig.

lll

Het is pas negen uur als ik de volgende dag de stad uit loop. Voorbij de ijzeren voetgangersbrug begint de zwarte kant van Grahamstown. Het is bloedheet, maar ik heb mijn dikke jas aan om overvallers niet aan te moedigen. Onderweg komt een ezel naast me lopen. Dezelfde die ik eerder die week, om middernacht, onder de gaanderij op het marktplein zag stappen. De brede straten zijn verlaten, maar achter de gordijnen voel ik ogen priemen. Geleidelijk aan worden de straten smaller en de huizen kleiner, tot er slechts paadjes overblijven waarlangs krotten in golfplaat groeien. Van overal komen mensen uit de huizen gekropen. Ook zij willen de reuzenmarionetten zien. De stoet verzamelt op een open veld. Net naast een vuilnisbelt waarop geiten staan te scharrelen. Iedereen is uitgelaten. Oude vrouwen dansen met baby's op hun arm. Kinderen willen op de foto. Oude mannen zeuren om geld. Een man met een gehandicapte baby op de arm vraagt of ik zijn kindje wil tekenen, hij heeft gezien dat ik af en toe wat schets in mijn dure tekenboek. Ik ben nerveus. Wat als hij het lelijk vindt? Maar hij is in de wolken. Ik scheur de pagina uit mijn boek en zet er de naam van zijn kind onder. Met de tekening in de hand stapt hij richting wooncontainers. Hij probeert ze uit de klauwen van zijn baby te houden, maar het kind blijft graaien tot ze beetheeft. De tekening verdwijnt in haar mond.

Hier woont dus mijn sinaasappelmeisje. Ik denk aan het ellendige verhaal dat ze me verteld heeft. Hoe haar moeder lang geleden is gestorven. In een woningbrand. Het vuur aangestoken door haar vader. De muren van hun huis vol paraffine gesmeerd en hop, de fik erin. Moeder lag te slapen. Hoe ze jarenlang misbruikt is door haar vader, uiteindelijk zwanger werd en een doodgeboren hompje ter wereld bracht. Hoe haar moeder haar oor bewerkte met een mes toen ze had verteld dat ze werd misbruikt. Hoe ze sinds haar tiende bij a friend woont. Hoe ze voor weeskinderen wil zorgen, omdat ze er zelf een is. Hoe ze school wil afmaken. Ik probeer te raden waar ze woont. Welk van de krotten haar nieuwe thuis moet worden. In alle windrichtingen zijn de heuvels bezaaid met golfplaathuizen. 180.000, sommigen zeggen 500.000, hongerige magen die hier proberen te overleven. Hoe hoger, hoe ellendiger.

Maar vandaag zijn de mensen uitgelaten. Er is muziek, er is feest, door hun township trekt een stoet van vijfentwintig reuzen met slingerende armen en lijven. Hun grijnzende koppen steken boven de huizen uit. Daar achteraan dansen mannen, vrouwen, kinderen en zelfs honden. De zon bijt in mijn rug. Ik sla een mestvlieg uit mijn ogen.

Als ik enkele uren later door de tuin van de universiteit loop, hoor ik iemand roepen: 'Hey mam!'

Daar zit ze, in een lichtblauwe sweater, zonder 'naartjies' en zonder muts. Ze heeft dik kort haar. Haar laarzen zijn vuil en zien grijs van het stof. Op haar hoofd en op haar oor zitten korsten geronnen bloed. Ze lacht.

'Take a seat', zegt ze.

Ik ga zitten.

'Hello sissie', zeg ik, 'there you are again.'

We kijken zwijgend naar een straatartiest die in een boom hangt. En we lachen. Heel even zelfs naar elkaar.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234