Zaterdag 19/10/2019

Getuigenissen

Eén op de drie studenten in psychische nood: ‘Dit moest toch de tijd van mijn leven zijn?’

Beeld thinkstock

Volgens het Leuvense Studentengezondheidscentrum heeft ruim een derde van de eerstejaarsstudenten aan de KU Leuven psychische problemen: slaapstoornissen, faalangst, eetstoornissen, depressies en zelfs zelfmoordgedachten. We spraken met drie studenten die op de rand van een zenuwinzinking balanceerden: ‘De muren leken op mij af te komen, mijn keel zat zo goed als dicht, ik had geen kracht meer in mijn handen en voelde de tranen opwellen.’

Tine (*) belandde in een depressie toen ze als eerstejaarsstudente in de rechten worstelde met de lijvige syllabussen en de anonieme aula’s. Vandaag is ze afgestudeerd, een jaar later dan gepland.

Tine (23): “Ik ben altijd perfectionistisch geweest, een karaktertrekje dat ik van mijn ouders heb geërfd. We hebben een goede band, maar ze hebben me altijd op het hart gedrukt dat ik, hun enige kind, het nog beter moest doen in het leven dan zij. Ze eisten alleen het beste. Als puber speelde die drang naar perfectie soms in mijn voordeel – ik kon bijvoorbeeld moeiteloos in één avond dertig pagina’s geschiedenis uit het hoofd leren. Maar het beperkte mijn sociale leven en mijn persoonlijke evolutie. Ik was gek op basketbal, maar het grootste deel van de match zat ik op de bank omdat ik bang was dat ik niet goed zou spelen.

“Op de middelbare school heb ik eerst vier jaar Latijn gestudeerd. Dat ging wel goed, maar ik wist dat ik later nooit iets met talen zou doen, dus veranderde ik naar de richting humane wetenschappen. In het vijfde en zesde jaar zat ik elke avond te blokken, tot ik hevige migraine kreeg. Een alarmsignaal van mijn lichaam, maar met een paar sessies acupunctuur was dat verholpen.”

Hoe ging het aan de universiteit?

Tine: “Ik heb me met veel goede moed ingeschreven aan de faculteit rechten. Ik besloot niet op kot te gaan omdat ik het thuis zo goed had en het maar twintig minuten pendelen was. Maar ik voelde me al snel verloren. Ik kon niet wennen aan de overstap van een warme, knusse klas naar een aula met driehonderd studenten. Ik voelde me een nummer. Ik maakte wel snel enkele vrienden, maar die vriendschappen bleven oppervlakkig: we babbelden wat over de lessen of het uitgaansleven. Als vrienden me meevroegen op café, zei ik altijd nee, want dan moest ik bij iemand op kot logeren en ik wilde niemand tot last zijn. Op den duur zat ik de hele tijd thuis.”

Lukte het studeren?

Tine: “De vakken interesseerden mij wel, maar ik wist niet hoe ik eraan moest beginnen. Op mijn bureau stapelden de loodzware syllabussen zich op: ik kon onmogelijk alles uit het hoofd leren, zoals ik in het middelbaar had gedaan. Ik voelde mij machteloos.”

“Tijdens de tweede week van het tweede semester worstelde ik met de cursus sociale psychologie, toen mijn vader zei: ‘Meisje, waar ben je toch mee bezig?’ Hij zag dat ik nog altijd elk zinnetje uit het hoofd probeerde te leren. Ook mijn mama merkte dat het niet goed met me ging, maar echt babbelen deden we niet. Waarschijnlijk omdat ze zelf een pijnlijk verleden van extreme stress en burn-outs heeft.”

Hoe is dat jaar uiteindelijk afgelopen?

Tine: “Pas twee maanden vóór de examens zette ik alles op alles – veel te laat, en ik was bijna over de hele lijn zwaar gezakt. Dat was een slag in mijn gezicht. Ik had mezelf en mijn ouders teleurgesteld en voelde me erg slecht. De kilo’s vlogen eraf, ik had het constant koud en mijn regels bleven uit. Op de begrafenis van een ver familielid zat ik erbij als een zombie, terwijl ik eigenlijk heel emotioneel ben.”

Uiteindelijk ben je toch met je mama naar de dokter gegaan?

Tine: “De dokter kwam snel tot de conclusie dat ik een depressie combineerde met een dwangmatige stoornis die vooral bij grote stress ontspoort. Wat hij zei, hield steek. Ik herkende mij in zijn uitleg en voelde me een beetje opgelucht.”

Je kreeg antidepressiva voorgeschreven. Een moeilijke stap?

Tine: “Ik ben opgevoed met de overtuiging dat medicatie niet altijd de juiste weg is. Ik neem amper pijnstillers en probeer weleens homeopathische middeltjes. De dokter heeft me echt moeten overtuigen om die antidepressiva toch te slikken, maar de eerste weken zakte ik nog dieper weg – die bijwerking stond in de bijsluiter vermeld. Ik kreeg tandpijn en mijn kaken voelden stijf aan, maar na een tijdje voelde ik wel dat het hielp.”

De dokter raadde je ook aan om op kot te gaan.

Tine: “Vooral mijn mama had het daar erg moeilijk mee. Elke avond belden we elkaar om onze dag te bespreken. Ik amuseerde me wel op kot en ging geregeld naar een feestje, maar toch ging de eenzaamheid nooit weg. Ik begreep er niets van. Studenten kunnen toch niet eenzaam zijn? Het moest toch de tijd van mijn leven zijn? Ik heb me vaak een aansteller gevoeld die een toneeltje opvoerde.”

Klikte het niet echt met de andere studenten?

Tine: “Vooral in het eerste jaar was het een concurrentiestrijd. Dat werd ook in de hand gewerkt door de proffen. Die zeiden tijdens de eerste les: ‘Kijk even links en rechts van je: volgend jaar zie je één van die twee niet meer terug.’ Notities werden amper gedeeld: ‘Je had zelf maar naar de les moeten gaan.’”

Voelde je je schuldig tegenover je ouders?

Tine: “Heel erg. Ze hebben me altijd alles gegeven wat mijn hartje begeerde, en heel veel liefde. Net daarom kon ik met hen zo moeilijk praten over de chaos in mijn hoofd.”

Kon je er met vrienden of vriendinnen wel makkelijker over praten?

Tine: “Op een reünie van mijn middelbare school heb ik dat wel geprobeerd, maar ik botste vooral op onbegrip.”

En de studentenarts of de psycholoog van de universiteit?

Tine: “Zolang je over studieproblemen praat, kun je bij hen terecht. Maar als je het over rouw of eenzaamheid wilt hebben, verwijzen ze je door naar een externe psycholoog en moet je de volle pot betalen. Je kunt ook niet online een afspraak maken: je moet naar de praktijk komen. Voor veel studenten is dat toch een drempel.”

Ben je zelf naar de psycholoog geweest?

Tine: “Ik heb een korte groepstraining voor faalangst gevolgd. Dat was erg theoretisch, en ik kreeg het gevoel dat ik een probleemstudent was: ‘Jij doet het zo, maar goede studenten doen het op een andere manier.’ Ik voelde me al een buitenstaander en een mislukkeling, en die sessie heeft er niets aan veranderd.”

Daarom heb je vorig jaar je schouders gezet onder Start to Talk, een praatgroep door en voor studenten. Welke verhalen hoor je daar?

Tine: “Verhalen over eenzaamheid, zeker bij kotstudenten. Ze voelen de druk om op kot te gaan, zodat ze ten volle van het studentenleven kunnen genieten. Maar soms maken ze moeilijk vrienden en raken ze sociaal geïsoleerd. Of ze lijden onder de prestatiedruk en de verwachtingen van hun ouders. Eenzaamheid en faalangst treffen trouwens niet alleen timide of verlegen mensen: vaak zijn het studenten die sociaal zeer actief zijn, zoals leden van het presidium. Ze hebben wel veel vrienden, maar ze voelen zich niet echt gehoord. Ook de sociale media doen je geen goed: al die vrolijke foto’s op Instagram doen je alleen maar twijfelen aan jezelf.”

Heb je tips voor studenten die zich verloren voelen?

Tine: “Samen studeren helpt écht. Na mijn eerste jaar heb ik systematisch in de bibliotheek gestudeerd en daar heb ik een hechte vriendenkring opgebouwd. We maakten blokpauzes plezieriger door croque-monsieurs te maken, te gaan wandelen met een hond of dwaze spelletjes te spelen. Die studiegroep heeft me door al mijn examens gesleurd.”

“Wat ook helpt: lessen opnemen en achteraf herbeluisteren om er schema’s van te maken. Dat is véél nuttiger dan passief uit het hoofd leren.”

Je bent net afgestudeerd. Gaat het nu beter met je?

Tine: “Ik blijf op mijn hoede voor angstaanvallen. Alles welbeschouwd is het studentenleven niet te vergelijken met dat van een jonge vrouw met kinderen en een huis dat moet worden afbetaald. Ik pieker daar vaak over. Zal ik ooit wel een huis kunnen kopen? Ik merk nu al hoe waanzinnig duur het is om een klein appartement in Gent te huren.”

“Momenteel ben ik volop aan het solliciteren, en opnieuw voel ik die groepsdruk. Als ik vrienden of studiegenoten zie, is werk het eerste waarover we praten.”

Heb je nu sneller door wanneer je lichaam en geest dreigen te crashen?

Tine: “Als ik prikkelbaar ben en niet meer tegen kritiek kan, weet ik dat het tijd is voor een babbel met mijn beste vriendin. Of ik ga wandelen en luister naar podcasts over mentale gezondheid. Sporten, bijvoorbeeld 10 kilometer lopen, is ook een optie, maar dan ga ik weer de competitie aan met mezelf. Ik moet milder zijn voor mezelf, ik vergeet het nog te vaak.” (lacht)


Zombiemodus

Sanne (22) combineert momenteel haar derde en vierde jaar farmacie. Een plotse paniekaanval in haar derde jaar was de start van een vermoeiende strijd met zichzelf en de verwachtingen van buitenaf.

Sanne: “Tijdens de eerste week van mijn derde jaar farmacie kregen we uitleg over onze bachelorproef. De professor die de opdracht uiteenzette, deed allerminst moeite om ons te motiveren. Hij liet uitschijnen dat slechts een minderheid zou slagen en de overige studenten maar beter eens goed konden nadenken over hun toekomst. Misschien wilde hij ons motiveren door ons eerst de grond in te boren, maar ik ging alleszins met lood in mijn schoenen naar huis. Op mijn bureaustoel kreeg ik een eerste paniekaanval. Ik zat door het raam te kijken toen ik het plots enorm benauwd kreeg. De muren leken op mij af te komen, mijn keel zat zo goed als dicht, ik had geen kracht meer in mijn handen en voelde de tranen opwellen. Meer dan een uur lag ik als een hoopje op de grond.”

“De woorden van die prof hebben er echt ingehakt bij mij. Waarom zou ik nog proberen, als ze zeggen dat ik gedoemd ben om te falen? Veel studiegenoten waren enorm gedemotiveerd door die infosessie.”

Had je nooit eerder zo’n paniekreactie gehad?

Sanne: “De eerste twee jaar had ik weleens problemen om me te concentreren, of was ik in stressperiodes ’s ochtends te misselijk om te ontbijten.”

Toen die paniekaanvallen bleven komen, vroeg je de dokter zelf om antidepressiva. Meteen het zware geschut.

Sanne: “Ja, maar ik was bang van mezelf. Als het echt slecht met me ging, hoefde er maar een kleinigheid fout te gaan, zoals de trein die voor mijn ogen wegreed, of mijn hoofd ontplofte. Op straat dacht ik vaak: als een auto me nu zou aanrijden, is dat oké. Dan hoef ik de pijn niet meer te voelen. In het begin schrik je van die gedachten, maar na een tijdje wordt dat het nieuwe normaal. Ik zag mezelf als een mislukkeling, als een slechte dochter en een miserabel lief. Ik had iets nodig wat me kalmeerde.”

En dat waren die antidepressiva?

Sanne: “Eigenlijk niet. Die vlakten mijn persoonlijkheid helemaal uit. Zelfs op gelukkige momenten voelde ik me suf. Ik leefde in zombiemodus. Uiteindelijk is het me gelukt om ermee te stoppen in een vrij stressloze periode. Nu neem ik alleen in uiterste nood nog een kalmeermiddel, maar mijn hoofd doet nog altijd raar: ofwel ben ik supergelukkig, ofwel zit ik aan de grond. Er is geen middenweg.”

Heb je hulp gezocht bij een psycholoog?

Sanne: “Bij meer dan één. (lacht) Eerst ben ik naar de studentenpsycholoog gegaan, maar die mag enkel groepssessies leiden, je krijgt geen individueel gesprek. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt, want ik vond het griezelig om mijn hart uit te storten bij leeftijdsgenoten die ik niet kende.”

“Daarna heb ik een aantal gewone psychologen uitgeprobeerd, maar alleen de eerste tien sessies worden voor een deel terugbetaald. Eén psycholoog raakte niet verder dan slogans als: ‘Je moet het slechte accepteren in het leven om het goede te zien.’ Of: ‘Het leven is yin en yang.’ Een andere weet alles aan mijn thuissituatie. Ik ben vroeger opgegroeid bij mijn grootouders, en daar was het motto: ‘Zolang je je angsten niet uitspreekt, bestaan ze niet.’ Allicht heeft dat ermee te maken, maar mijn paniekaanvallen komen door mijn studie, niet door mijn thuis.”

“De volgende psycholoog liet me tien minuten alleen in een kamer met twintig verschillende stoelen. Ik moest de stoel kiezen die me het meest aansprak en daarna wat op een matje liggen in- en uitademen. Dat kostte me dan 75 euro. Zo ben ik een jaar lang van de ene psycholoog naar de andere getrokken.”

Heb je ooit overwogen om te stoppen met farmacie?

Sanne: “Wel honderdduizend keer. Ik vond mezelf dom en dacht dat ik al drie jaar lang geld van mijn ouders over de balk aan het gooien was. Maar alles opblazen leek me ook niet de oplossing.”

Kreeg je steun van je vrienden?

Sanne: “Ze zijn erg begripvol, maar ze begrijpen nooit echt wat ik doormaak. Na een emotionele uitbarsting stuur ik altijd een sms’je om me te verontschuldigen.”

Gaat het ondertussen beter met je?

Sanne: “Tijdens de herexamens van afgelopen zomer heb ik weer een paar paniekaanvallen gehad. Als ik die thuis voel opkomen, kan ik snel op de grond gaan liggen, maar onlangs had ik er één op de tram. Ik was op weg naar een herexamen en voelde plots de drang om terug naar huis te gaan. Ik haalde gauw mijn gsm boven en startte de app op waarmee ik mijn ademhaling onder controle kan krijgen.”

Hoe verliep het herexamen?

Sanne: “Niet goed. Drie dagen eerder was ik ingestort waardoor ik nog maar één dag had om de leerstof een laatste keer door te nemen. De prof zei: ‘Amai, je hebt precies weinig tijd gehad om te studeren.’ Waarop ik begon te huilen. De man was niet onaardig, maar stuurde me wel met een 9 op 20 naar huis.”

Zou de universiteit iets kunnen doen om studenten van hun stress af te helpen?

Sanne: “Veel studenten kampen met angststoornissen en faalangst. Ligt het aan de manier van lesgeven of examineren? Of aan de mentaliteit van de studenten? Het lijkt me alleszins een goed idee om het hele jaar door mondelinge toetsen te organiseren en het schriftelijke examen op het einde van het jaar af te schaffen. Die examenprocedures hoeven ook niet zo formeel te zijn. Een kleinschaliger manier van examineren kan de stress misschien verlichten.”

Jij volgt nu een geïndividualiseerd traject, zodat je vakken van verschillende jaren kunt combineren. Is dat niet ideaal?

Sanne: “Ik combineer mijn derde bachelor met mijn eerste master en, eerlijk gezegd, dan hoor je er niet echt bij. Andere studenten hebben een lessen- en examenrooster dat zorgvuldig is samengesteld, zonder overlappingen. Ik moet het allemaal zelf uitzoeken, want de coördinator die onze schema’s zou moeten opstellen, is al een half jaar afwezig.”

Over twee jaar wacht de arbeidsmarkt. Hoe kijk je daar tegenaan?

Sanne: “Die twee jaar zijn een laatste berg waar ik over moet. Hoe vaak ik al niet bij mezelf heb gedacht: waarom ben ik toch niet naar de hogeschool gegaan?”

“Iedereen zegt me dat ik mijn studententijd zal missen, maar het kan alleen maar beter gaan. Ook op het werk zal ik goed op mezelf moeten letten, maar daar evalueren ze je niet met punten. Tegenslagen zullen er altijd zijn, maar dan heb ik toch maar mooi dat diploma achter de hand.”


Wietverslaafd

Rilke (22) zit in zijn eerste, tweede én derde jaar handelsingenieur aan de Universiteit Gent.

Rilke: “In de eerste helft van mijn eerste jaar ging alles goed. De unief leek me op het lijf geschreven: gewoon goed plannen en ’s avonds op tijd van het café naar mijn bed. Alles ging zoals verwacht, tot mijn lief het plots uitmaakte. Dat heeft mijn leven op zijn kop gezet. Het eerste semester was ik er nog door voor vier vijfde van de vakken, maar in het tweede semester was ik over de hele lijn gezakt. Ik kon me niet concentreren, hoezeer ik het ook probeerde.”

“Ik wilde mijn hersenen verdoven zodat ik niet constant zou piekeren. Ik voelde mij vaak te dom om te studeren. Ik rookte elke dag een paar joints en zat meer op café dan aan mijn bureau. Ik zocht zo veel mogelijk afleiding om toch maar niet te moeten studeren. En ik was niet alleen. Ik zag goeie vrienden die op het randje balanceerden en zich in de drank en de pillen verloren. Sommigen zijn zelfs begonnen met harddrugs en zijn gestopt met hun studie.”

Kon je er met anderen over spreken?

Rilke: “Ik ging ervan uit dat mijn liefdesverdriet wel zou slijten, maar er waren dagen waarop ik mijn bed niet uitkwam of urenlang in de zetel bleef liggen. Mijn ouders maakten zich al snel zorgen. Ik was nors en stil, soms zelfs agressief als ik commentaar kreeg.”

“In de krant las ik toevallig een artikel over burn-outs bij middelbare scholieren. Misschien is dat het, dacht ik bij mezelf.”

Vond je begrip toen je over je burn-out praatte?

Rilke: “Veel mensen dachten dat ik gewoon lui was. Met mijn ouders heb ik open kaart gespeeld. Ik heb hun alles verteld, ook over de drank en de drugs. Ze steunden me toen ik afkickte van mijn wietverslaving en ze hebben oneindig veel geduld gehad. Ze hadden evengoed kunnen zeggen: ‘Je kunt het duidelijk niet, stop maar met je studie en ga werken.’”

“Ik heb het ook tegen een aantal vrienden verteld, en de meesten reageerden eerst sceptisch. Maar toen enkelen van hen ook in een depressie belandden door de studiedruk of door persoonlijke problemen, hadden ze plots wel begrip voor mijn situatie.”

Je was intussen aan je tweede jaar begonnen, maar je had nog zes vakken uit het eerste jaar af te werken. Hoe kon je dat bolwerken?

Rilke: “Ik schreef me in voor een geïndividualiseerd traject. Achteraf bekeken had ik beter gewoon mijn eerste jaar opnieuw gedaan, maar ik wilde het toch proberen. De universiteit en mijn ouders moedigden me daar ook in aan. Ik voelde toen al, op mijn 19de, dat ik in een ratrace zat. Ik ben altijd ambitieus geweest en had hard gewerkt op de middelbare school, maar ik begon steeds meer te twijfelen aan mezelf en mijn capaciteiten. Ik kan het niet bolwerken, dacht ik telkens.”

Wat was er zo moeilijk aan dat geïndividualiseerde traject?

Rilke: “Doordat ik in het derde jaar nog vakken van de voorgaande jaren had, waren er tal van overlappingen in het lessenrooster. Ik had bijvoorbeeld drie verschillende lessen op hetzelfde moment. Dat is makkelijk op te lossen als ik de videolinks van die lessen krijg, maar in mijn faculteit kan dat alleen als je een bijzonder statuut hebt, zoals dat van dyslexiepatiënt of van werkstudent. Met zo’n statuut kun je bovendien je examens zelf plannen, in overleg met de professor. Maar voor een statuut als werkstudent kom ik niet in aanmerking, omdat ik met dagcontracten werk.”

“Door de combinatie van mijn studie met een job heb ik al drie jaar het gevoel dat ik méér dan voltijds bezig ben. Ik heb al die tijd geen vakantie genomen, want door dat trajectsysteem loop ik constant achter de feiten aan. Terwijl ik de ene les inhaal, mis ik een andere. Ik heb haar op mijn tanden, maar ik kan mij inbeelden dat velen afhaken. Als je werkt tijdens je studie, uit ambitie of om de eindjes aan elkaar te knopen, ben je al snel de klos.”

Op welke manier heeft de universiteit je wel kunnen helpen?

Rilke: “Toen ik uiteindelijk de moed had gevonden om mijn situatie uit te leggen aan een studentenbegeleidster, vertelde ze me dat studeren haast onmogelijk is als je mentaal niet in orde bent. Het deed mij wel deugd om dat te horen.”

Je verwachtte meer tijd te krijgen om als 20-jarige student de obstakels in je leven te overwinnen?

Rilke: “Toch wel, ja. Kijk, mijn studie bemoeilijkt mijn leven niet, wel het volwassen worden. Er worden workshops gegeven waarin je in groep kunt praten, maar ze reiken nooit concrete oplossingen aan om de druk te verlichten. De manier van examineren helpt ook niet. In Scandinavië werken ze meer met taken en presentaties. Hier moet je een syllabus van zevenhonderd pagina’s blokken en dan stelt de prof vier vragen.”

“Ik zit in een fase van mijn leven waarin ik wil dromen over later en over de mens die ik wil worden. Maar dat moet ik nu al waarmaken. Men zegt dat het werkende leven een ratrace is, maar dat is de weg naar een diploma ook. Als je een persoonlijke tegenslag meemaakt en je het even niet meer weet, is het trajectsysteem niet de beste oplossing. Het is een bizarre paradox: in je studieperiode moet je jezelf kunnen ontplooien en je intellectueel verrijken, maar eigenlijk word je in een keurslijf gestopt waarin dat erg moeilijk te realiseren valt als je tegenslag kent.”

Hebben sociale media je geholpen?

Rilke: “Vroeger was ik een freak: ik postte elke dag stories op Instagram. Ik gooide mijn hele leven online. Maar als ik zelf down was, staken al die mooie plaatjes van anderen op Facebook en Instagram mijn ogen uit. Twitter vind ik een veel eerlijker medium. Iedereen scheldt er wel elkaar de huid vol, maar ik kon er ook de wereld laten weten dat ik me slecht voelde. Af en toe reageerden onbekenden met bagger, maar ik kreeg vooral veel steun. Twee jaar lang heb ik de hele dag getweet over mezelf, maar ook over politiek, bijvoorbeeld. Die tweets, en vooral de reacties erop, hebben me erdoor getrokken.”

“De beste les die ik aan mijn dip heb overgehouden, is dat ik me niet op mezelf mag terugplooien. Ik leef ook gezonder en blijf weg van mensen die negatief in het leven staan. En al wie in mij bleef geloven, ben ik eeuwig dankbaar.”


Fysiek contact

Uit onderzoek van het Studentengezondheidscentrum van de KU Leuven blijkt dat een derde van de eerstejaarsstudenten met psychische problemen kampt.

Rikka De Roy (diensthoofd Studentengezondheidscentrum KU Leuven): “De klachten variëren van uitstelgedrag en faalangst tot depressie en angststoornissen. Het aantal klachten neemt nog toe, niet alleen omdat er elk jaar meer studenten bij komen, maar ook omdat jongeren meer mentale klachten hebben dan vroeger.”

Sarah Vermeersch (studentenpsycholoog Universiteit Gent): “De drempel om hulp te zoeken is ook lager dan vroeger. Niet alleen verwijst de huisarts studenten sneller door, onze dienst wordt ook bekender. Toen ik studeerde, wisten we niet dat er een studentenpsycholoog was.”

“Ik zie geregeld studenten die zich al vóór de start van het academiejaar inschrijven voor een cursus tegen faalangst. Ze zijn zo bang om te falen dat ze niet durven te springen. Maar ze vergeten dat je ook uit een val veel kunt leren.”

Waarom voelen zoveel jongeren zich slecht in hun vel?

Vermeersch: “Je kunt er niet omheen dat onze samenleving steeds individualistischer wordt. We moeten succesvol zijn, er goed uitzien, mooie reizen maken en creatief zijn in de keuken. Als we die standaarden niet halen, zijn we niet goed bezig. Studenten voelen die druk ook. Ze leggen zichzelf doelen op, en als ze die niet halen, voelen ze zich mislukt.”

De Roy: “Als je vroeger slaagde aan de universiteit, was dat een overwinning. Vandaag zien studenten slagen als een evidentie en zakken als een onoverkomelijke mislukking.”

Ze voelen zich ook vaker eenzaam. Heeft dat te maken met het geïndividualiseerde studietraject dat velen volgen?

Vermeersch: “Dat is mogelijk. Als je vakken in verschillende jaren volgt, vind je misschien minder makkelijk aansluiting bij de groep. Maar los daarvan stel ik vast dat studenten elkaar niet zoveel fysiek ontmoeten. Op Instagram een foto liken van een vriendin op vakantie in Mallorca is niet hetzelfde als samen een wandeling maken.”

De Roy: “Ook op kot gaan is geen garantie voor een bloeiend sociaal leven. Studenten willen meer comfort, en dus een studio met een kookhoek en sanitair. Gemeenschappelijke ruimtes zijn niet langer de norm. Die zijn nochtans nuttig als je een nieuw netwerk wilt opbouwen.”

Wat doen universiteiten om studenten te ondersteunen?

De Roy: “We nodigen alle eerstejaarsstudenten uit voor een gesprek over hun mentale welbevinden, hun studietechnieken, het kotleven, enzovoort. We hebben ook een buddyprogramma opgestart, Mind Mates: studenten krijgen een meter of een peter toegewezen met wie ze allerhande activiteiten doen om hun veerkracht te verhogen.”

Vermeersch: “We moeten studenten weerbaarder maken en geven daarom trainingen in groep. Als we merken dat mentale problemen een andere oorzaak hebben dan de studie, zoals een precaire thuissituatie, verwijzen we de student door naar gespecialiseerde hulp. We laten niemand in de kou staan.”

(*) De gebruikte namen zijn schuilnamen.

© HUMO

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234