Zondag 21/07/2019

Een paus uit Polen, een man met een missie

Tot gisteren waren er nog drie over, de laatst overlevende groten van de twintigste eeuw, mannen die het aanzien van die eeuw wezenlijk hebben bepaald. Als Johannes Paulus overlijdt, blijven enkel Nelson Mandela en Fidel Castro over. Want voor of tegen de eerste Poolse paus, dat hij de loop van de geschiedenis wezenlijk mee heeft bepaald, geven ook zijn critici toe. Maar critici waren er inderdaad. Een van zijn eigen boeken heette Teken van tegenspraak, en dat zou ook het motto van zijn eigen leven kunnen zijn. Johannes Paulus II liet de publieke opinie niet onberoerd, de kerk niet, en de wereld evenmin. Door Walter Pauli

Walter Pauli

De intonatie, die deed het 'm, dat getuigt iedereen die in de zomer van 1978 het Sint-Pietersplein frequenteerde. De man die zich door zijn intonatie verraadde, was kardinaal Pericle Felici. Felici was de deken van het kardinalenkorps en had als taak de naam van de nieuwe paus aan te kondigen. Op 26 juli gebeurde dat met zeer Italiaanse tremolo's in de stem, en werd de klassieke Latijnse formule bijna jubelend uitgesproken. "Annuntio vobis gaudium magnum: habemus papam!" ('Ik kondig jullie met grote vreugde aan: we hebben een paus!'). Het ging om 'Albinum Luciani', Albino Luciano dus, de kardinaal-patriarch van Venetië die de naam Johannes Paulus I aannam. Die dubbele naam, dat heette toen een 'grote verrassing'. De massa katholieke gelovigen die zo 'verrast' op die naam reageerde, wist toen nog niet voor welke verrassingen ze dat jaar nog zouden worden geplaatst, maar dan van een heel ander formaat.

Verrassing één: Albino Luciano bleek niet alleen de eerste paus met een dubbele naam, de 'lachende paus', zoals hij ook werd geheten, bleek ook een van de allerkortste pontificaten ooit te hebben geleid. Op 29 september, amper een goede maand later, trof de brave zuster Vicenza, die 's ochtend de thee kwam brengen, tot haar ontzetting de nieuwe paus dood aan in bed. En toen zat de katholieke kerk - even - echt in crisis. Er moest alweer een nieuwe paus gekozen worden.

Op 16 oktober, in de late namiddag, verscheen Pericle Felici opnieuw op de loggia van Sint-Pieter. Het was nog wel hetzelfde Latijn "Annuntio vobis" enz., maar het klonk anders. Geen tremolo's meer, veel monotoner. De kardinaal bleek 'Carolem' te zijn, en de meest geïnformeerden op het Sint-Pietersplein (die de kardinalen bij voornaam kenden) wisten dat er in het college van kardinalen maar één 'Carlo' was: de hoogbejaarde Carlo Confaloniera. Vandaar die ene kreet, die via radio-installaties wereldwijd rondging: "Ze zijn gek geworden." Maar Felici ging verder, en sprak zo goed als hij toen kon, die vreemde naam uit: 'Wojtyla'. En toen wist Rome wat Felici en de andere kardinalen al een paar uur onder ogen zagen: dat voor het eerst sinds de zeventiende eeuw geen Italiaan als opvolger van Petrus was gekozen. Dat was verrassing twee.

De consternatie op het plein was enorm. Het grote publiek kende Wojtyla niet. Verwilderde blikken. "Chi è?", wie is het? "E nero?", is het een Afrikaan? Neen. Het was een Pool. In de tijd van de Koude Oorlog was dat zoiets als een brandbom die insloeg.

Wojtyla nam de naam Johannes Paulus II aan, maar dat was nu eigenlijk helemaal geen verrassing meer. En ineens verscheen hij daar, met zijn 58 jaren een jonge kardinaal. Een buitenlander, maar wel een die het Italiaans zeer behoorlijk, zo niet haast perfect onder de knie had. Hij begon zijn eerste toespraak, en vatte de koe met de horens: ja, hij kwam uit een ver land, ja, dat was abnormaal. En hopelijk zou hij zich snel goed kunnen uitdrukken - en toen kwam dat ene zinnetje - "in uw.... sorry, in onze taal". Dat was zo ontwapenend dat het applaus niet meer in te tomen viel. Het eerste contact was gelegd. En, voor wie scherp keek, was al tijdens die eerste zegening aangetoond dat Johannes Paulus II als geen ander het publiek kon bespelen, en ook de media. Meer dan tien jaar voor de eerste grote sociologische essays over de 'gemediatiseerde samenleving' verschenen, was Johannes Paulus II al een great communicator.

Maar hoe was het zover kunnen komen? Wat had het college van kardinalen, een orgaan waarvan de buitenwereld niet aanneemt dat het de meest progressieve of veranderingsgezinde vergadering is, ertoe aangezet om zo bruusk met een zo oude traditie te breken?

De verkiezing van Johannes Paulus II kan niet begrepen worden zonder de beweegredenen achter die van Johannes Paulus I te analyseren. De geschiedenis van Albino Luciano en Karol Wojtyla is nauw, zo niet intiem verweven, en meer dan alleen maar door hun dubbele naam. En door het uitstekende werk van een aantal historici, even hardnekkig als meticuleus, met vooraan de Belg Jan Grootaers (La grande tourmente de l'église catholique) en de Italiaan Giancarlo Zizola (Il conclave). Door wat zij op gang brachten, weten we vandaag tamelijk precies wat er toen plaatsvond in wat de discreetste bijeenkomst ter wereld zou moeten zijn: het conclaaf, de verkiezing van een nieuwe paus. De tijden waren dus aan het veranderen in de jaren zeventig, ook wat de loslippigheid van de aanwezigen betrof.

Wat speelde er door de gemijterde hoofden, in de mooie nazomer van 1978? In de eerste plaats: het besef dat de kerk zich in een diepe crisis bevond. En dat de paus die toen aan het bewind was, Gianbatista Montini of Paulus VI (1963-1978), ondanks zijn goede bedoelingen, vaak een averechts effect bekwam.

Er is wellicht geen tragischer paus de laatste eeuwen dan deze Paulus VI. In de geschiedenis van de twintigste eeuw staat hij te boek als een reactionair, want de man die de beruchte encycliek 'Humanae Vitae' uitvaardigde, het pauselijke schrijven waarin pil en condoom en alle andere voorbehoedstechnieken dan de periodieke onthouding, als 'niet christelijk' gekapitteld werden, zelfs niet binnen het huwelijk. Bovendien lekte al heel snel uit dat Paulus VI eigenlijk geadviseerd was, door een commissie die hij zelf had aangesteld, om binnen het huwelijk wel voorbehoedsmiddelen toe te laten. Maar een ultraconservatieve minderheid was daartegen, en de paus koos hun kant. Met als resultaat een geweldige blamage voor het pauselijke gezag in de media, én - wellicht nog veel fundamenteler - een definitieve aantasting ervan. Zeker in West-Europa en Noord-Amerika beslisten miljoenen katholieke echtparen deze regel van de paus - bewust - niet na te leven. En daarmee was het hek van de dam, zeker wat het dwingende karakter van officiële kerkelijke richtlijnen betrof op het persoonlijke leven van gelovigen.

Maar er was veel meer aan de hand dan 'Humanae Vitae' alleen. Paulus VI was in 1963 paus gekozen, toen al na lange en zeer intense meningsverschillen binnen het college van kardinalen, toen het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) volop aan de gang was. Zijn voorganger Johannes XXIII (1958-1963) had dat samengeroepen, omdat hij de kerk wilde aanpassen aan wat toen 'de tekenen des tijds' genoemd werden. Die operatie heette in het Italiaans 'aggiornamento'.

Johannes XXIII wilde de kern van het katholieke geloof bewaren - zelfs verdiepen, alleszins authentieker maken - door precies die kern af te zonderen van de bijzaken en uiterlijkheden, en daar mocht flink de bezem door gehaald worden. En dus moesten alle kardinalen en bisschoppen ter wereld discussiëren over zaken of bijvoorbeeld het gebruik van het Latijn een hoofd- of een bijzaak was (een bijzaak, vond een overweldigende meerderheid).

Die discussies brachten echter een diepere breuk aan het licht, en versterkten die nog. Als er in een kerk van mening verschild werd, was dat niet het beste bewijs dat kerkelijke meningen niet zomaar 'onfeilbaar' waren. En hoe ver kon die modernisering gaan? Mochten priesters trouwen? Mochten vrouwen priester worden? Hoe ver moest de kerk gaan in de oecumene, de positieve relatie met andere kerken? Hoezeer moest de kerk sociale rechtvaardigheid nastreven?

@443 REP Drop 3 grijs:In al die vragen ging Paulus VI vrij ver mee met de progressieve vleugel. Zijn encycliek 'Populoru Progressio' is nog altijd de progressiefste, zelfs meest linkse sociale encycliek die er ooit geschreven is, waarin bijvoorbeeld het gebruik van revolutionair geweld niet in alle omstandigheden a priori veroordeeld werd. Hij maakte belangrijke symbolische gestes naar de patriarch van Constantinopel, dus de geestelijke leider van de orthodoxe christenen, wat voor een paus een belangrijk teken van nederigheid is. Hij liet weten dat hij af wilde van het 'katholieke regime' van generaal Franco in Spanje, omdat die autoritaire, half-fascistoïde vorm van katholicisme niet meer bij de tijd hoorde, en te weinig evangelisch was. Hij reisde de wereld af: naar 'het Heilig Land' (met een prachtige reportage in Paris Match als hij met zijn voeten in het meer van Genesareth staat) naar Afrika en India enz.

En toch 'werkte het niet'. Toch kreeg Paulus VI zijn boodschap niet aan de jongeren verkocht. Hij opende schoorvoetend een deur met 'Populorum Progressio' en soms veel radicalere bevrijdingstheologen beukten die poort open. Met de tienduizenden verlieten priesters, kloosterzusters en paters het ambt. De paus, een fijnzinnig man met hooggestemde gedachten, kwam op tv over als een schriel mannetje zonder gezag. Hij kreeg soms openlijk oppositie van kardinalen en aartsbisschoppen, uit progressieve hoek (de Belg Suenens), maar ook uit het rechts-radicale kamp (de Fransman Lefebvre).

Op het einde wist de paus het ook niet meer. Toen in 1978 de Italiaanse terroristengroep Rode Brigades zijn vriend Aldo Moro ontvoerden, een christen-democratisch politicus, ex-premier en toen partijvoorzitter, raakte Paulus in een depressie. Hij liet zijn omgeving weten dat hij zelf als gijzelaar de plaats wilde innemen van Moro, die vader van een omvangrijk gezin was. Zijn entourage kon hem dat uit het hoofd praten. Toen Aldo Moro vermoord weg teruggevonden, vlak tegen de Gesù aan (de moederkerk van de jezuïeten in Rome), in de achterbak van een slecht geparkeerde Renault, brak er iets bij Paulus. In de officiële herdenkingsmis in de basiliek van 'Sint Jan van Lateranen', vroeg hij - de paus dus - zich hardop af waarom God de arme Aldo Moro in de steek had gelaten. De paus die God ter verantwoording roept omdat hij zijn werk niet heeft gedaan: het was een juist, maar pijnlijk geestelijk testament.

En dat moest een nieuwe paus dus veranderen, daar was iedereen het over eens. Alle kardinalen, zowel links als rechts, progressief als conservatief, fans van de Latijnse mis en supporters van de nieuwe meer charismatische eucharistievieringen, hadden oor naar een compromisfiguur. Dat die Italiaan moest zijn, stond voor de meerderheid nog buiten kijf. Het moest iemand zijn die tegelijk doctrinair 'ferm' was, zoals dat heette, maar tegelijk een man met veel 'pastorale ervaring' (helemaal volgens de Italiaanse stijl moeten heel strikte regels met de nodige soepelheid toegepast worden). In minder dan een dag viel er een akkoord over een naam: de glimlachende patriarch van Venetië, Albino Luciani. Vaak naar de derde wereld afgereisd, een volkse achtergrond (zijn vader was fabrieksarbeider geweest, die van Montini was een leidend christen-democratisch politicus), een grote kindervriend: het hele plaatje leek te kloppen. Wat traditioneel, en ook wat dociel - zo nam men aan: de ervaren kardinalen van de curie zouden de paus wel zeggen wat hij moest doen.

Dat leek te werken. Hij was behendig in zijn naamkeuze: Johannes Paulus I, waardoor hij niet koos welke weg hij zou kiezen. "Ik kies de twee wegen samen", zei hij. De media waren gek op Johannes Paulus I: hij nam kinderen op de arm, vertelde grapjes tijdens zijn toespraken, die zeer eenvoudig waren. De kardinalen waren minder enthousiast: ze vonden de toespraken te eenvoudig, en de grapjes niet geestig, te weinig spiritueel. Tot overmaat van ramp bleek dat ze één aspect over het hoofd hadden gezien: de gezondheid van de nieuwe paus. Albino Luciani had in Venetië al lichamelijke problemen, maar die hield hij het liefst voor zichzelf. Maar taai zijn alleen volstaat niet voor de uitoefening van het ambt van paus. Je moet echt sterk zijn. En dat was hij niet, of tenminste zijn hart, zo bleek.

Toen in oktober 1978 dus in een maand tijd een tweede paus gekozen moest worden, lag de crisis open. De grote compromiskandidaat was weg, voortijdig gestorven. En wel voor hij de bestaande spanningen had kunnen wegnemen, die er dus nog altijd waren. De nieuwe paus, zo besefte iedereen, moest niet alleen én doctrinair behoudsgezind, én pastoraal ervaren zijn, maar ineens telde ook het criterium 'jong en gezond'. En na paus Johannes Paulus I, de 'paus van de glimlach' konden ze zich niemand meer permitteren die niet met de media kon omgaan. Dat criterium kwam er dus ook bij.

Het enige waar men (nog) niet aan dacht, was aan een niet-Italiaan. Maar in het conclaaf bleek snel dat geen goede Italiaan meer beschikbaar was. De keuze van Albino Luciano was het werk geweest van twee kingmakers: de kardinalen Siri van Genua (het conservatieve boegbeeld) en Benelli van Firenze (de zogenaamde progressief). Nu ze niet meer iemand naar voren konden schuiven, moesten de sterke mannen zelf in de arena treden. En dat liep fout af. Siri noch Benelli verzamelden tijdens de eerste stemronden wel een aantal stemmen, maar telkens was dat ruim onvoldoende voor de vereiste tweederde meerderheid plus één. Kortom, de harde feiten spraken voor zich: er was geen Italiaan meer die een meerderheid achter zich kon krijgen.

@443 REP Drop 3 grijs:En toen dat duidelijk was gemaakt - niet door hemzelf, maar door feiten, die voortkwamen uit de openlijke verdeeldheid binnen het Italiaanse kamp - kwam kardinaal Franz König in actie. König was de grote man van Oostenrijk, al tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie een van de boegbeelden van de hervormingsgezinde vleugel. Tegelijk was hij een telg van een oude aristocratische familie. Ook in zijn standplaats Wenen zat hij in die tijd op de brug tussen twee werelden, Oost- en West-Europa. Hij had de taak gekregen om goede contacten te onderhouden met de (aarts)bisschoppen en kardinalen van achter het IJzeren Gordijn. Hen steunen, en - dat kwam er automatisch van - ook aan talentspotting te doen.

En zo had König al jaren de jonge en zeer energieke Karol Wojtyla in de smiezen, de aartsbisschop van Krakau. Intrigerende man, die Wojtyla, en getalenteerd ook, dat was het unanieme oordeel over hem. En unaniem, dat wil zeggen dat het Poolse episcopaat dat vond, maar ook het ministerie van Godsdienstzaken bij de Poolse communistische partij, en dat die mening ook nog eens in Rome werd gedeeld.

Wojtyla was geboren in 1920. Zijn moeder stierf nog toen hij zeer jong was, zijn enige broer zou ook snel sterven, en tijdens de Tweede Wereldoorlog stierf ook zijn vader. Amper twintig was hij dus wees. Hij maakte de roerige geschiedenis van zijn land mee. In de lagere en middelbare school zat hij in klassen met nogal wat joodse medestudenten, die later allemaal vervolgd zouden worden. Hij ambieerde hogere studies, maar de nazi's sloten tijdens de oorlog de Poolse universiteiten, dus hij moest aan de slag in een fabriek, een Pools filiaal van de Belgische Solvay-groep.

De sterke man van Krakau, kardinaal Saphieha (verre familie van prinses Mathilde, via haar moeder) zag wat in hem, en liet hem een clandestiene priesteropleiding volgen. Hij bleek een briljant student, en mocht na de oorlog verder studeren te Rome. Daar behaalde hij een doctoraat in de filosofie. Helaas was zijn promotor de toen even bekende als beruchte dominicaan Réginald Larrigou-Lagrange. Die man was een 'neoscholasticus' tot in de kist. De neoscholastiek was de richting die de kritiekloze herinterpretaties van Thomas Van Aquino als je van het beschouwde. In een tijd dat ook mannen als Jean-Paul Sartre en andere existentialisten zich begonnen te roeren, was dat niet bepaald de avontuurlijkste stroming, laat staan een toonaangevende richting in de filosofie.

Tegelijk bleek Wojtyla ook menselijk wat in zijn mars te hebben. Hij werd onder meer verantwoordelijke voor de studentenpastoraal in Krakau. Hij deed dat met overgave, was tegelijk dichter, toneelspeler en -schrijver, een man die carrière maakte aan de filosofische faculteit van de universiteit, én een begenadigd atleet. Wojtyla kon skiën en kajakken als de beste.

Hoe vreemd het vandaag ook klinkt, echt conservatief was hij niet, tenminste niet: gemeten naar de normen van de Poolse kerk. Hij hield zich bezig met seksualiteitsmoraal, en nam daarin geen blad voor de mond. Niet dat hij promiscuïteit aanmoedigde, wel integendeel, maar hij schrijft zonder de valse preutsheid van die tijd.

En hij had carrure. Omdat hij als hulpbisschop van Krakau was benoemd, mocht hij mee naar het Tweede Vaticaans Concilie. De chef de file van de Poolse bisschoppen was toen de legendarische kardinaal Stephan Wyszynski, de aartsbisschop van Warschau. Een koppig man, die zichzelf als het hoofd van de Poolse kerk zag - wat hij ook was - maar dat zeer consequent invulde; de paus van Rome diende wel om aanbeden te worden, als om Polen duidelijk te maken dat niet alle heil uit Moskou kwam. Maar verder had Rome zich eigenlijk niet met Warschau te moeien: niemand die beter wist wat de Poolse katholieken nodig hadden, dan hun eigen bisschoppen.

Dus was Wyszynski eigenlijk not amused met dat Concilie. Toen er via die vergadering bovendien allerlei nieuwlichterij werd verspreid, was voor hem de maat vol. Zijn jonge collega Wojtyla zag dat anders. Die deed wel tamelijk enthousiast mee met het Concilie. Dat viel ook paus Paulus VI op. Tamelijk onverwachts maakte die hem kardinaal. Dat betekende dus een tweede Poolse kardinaal, naast Wyszynski.

Dat hadden de communisten ook gezien. Ze dachten dat er een mogelijkheid bestond om Wyszynski en Wojtyla uit elkaar te spelen. Ze kenden Wyszynski als een koppig anticommunist, en ze gingen er van uit dat met de 'jonge' en 'moderne' Wojtyla veel meer zaken te doen zouden zijn. Ze dwaalden. Wojtyla was zo mogelijk nog koppiger dan de oude Wyszynski. De jonge kardinaal was immers nog principiëler, wat de kern van het geloof aanging.

@443 REP Drop 3 grijs:Dat merkten insiders in Rome ook. Toen er in de late jaren zestig kardinalen gezocht werden om Paulus VI bij te staan in zijn antwoord op de vraag over voorbehoedsmiddelen, was Wojtyla een van de mannen die hem overtuigde om bij het traditionele standpunt te blijven. Vandaag gaan veel historici ervan uit dat Karol Wojtyla zelfs voor een belangrijk deel de pen heeft vastgehouden van Paulus VI zijn encycliek 'Humanae Vitae'. Het grote publiek kende hem dus niet, maar wie in Rome meetelde, wist wie Karol Wojtyla was.

Dus, om even terug in het verhaal te springen, toen kardinaal König, tijdens de impasse van het tweede conclaaf van 1978, her en der de naam 'Wojtyla' liet vallen, waren de oren gespitst. Toen bleek ineens dat die ook al tijdens onderonsjes tussen kardinalen ter sprake was gekomen.

En toen gebeurde er iets vreemds. König kreeg zowel de progressieve als een deel van de conservatieve fractie achter zich. Progressieven - zoals 'onze' Suenens, andermaal - omdat die het sowieso een vooruitgang vonden, een belangrijk signaal ook, dat er eindelijk eens een niet-Italiaan tot paus werd gekozen. En iemand van achter het IJzeren Gordijn, dat leek hen een man die met gezag de prille dialoog met de communistische regimes verder kon zetten.

Ook veel conservatieven stonden achter Wojtyla. De man die hun stemmen ronselde, was de Duitse kardinaal Höffner, een behoudsgezind socioloog, maar ook iemand die Wojtyla kénde: hij wist dat de relatief jonge Pool (zeker in een gezelschap van zeventigjarigen) geen roekeloos nieuwlichter was, en kon vele andere kardinalen daarvan overtuigen. De enige fractie die mordicus voor Wojtyla weigerde te stemmen, was de conservatiefste vleugel. Of hoe een dubbeltje rollen kan.

De paus kan skiën! Het is, voor wie alleen het beeld van de oude, aftakelende, door Parkinson aangetaste Johannes Paulus II voor de ogen kan halen, blijkbaar moeilijk om zich nog in te beelden wat voor energie er destijds uitging van de nieuwe paus uit Polen. Dat was het beeld dat het gelovige publiek van hem had: een krachtige paus, zijn brede kop en gulle glimlach als complement van zijn robuuste persoonlijkheid. Dat daaronder een even robuust, soms zelfs ruw beleidsman school, viel die eerste maanden minder op.

Maar lang duurde het niet. De kerk moest in handen genomen worden: niet alleen dacht een meerderheid van kardinalen er zo over, Johannes Paulus II was er zelf meer dan wie ook van doordrongen. En hij pakte de urgentste problemen het eerst aan. En die verschillende problemen concentreerden zich in onderscheiden geografische gebieden: de morele crisis van de samenleving, in de hand gewerkt door zwakke bisschoppen en op hol geslagen theologen: in West-Europa en Noord-Amerika. Steun - ook politieke steun - aan bedreigde kerken en christenen: in Oost-Europa. Een halt toeroepen aan te sociaal bewogen en te politiek geïnspireerde priesters in Centraal- en Zuid-Amerika.

@443 REP Drop 3 grijs:Zijn eerste grote slag vond plaats in Pueblo, te Mexico. Daar vond een belangrijke vergadering plaats van Celam, de verenigde Zuid-Amerikaanse bisschoppenconferentie. Op een voorgaande vergadering, in Medellin, einde jaren zestig, had diezelfde Celam zich voluit geschaard achter wat in kerkelijk jargon de 'preferentiële optie voor de armen' heette. Dat was een voorzichtige term om uit te drukken dat de kerk zich bij voorkeur het lot van de armen moest aantrekken. Het werd begrepen als de officieuze goedkeuring van de bevrijdingstheologie, de basisgemeenschappen, en alles wat in dat straatarme continent aan 'volkskerk' naar voren kwam.

In een werelddeel dat toen nog van boven tot onder - op Cuba na, en recentelijk ook de sandinisten in Nicaragua - beheerst werd door extreem-rechtse dictators of junta's, met die van Chili's Augusto Pinochets als bekendste, was de kerk een van de schaarse democratische tegenstemmen. Of beter, niet zomaar 'de' kerk, maar veel individuele priesters en zusters, geholpen door gelovigen en catechisten, gesteund door een groot aantal bisschoppen, van boeken en ideeën voorzien door een aantal theologen die ook in de westerse wereld veel bekendheid kregen.

Johannes Paulus II zag het met lede ogen aan, en met hem het de Vaticaanse staf. In Pueblo zou die koers 'gecorrigeerd' worden. Wie de inside-verslagen van die meeting leest, krijgt het benauwd van de figuurlijke moorddadigheid waarin op de progressieve tendens werd ingehakt. Met grote kracht werd de tegenstand - en dat wilde zeggen: collega-theologen en -bisschoppen die er een socialer standpunt op nahielden - in het ongelijk gesteld, in een latere fase zelfs veroordeeld, of uit de kerk uitgesloten. Het publiek zag dat nauwelijks. Wereldwijd vergaapten tv-kijkers zich aan de honderdduizenden, zo niet miljoenen Mexicanen die te hoop liepen voor de paus, en dat in een land dat toen nog officieel 'atheïstisch' was.

Pueblo was het begin van de strijd tegen de bevrijdingstheologie. Dappere bisschoppen - Oscar Romero uit El Salvador, Pedro Casaldaliga uit Brazilië - mochten het in Rome komen uitleggen. Toen Romero kort nadien zelf werd vermoord, zat Rome een aantal jaren zeer verveeld met die zaak, want ineens kreeg het foute kamp er een martelaar bij. Theologen als Gustavo Guttierez, Jon Sobrino of de broers Leonardo en Clovis Boff kregen het aan de stok met de Congregatie voor de Geloofsleer. Zeker toen Johannes Paulus II de aartsbisschop van München, de ooit als progressief bekendstaande Joseph Ratzinger, de leiding gaf van dat orgaan.

Want dat deed Johannes Paulus II ook, en dat kon hij: hij liet zich niet sturen door de curie, hij zorgde ervoor dat de curie (noem het 'de Vaticaanse ministeries') hem volgde. Joseph Ratzinger, al snel 'der Pantzerkardinal' genaamd, was en is een van zijn vertrouwelingen. Als staatssecretaris (eerste minister) benoemde hij aanvankelijk de ervaren diplomaat Angelo Casaroli, en daarna de doffe bureaucraat Angelo Sodano. De congregatie voor de bisschoppen werd gecontroleerd door de eerste Afrikaan op een hoge functie, Joseph Gantin uit Benin. En als naaste medewerker, duvel-doet-al en absolute vertrouweling koos hij zijn privé-secretaris uit Krakau, Stany Dziwisz, inmiddels zelf al bevorderd tot aartsbisschop.

Uit Zuid-Amerika haalde hij het conservatiefste en zelfs reactionairste wat dat werelddeel te bieden had (en voor Zuid-Amerika wil dat wat zeggen), in de persoon van de Venezolaan Alfonso Lopez Trujillo en de Colombiaan Dario Castrillon Hoyos. Die laatste werd zelfs beschuldigd van banden met de drugskartels van zijn land, een aantijging waar hij nooit een echt afdoend antwoord op klaar had. En de Congregatie voor de Heiligverklaringen werkte onder de nieuwe prefect, Pietro Palazzini, harder dan ooit.

Dat was een van de grote 'moderniseringen' van dit pontificaat: de paus wenste meer en modernere heiligen. Wel, de wereld kreeg ze, met honderden, zo niet duizenden (als men de zaligen meerekent). De Poolse paus drukte net zozeer zijn stempel op Rome al de oude keizers dat ooit deden.

@443 REP Drop 3 grijs:Sprak men bij pausen als Johannes XXIII soms over de curie die in heimelijke oppositie ging tegen de paus, Johannes Paulus II kreeg het van zijn apparaat gedaan dat iedereen hem volgde. Zelfs Casaroli, een van de topmedewerkers van zijn voorganger Paulus VI en een man met een zeer 'open reputatie', aanvaardde onder Johannes Paulus II de vuilste klussen.

Casaroli's beruchtste interventie, in rechtstreekse opdracht van Johannes Paulus II, was het onder curatele brengen van de jezuïeten. Onder Pius XII, de paus van de jaren veertig en vijftig, golden de slimme en invloedrijke jezuïeten als de keurtroepen van de paus. In de jaren zestig was dat veranderd: weinig ordes waren zo door de nieuwe tijdgeest doordrongen, zo vervuld van de nieuwe idealen - geen waarachtig christendom zonder sociale gelijkheid - dan de jezuïeten. De generaal van de jezuïeten, de Bask Pedro Arrupe, steunde die nieuwe stroming waar hij kon, en tegen de aanzwellende kritiek van het Vaticaan in.

Tot Arrupe ineens een hersenbloeding kreeg op de luchthaven van Rome. De jezuïeten deden wat hun statuten hen voorschreven - de adjuncten van Arrupe namen het beheer over - tot ineens Casaroli zich persoonlijk bij de halfverlamde Arrupe aanmeldde. Toen Casaroli wegbeende en de andere jezuïeten zich ervan kwamen vergewissen hoe het met hun generaal gesteld was, zagen zij alleen tranen uit de ooghoek van de man in de rolstoel. Spreken kon hij al langer niet, maar de pauselijke brief in zijn handen sprak boekdelen. Via een persoonlijke legaat, Paolo Dezza, een oude jezuïet van de conservatieve lijn, oefende Wojtyla voortaan rechtstreeks controle uit op de jezuïeten. Ook al had die orde, als enige, blinde gehoorzaamheid aan de paus in de statuten staan, Johannes Paulus II vertrouwde de leiding niet meer. Pas jaren later liet hij weer een verkiezing toe, en toen werd de wat kleurloze Nederlander Hans-Peter Kolvenbach tot generaal gekozen.

Zo zou Johannes Paulus II zijn hele beleid zijn. Wie niet horen wil, moet voelen. Ook in Noord-Amerika en West-Europa. Hij ging persoonlijk afrekenen met Nederland, waar kardinaal Alfrink in zijn ogen de zaken te zeer hun beloop liep. Dat vond destijds Paulus VI ook al, vandaar dat hij conservatieve bisschoppen als Simonis (Rotterdam) en Gijsen (Roermond-Maastricht) had benoemd. Maar dat hielp niet, of onvoldoende. Johannes Paulus II deed het anders. Die sommeerde gewoon alle Nederlandse bisschoppen naar Rome, 'sloot hen op' in het Vaticaan (gewoon een lange vergadering achter gesloten deuren, volgens de Vaticaanse versie) tot ze de 'rangen gesloten hadden' en zich met zijn allen achter de Vaticaanse lijn stelden. Ook kardinaal Danneels was erbij aanwezig: ze hadden toch een paar mensen nodig die de Nederlandse teksten, waar Rome zo kwaad om was, zelf konden lezen en begrijpen in de originele versie.

Met Nederland zou het evenwel niet snel echt goed komen. Toen de paus in 1985 Nederland bezocht, keerde de Vaticaanse delegatie geschandaliseerd terug. De 'Popie Jopie'-campagne, de lege straten, de ontevreden katholieken, tot op het podium, het openlijke protest: er waren delen van West-Europa die de Poolse pil niet zomaar wilden doorslikken. Maar als het Vaticaan zoiets zag, reageerde het door de fout te leggen bij de tegenstanders.

Die vlogen er vaak ook uit. De Amerikaanse aartsbisschop Raymond C. Hunthausen mocht inpakken. Op reis naar Nicaragua tikte hij publiekelijk de priesters op de vingers die een ministerfunctie bekleedden in de door de sandinisten gedomineerde regering. Westerse theologen als Hans Küng, Eugen Drewermann, Charles E. Curran of Jacques Dupuis kregen publicatie- of doceerverbod. Bij anderen, zoals Edward Schillebeeckx, werd een onderzoek ingesteld, maar kwam het niet tot een veroordeling. In Frankrijk kwam het rond het midden van de jaren negentig zelfs tot een halve volksopstand, toen Jacques Gaillot, de populaire bisschop van Evreux, 'verplaatst' werd naar het niet-bestaande bisdom van Partenia. Gaillot had zich te veel als Einzelgänger opgesteld, luidde het verwijt, en niet altijd even ondubbelzinnig de kerkelijke ethische standpunten verdedigd.

Dat deed Jean-Marie Lustiger dan wel, de bisschop van Parijs en een Wojtyla-man pur sang. Lustiger was als jood geboren, verloor zijn ouders in de concentratiekampen, bekeerde zich tot het christendom, en was een oogappel van de nieuwe paus. Zo had hij er wel meer. Joachim Meisner, de fel gecontesteerde aartsbisschop van Keulen (tegen wiens benoeming enorm veel Belgische en Duitse theologen de zogenaamde 'Keulse verklaring' ondertekenden): Wojtyla hield hem de hand boven het hoofd.

Hij deed dat ook met de griezel Joseph Groër, de conservatieve aartsbisschop van Wenen, als opvolger van Franz König. De paus kreeg daar ditmaal veel spijt van toen Groër zich in vroeger jaren seksueel bleek te hebben vergrepen aan jongens. Een gelijkaardig reeks seksschandalen zou trouwens de kerk in de Verenigde Staten op het rand van het bankroet brengen: niet alleen financieel, in bepaalde bisdommen (door de schadeclaims), maar vooral moreel: het gezag van de kerk is er tot het absolute nulpunt gedaald.

@443 REP Drop 3 grijs:Elders was dat niet zo, en kon Johannes Paulus II via markante bisschopbenoemingen de kerk spraakmakende woordvoerders geven. Dat was zo met de jezuïet Carlo Martini in Milaan, met Dionisio Tettamanzi in Genua, nadien Milaan, met Tarcisio Bertone in Genua, met O'Connor in New York, met (uiteindelijk) Christophe Schönborn te Wenen, met Juan Luis Cipriani Thorne te Lima, de man van Opus Dei, met de Duitsers Walter Kasper en Karl Lehmann, beiden van tamelijk liberale signatuur, met Cormac Murphy-O'Connor van Westminster, of Jaime Lucas Ortega van Havana, te Cuba, of Miloslav Vlk te Praag. Er zijn er nog meer.

Niet al deze kardinalen liggen hem even nauw aan het hart; Lehmann bijvoorbeeld is hem wellicht al te westers-liberaal. Maar hij ziet er blijkbaar het nut van in om de kerk te laten vertegenwoordigen door mannen met gezag. Godfried Danneels hoort ook in die rij thuis, zij het dat hij, net als Martini, een van de heel 'vroege' benoemingen van Wojtyla was.

Een balans heeft twee zijden. Het waren niet alleen progressieven of liberalen die onder Johannes Paulus II de wind van voren kregen. Hij excommuniceerde zelfs de ultraconservatieve aartsbisschop Marcel Lefebvre, omdat die los van Rome bisschoppen was beginnen te wijden. Hoezeer hij een aantal argumenten van Lefebvre deelde, de bisschopwijdingen waren een schismatieke act die Rome niet kon dulden. De kerk haalt haar kracht uit haar eenheid, dat had hij geleerd in zijn jaren als lid van de Poolse bisschoppen. Hoewel die altijd als een granieten eenheid naar buiten kwamen, waren er binnenskamers vaak ernstige meningsverschillen. Maar het communistische regime kreeg daar nooit lucht van.

Het communistische regime: als Johannes Paulus de geschiedenisboeken haalt - en dat doet hij - komt dat ongetwijfeld door zijn belangrijke rol die hij speelde bij wat 'de val van de Muur' heet. Nu heeft de paus die Muur zelf niet neergeduwd. Maar hij heeft vanuit Polen wel het zogenaamde Warschaupact (militair) of Oostblok (politiek-economisch) uit elkaar gespeeld.

Dat proces staat, op een kritische manier trouwens, vrij gedetailleerd beschreven in de biografie Zijne Heiligheid. Johannes Paulus II en de verborgen geschiedenis van deze tijd. Auteurs Marco Politi en Carl Bernstein (de wereldberoemde journalist van de Watergate-affaire) leggen uit hoe Johannes Paulus II altijd Karol Wojtyla is gebleven: gepassioneerd door Polen, en de Poolse politiek, al zal hij zijn interventies geen politiek noemen. Maar hij steunde de vakbond Solidariteit en zijn voorzitter, de latere Nobelprijswinnaar Lech Walesa, voluit, sprak samen met de Amerikaanse president Reagan een strategische blauwdruk voor Polen af, hielp die ook uitvoeren, maar op zijn eigen manier.

Zo is het verrassende lectuur hoe de paus een compagnon de route vond in generaal Jaruzelski, officieel de opponent van Walesa. Maar toen Jaruzelski de noodtoestand afkondigde, begreep Wojtyla als een van de eersten dat dit nodig was om de Sovjet-Unie van een militair ingrepen af te houden. Hij oefende invloed uit dat Solidariteit het Jaruzelski niet te moeilijk zou maken. De strategie lukte: de Sovjets deden in Polen in 1981 niet wat ze wel in Praag in 1968 hadden gedaan, wat op termijn Solidariteit toch ademruimte gaf en uiteindelijk tot het ineenklappen van het communisme in Polen zou leiden.

En toen in Polen het hek van de dam was, volgden de andere landen tamelijk vlug. Later werd trouwens sovjetleider Michael Gorbatjov nog een goede vriend van Johannes Paulus II. Wojtyla kreeg er echter vooral in eigen land een immens prestige door. Vele priesters gingen zeer ver in de steun voor Solidariteit en Lech Walesa. Sommigen, zoals Jerzy Popieluszko, betaalden dat met hun leven. Wat opviel was evenwel dat Wojtyla minder strikt was tegenover politiek engagement van de geestelijkheid in eigen land dan hij dat was in Zuid-Amerika, dat hij de politieke onvrijheden in Oost-Europa veel strenger en systematischer veroordeelde dan de immense sociale ongelijkheid om en rond de Andes. Niet dat hij die laatste niet veroordeelde, maar de priesters die er iets aan wilden doen, werden door het Vaticaan tegengewerkt. In Oost-Europa was dat precies andersom.

Paus Johannes Paulus II was 'a man with a mission'. Hij was er de figuur niet naar om minder daadkrachtig te worden toen het communisme omstreeks 1989 een fatale klap kreeg, die mee door hem was toegediend. Stonden de jaren tachtig, het eerste volledige decennium van zijn pontificaat, in het teken van de grote ideologische strijd, dan kwamen in de jaren negentig de grote morele kwesties meer op het voorplan.

Misschien wel zijn meest kenmerkende encycliek schreef hij in oktober 1993, 'Veritatis Splendor', of 'de Schittering van de Waarheid'. Die brief werd in ruime kring op de nodige scepsis onthaald, maar geldt bij de eigen overtuigde achterban als een zeldzaam hoogtepunt in de kerkgeschiedenis. Johannes Paulus II trekt er ten strijde tegen het cultuurrelativisme. Nu geldt een zeker relativisme als een wezenlijke verworvenheid van de westerse cultuur. Néén, zegt de paus, er is absoluut goed en absoluut kwaad. Dat is trouwens geen katholiek standpunt, dat geldt voor alle mensen van goede wil, van alle godsdiensten en culturen. Moord, bijvoorbeeld: je moet geen katholiek zijn om in te zien dat dat slecht is. Dat is geen kwestie van individueel geweten.

Dat principiële standpunt operationaliseerde naar tal van domeinen. Abortus en dergelijke: allemaal moord, en dus geen discussie erover. Dat was ook de baseline van zijn lang verwachte 'Catechismus van de Katholieke Kerk'. Hoewel dat zeker geen algemeen conservatief werkstuk is (er is nadruk op sociale rechtvaardigheid, er wordt uitgelegd dat de doodstraf eigenlijk niet kan) is de inspiratie ongeveer dezelfde als bij 'Veritatis Splendor'.

Dat uitte zich ook op het terrein. Tijdens de bekende 'bevolkingsconferenties' van de Verenigde Naties, eerst te Caïro, dan de Peking, was het Vaticaan in tal van kwesties een feitelijke en objectieve bondgenoot van landen als Iran en Saoedi-Arabië. De Vaticaanse delegatieleider - een vrouw, Mary Ann Glendon, tactisch goed bekeken - deed tot het einde alle pogingen om iedere vorm van artificiële birth-control te bannen als aangewezen methode om de bevolkingsgroei in te dammen, laat staan dat er over condooms of anticonceptiva een algemeen akkoord aanvaard werd door het Vaticaan. Tegenstanders linkten die standpunten aan brieven als 'Ordinatio Sacerdotalis' - over de priesterwijding', waar de paus 'voor eens en vooral altijd' de vrouwen uitsloot van de wijding tot priester.

@443 REP Drop 3 grijs:Dergelijke moreel-ethische standpunten, en vooral de harde, compromisloze manier waarop ze vertolkt werden, gecombineerd met het onverholen misprijzen voor de argumenten van de tegenpartij, deden het Vaticaan geen goed. Er is namelijk niet veel gesprek mogelijk, ook niet veel wederzijdse waardering, als de voorstanders van het condoom, bijvoorbeeld, of de gelijkberechtiging van homo's, heel snel terechtkomen in het kamp van de moordenaars, van de ethisch ontaarden.

Dat bracht mee dat de paus en het Vaticaan ook een paar zeer pijnlijke nederlagen leden, zoals het feit dat er helemaal geen verwijzing naar God kwam in de grondwet van de Europese Unie. En als een kandidaat-Europees commissaris als Rocco Buttiglione, een persoonlijke vriend van de paus, het zelf nodig vindt om even te verklaren dat hij homo's niet gelijkwaardig vindt aan hetero's (al voegde hij eraan toe dat dit 'gewoon zijn persoonlijke mening is, ingegeven door zijn geloof'), dan maakte dat de kloof nog groter.

Ook al had Johannes Paulus II ook een aantal gestes gedaan, vaak van symbolische aard, die niet-katholieken wel konden charmeren. Er waren beklijvende beelden bij Yad Vashem, waar hij de joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht en een vorm van verontschuldiging uitte. Zij het dat over de persoon van Pius XII, de paus tijdens de Tweede Wereldoorlog, geen millimeter schuld erkend wordt: die werd zelfs zalig verklaard. Hij toonde zich een vastberaden tegenstander van de invasie in Afghanistan en de oorlog tegen Irak. Hij kaart in Israël de Palestijnse zaak aan. Maar ook weer: in het Joegoslavische conflict trok het Vaticaan zo snel en zo nadrukkelijk de Kroatische kaart dat zo veel onzalige herinneringen aan het even katholieke als bloeddorstige Ushtasha-regime van de jaren veertig weer naar boven kwamen.

Hoe langer hoe luider werd de vraag gesteld of Johannes Paulus II alle zaken nog onder controle had. De fysiek imponerende verschijning van de eerste jaren was immers afgetakeld tot een gehandicapte man in een rolstoel. Op zich is daar niets mis mee, is Johannes Paulus II op zijn manier zelfs een eigen, en in zekere zin zelfs dappere invulling van het fenomeen vergrijzing, dat de volgende decennia in grote delen van de wereld zal optreden.

Zijn sterke lijf kreeg ook heel wat te verduren. Er was de aanslag van de Turk Mehmet Ali Agca op het Sint-Pietersplein op 13 mei 1981. Dat Wojtyla die dag niet stierf, schreef hij vanaf het eerste moment toe aan de speciale bescherming die hij genoot van de heilige maagd van Fatima. Van die aanslag is hij bijzonder goed gerecupereerd. Maar de jaren negentig werden een fysieke kwelling. Hij gleed uit in de badkamer, brak een heup en knakte daarbij zijn gezondheid. Er was de verwijdering van een groot en mogelijk kwaadaardig darmgezwel.

En later manifesteerde zich ineens allerlei lichamelijke ongemakken: bevende handen, moeilijke spraak, schuifelende gang. Tot een kardinaal het hoge woord liet vallen: Parkinson. Het leidde tot een stroom speculaties of de paus zou aftreden, en tot het fenomeen dat het pauselijke gezondheidsbulletin over de hele wereld breaking news werd. Als de paus nog eens met zijn handje wuifde, was dat goed voor headlines van alle nieuwszenders, van VTM en VRT over BBC tot CNN, en verder. 'Dat hij ruste in vrede' is een christelijk gezegde, maar de wereld keek bepaald nerveus en gejaagd toe op het ogenblik dat hij die rust zou vinden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden