Maandag 24/02/2020

Een Oost-Europees land met een versufte bevolking

Robert D. Kaplan legt de Balkan-realiteit achter de Griekse mythe bloot

door Piet de Moor

Robert D. Kaplan

Het Spectrum, Utrecht, 324 p., 790 frank.

Zelfs Lord Byron heeft niet kunnen verhinderen dat onze visie op Griekenland helemaal romantisch vertekend is door onze klassieke opleiding. Byron had immers een grondige hekel aan de wetenschappers die het oude Griekenland bestudeerden. Hij noemde ze "verwijfde zeikerds", die "ouderwetse onzin" uitkraamden. Byrons verknochtheid aan Griekenland was gebaseerd op een reële kijk op het land, niet op een mythe. Maar wat verbindt dan de moderne Grieken met het klassieke Hellas? Niets, schreef ooit Philip Sherrard, vertaler van moderne Griekse poëzie, in zijn studie The Wound of Greece: Studies in Neo-Hellenism: "Het Griekenland van de klassieke erfenis en de romantische graecofiel is verdwenen. Het heeft nooit iets te maken gehad met de Griekse werkelijkheid." In Balkanschimmen zoekt de Amerikaanse journalist Robert D. Kaplan naar de realiteit die achter de mythe schuilgaat. Hij komt tot de conclusie dat Griekenland - onberoerd als het is door Middeleeuwen, Renaissance en Verlichting - een onvervreemdbaar bestanddeel is gebleven van de Balkan, meer nog, dat het uitgerekend het land is dat de Balkan nog het best symboliseert en verklaart.

Het is op zich al vreemd dat zo'n voor de hand liggende bewering ons uit het lood slaat. We weten immers allemaal dat Griekenland geografisch tot de Balkan behoort, daarvoor hoeven we niet eens een atlas open te slaan. Maar dat Griekenland de spirituele mentor zou zijn van de Balkan-mentaliteit is een bewering waar ons sentiment zich instinctief tegen verzet. Dat is niet alleen het resultaat van onze klassieke opvoeding, maar ook van een hele reeks andere oude en recente verdraaiingen die we in het Westen voor zoete koek hebben geslikt. De Griekse strijd tegen de Turken in de negentiende en de twintigste eeuw werd in het Westen inderdaad geromantiseerd als een gevecht van het licht tegen de duisternis. Die mythe kreeg nieuw voedsel na de Tweede Wereldoorlog, toen Griekenland na een bloedige burgeroorlog als enige Balkan-land in de Navo werd gehesen en, in tegenstelling tot Turkije, een volwaardig lid werd van de Europese Gemeenschap.

De vervorming van ons Griekenland-beeld bereikte volgens Kaplan haar hoogtepunt in de late jaren vijftig en begin jaren zestig toen, als voorbode van drugscultus en seksuele revolutie, schrijvers als Lawrence Durrell (Prospero's Cell, The Alexandria Quartet) en Henry Miller (The Colossus of Maroussi) een enorme propagandistische prikkel gaven aan de aantrekkingskracht die Griekenland in het Westen begon uit te oefenen. Dat fenomeen bereikte een ongehoorde piek toen in 1960 een film als Nooit op zondag (Jules Dassin, met Melina Mercouri) ertoe bijdroeg dat het aantal toeristen in een jaar tijd met achthonderd procent toenam. Al wat niet in de Griekenland-mythe paste, werd onder tafel geveegd, ook de smakeloze manier waarop de Grieken de herinnering aan de aanwezigheid van de joods-sefardische meerderheid in de Grieks-Macedonische havenstad Thessaloniki - in 1913 telde de stad 157.000 inwoners, van wie 80.000 joden - trachtten uit te wissen. De misschien grootste joodse begraafplaats ter wereld werd in Thessaloniki onder een laag beton bedolven en is nu een pretpark waar elk jaar een handelsbeurs wordt georganiseerd. Zelfs geen gedenksteen herinnert aan dat joods verleden. Zelden verneem je iets over het drama van de Griekse joden die door de nazi's massaal uit Thessaloniki naar de vernietigingskampen werden gesleept. De Grieken horen niet graag dat de hoofdstad van Grieks-Macedonië niet altijd etnisch zuiver is geweest. In werkelijkheid was Thessaloniki tot ver in de twintigste eeuw een van de meest uitgesproken multi-etnische steden op de Balkan.

Kaplan is allicht de geknipte persoon om te zeggen waar het in Griekenland op staat. De journalist komt uit Amerika, een grootmacht waarmee Athene vooral in de jaren tachtig erg moeilijke betrekkingen heeft onderhouden. Kaplan is in Griekenland getrouwd, heeft er van 1982 tot 1987 gewoond, leest en spreekt de taal. Van al die ervaringen heeft zijn "geheime geschiedenis" van Griekenland geprofiteerd. Voor Kaplan is het huidige Griekenland eerder een kind van Byzantium en het Turkse despotisme dan van het Athene uit het tijdperk van Pericles.

Het viel de auteur meteen op dat de Grieken in hun koffiehuizen nooit zanikten over het verlies van de oude kunstschatten die de Britten uit het Parthenon hadden geroofd, maar dat ze erg opgewonden raakten als kwesties ter sprake kwamen als de positie van de Griekse minderheid in Albanië, de aanwezigheid van de Turken op Cyprus en de vraag naar de betekenis en de bestemming van Constantinopel, zoals de Grieken de Turkse stad Istanbul hardnekkig blijven noemen. Daarom is, aldus Kaplan, niet het Parthenon het symbool van de moderne Griekse identiteit, maar de Hagia Sophia, de museum-kathedraal die oprijst in Istanbul. Dat monument belichaamt de Griekse hunkering naar het verleden en het is geen toeval dat de patriarch van de Grieks-orthodoxe kerk niet in Athene zetelt, maar in Constantinopel, waar hij een simpel houten gebouwtje in een onooglijk straatje betrekt.

Zelfs het Griekse communisme was gedrenkt in de saus van de Byzantijnse orthodoxie. De Griekse partizanen zagen Rusland niet alleen als de bakermat van hun ideologie, maar ook als een tweede vaderland dat sinds de val van Byzantium in 1453 al altijd de oosters-orthodoxe naties tegen de Turken had beschermd. Moskou koesterden ze als het derde Rome, een romantisch beeld dat na de oorlog zelfs niet meer door de Roemenen of Bulgaren aangehangen werd.

Het is soms tragikomisch om Kaplan die oude Byzantijnse lijn te zien doortrekken naar zowel de Griekse kolonels die in 1967 de koning wegstuurden en een dictatuur vestigden, als naar de uit Amerika teruggekeerde Andreas Papandreou, die in ballingschap de linkse beweging PASOK had opgericht waarmee hij na zijn terugkeer in de jaren tachtig van Griekenland een gekkenhuis maakte. Er werd toen geregeerd in een klimaat van personencultus en nepotisme, obsessief anti-Amerikanisme en antikoloniaal obscurantisme (dat zich uitdrukte in openlijke sympathie voor Idi Amin en Muammar Khaddafi), van chauvinisme en xenofobie. Om zich te handhaven hanteerde Papandreou een extreem populisme dat, zoals in Perons Argentinië, steunde op de armste en vaak zelfs criminele lagen van de bevolking. De tomokratia (terrorisme) kreeg vrij spel in de straten van Athene, waar het uitpuilde van de Libische en Palestijnse heethoofden: Abu Nidal bestuurde in de Atheense Solonostraat ongehinderd de im- en exportfirma Al Noor, wat natuurlijk een dekmantel was voor wapensmokkel en terroristische activiteiten. Athene was de speeltuin van Griekse terreurgroepen met excentrieke namen als Wilde Ganzen van de Stad en Anarchistische Groep van Iconoclasten-Nihilisten.

Onder Papandreous beleid, dat gebukt ging onder corruptie, onbekwaamheid en schijnheiligheid, werden particuliere bedrijven geplunderd en tot de bedelstaf gebracht. Tegen PASOK-leden die Papandreou kritiseerden werden lastercampagnes gelanceerd in de door de partij beheerste media. Afluisterpraktijken, openbare en private schandalen, geknoei met het milieu, wilde stakingen, chaos, stroomuitval en vooral de Griekse onwil om de veiligheid van Amerikaanse burgers te waarborgen, gaven uiteindelijk in de tweede helft van de jaren tachtig de doodsteek aan de mythe van Griekenland als een paradijselijk vakantieland dat zich ontwikkelde in een westerse, Mediterraan-Helleense sfeer. Kaplan: "In de herfst van 1990 was Griekenland weer net zozeer een deel van de Balkan als in de tijd van de Ottomaanse heerschappij in het begin van de 19de eeuw. Het was gewoon een Oost-Europees land, met een versufte bevolking die niet was opgewassen tegen de harde buitenwereld, waar het niet ging om vergane glorie en 'philotimo', maar om efficiëntie en hard werken."

Het is een opvallende paradox dat Griekenland Oost-Europa had "ingehaald" juist op het ogenblik dat de Muur werd weggespoeld. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. De Griekse Balkan-ziel brak helemaal naar buiten in 1992, toen honderdduizenden Grieken in de straten van het lelijke, door vuilniszakken en uitlaatgassen bezwijkende Thessaloniki marcheerden om te protesteren tegen de toedracht dat een ex-Joegoslavische provincie aan de noordelijke grens het zou wagen om zich als nieuwe staat met de naam Macedonië te tooien. De Griekse politieke houding in etnische en nationale kwesties bleek uiteindelijk niet redelijker te zijn dan die van de buurlanden in het noorden die in het algemeen geen democratische tradities hadden.

Voor Kaplan is het huidige Griekenland eerder een kind van Byzantium en het Turkse despotisme dan van het Athene uit het tijdperk van Pericles

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234