Donderdag 19/09/2019

Een onbedoeld debuut

JANKO DE MUZIKANT, 2

De dag koelt in stilte af.
De avond wordt kil.
De wind dooft ons voorhoofd.
En de stem verdwaalt, de stem scheurt -te moeilijk om te roepen.
Stilletjes vraag ik:
Kom je terug? ... Morgen?
Het kaarsje met 't lontje in tranen van was schrijft de tijd van afscheid.
Jouw enorme, tot het plafond reikende schaduw die met de hand een gebaar maakt en - salueert:
Ik kom terug. MORGEN.
Wislawa Szymborska, uit:Zwart lied, Meulenhoff, 2017

Dichteres Ellen Deckwitz doet elke week haar ding met proza en poëzie

Hoe vaak overkomt het je tegenwoordig nog dat je door een poëziedebuut opeens morele bezwaren hebt? Ik kreeg ze door de geïntendeerde eersteling van nota bene een Nobelprijswinnaar: Zwart lied, van de Poolse Wislawa Szymborska (1923-2012), een postuum uitgebrachte stapel gedichten die werden geschreven tussen 1944 en '48. Op de achterkant valt te lezen dat dit de bundel is die haar debuut had moeten worden, maar dat dat om onduidelijke redenen niet is gebeurd.

Dan gaat het bij mij al een beetje kriebelen. Szymborska was notoir kritisch op haar schrijven: niet voor niets nam ze uit de eerste twee bundels geen enkel gedicht op in haar verzameld werk. De Poolse journalist Joanna Szczesna, die het voorwoord leverde, schrijft dat Zwart lied ons een blik gunt 'in de kroes waarin het edelmetaal van (Szymborska's) poëzie werd gesmolten'. Met andere woorden: beginnerswerk. Had dit dan wel mogen worden uitgebracht?

Want je ziet aan veel in deze bundel dat het onrijp werk betreft. Er zijn van bombastiek uit elkaar spattende regels als 'lachwekkend schreeuw ik in jouw verbaasde ogen'. Soms wordt er met zo veel lege begrippen gestrooid dat je er geen touw aan vast kunt knopen: 'en aldus staande op rotsen... in verwondering boven de haat/ zullen ze de wereld vijf windrichtingen geven / het vaderland wordt de vijfde.'

Szymborska staat bekend om haar heldere, toegankelijke poëzie, maar deze verzameling verzen leest soms stroever weg dan een vergaderverslag van het Europees Parlement.

Bundel drie

Er zijn gelukkig ook lichtpunten. In ieder vers schemert de Szymborska die we kennen. Neem het bijzondere gedicht dat hierboven staat, met dat prachtige beeld van die kaarslont in een badje van wassen tranen, en het in kapitalen gezette 'morgen' dat de wanhoop van oorlog alleen nog maar onderstreept. Er zijn regels als 'de jongen/ wiens lippen het bloemenexamen niet gehaald hebben' of 'ik ben hier niet uit rebellie;/ slechts / om vuurrestjes te laten gloeien, / hun rillingen uit de wind te houden.' Om de pagina kom je in deze bundel wel een leuk beeld of idee tegen, waardoor je je toch niet helemaal bekocht voelt.

Maar goed, dat heb ik eigenlijk wel met elk debuut dat ik tot me neem. Ik sprak daar eens met Gerrit Komrij over. "Ach kind," zei hij, ondertussen de gespierde bovenarm van mijn vriendje bepotelend, "pas vanaf bundel drie hoef je te weten wat je doet." Dat zou Szymborska hebben beaamd.

Een poëziedebuut is meestal een verzameling toevalstreffers. Dat maakt eerstelingen ook zo leuk: het houdt een belofte in en springt tegelijkertijd nog lekker uit de bocht. Bij een postuum uitgebracht werk als Zwart lied heb ik vooral plezier in het lezen gehad doordat ik wist dat het van Szymborska was. Het voelde als een clandestiene kijk achter de schermen. Het kan niet tippen aan de humor, overtuiging en fantasie die uit de rest van haar oeuvre spreekt.

Gelukkig wist Szymborska na bundel drie precies wat ze deed. Al het werk wat ze daarvoor schreef, lijkt in vergelijking een woud van bonsaiboompjes: groen, vol sapstroom en takjes die tot de hemel willen reiken, maar dat nog niet kunnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234