Dinsdag 15/06/2021

Een offer van licht

Wat bezielt een mens om zichzelf rijkelijk met kerosine te overgieten, naar een kruispunt, stoepa of klooster te lopen en vervolgens een lucifer af te strijken? Sinds 2009 stierven al 95 Tibetanen door het vuur, waarvan 28 vorige maand.

Toegegeven, zelfverbrandingen zijn van alle tijden en culturen. Oxford-onderzoeker Michael Biggs documenteerde niet minder dan 533 gevallen tussen het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw en 2002. Een aantal daarvan staat in ons collectieve geheugen gegrift. Neem de Zuid-Vietnamese boeddhistische monnik Thich Quang Duc, die zichzelf in juni 1963 in brand stak uit protest tegen de vervolging van zijn geloofsgenoten onder het Diem-regime. Of de Tsjecho-Slowaakse studentenleider Jan Palach, die zes jaar later op gelijkaardige wijze protesteerde tegen het bloedige neerslaan van de Praagse Lente door Sovjettroepen. En wie herinnert zich Mohamed Bouazizi niet? De zelfverbranding van deze Tunesische handelaar in december 2010 ontketende revoltes in de hele Arabische wereld en eindigde uiteindelijk in de onttroning van Ben Ali, Mubarak, Saleh en Khadafi.

En toch is wat zich momenteel op het Tibetaanse hoogplateau afspeelt, absoluut ongezien. Sinds februari 2009 hebben 82 mannen en 13 vrouwen zichzelf met kerosine overgoten en in brand gestoken. In 2011 is het 11 keer gebeurd, sinds begin dit jaar al 83 keer en de frequentie neemt duidelijk toe. In november waren het er 28 en de teller voor deze maand staat al op 5.

Het zijn vooral tieners en Tibetanen van vooraan de twintig die voor de vuurdood kiezen. Slechts in 16 van de 95 gevallen betrof het mensen van dertig of ouder. Het gros van hen deed dat in de door Chinese veiligheidstroepen haast hermetisch afgegrendelde Tibetaanse regio's van de westelijke provincies Sichuan, Qinghai en Gansu. En dus niet: in de Tibetaanse Autonome Regio, waar de repressie sinds de onlusten van maart 2008 zo mogelijk nog stringenter is.

De monniken, nonnen en leken voltrokken hun wanhoopsdaden op grote afstand van buitenlandse journalisten en tv-ploegen. De filmpjes die sporadisch toch opduiken, zijn met mobieltjes gemaakt. Ze zijn het werk van toevallige omstaanders, die inderhaast filmden en hun opnames vervolgens onder groot risico naar buiten smokkelden. Naar de Tibetaanse regering in ballingschap, in het Indiase Dharamsala. Of naar steungroepen als de International Campaign for Tibet (ICT), die deze week het lijvige rapport Storm on the Grasslands publiceerde.

Op de veelal onscherpe beelden bewegen brandende gedaantes. Ze wankelen, roepen en rollen zich over de grond. Tibetaanse voorbijgangers haasten zich naar hen toe en ook de omipresente Chinese veiligheidstroepen laten niet lang op zich wachten. Ze komen aangelopen met knuppels, dekens en brandblussers in de aanslag.

Niet zelden volgt een handgemeen. De agenten willen het bewuste individu inrekenen en afvoeren, ongeacht of hij of zij nog in leven is. De Tibetaanse omstaanders laten zich niet onbetuigd. Zij kennen de verhalen van Chinese ziekenhuizen waar behandeling wordt geweigerd zolang er geen frauduleuze bekentenis werd ondertekend.

Bovendien, het gros van de zwaar verbranden haalt de volgende ochtend niet en voor Tibetanen is het fundamenteel dat er voor de overledene speciale gebeden en ceremonieën worden uitgevoerd. Die zorgen immers voor de overdracht van diens bewustzijn op het pad van een voorspoedige wedergeboorte. Precies daarom hebben zowel burgers als monniken al herhaaldelijk hun leven geriskeerd om de nagenoeg verkoolde lichamen van hun volksgenoten voor Chinese confiscatie te behoeden en naar een nabijgelegen klooster te brengen, waar in de daaropvolgende uren honderden tot zelfs duizenden aankomen om hun respect te betuigen.

Wat daarna gebeurt, wordt doorgaans niet gefilmd. Dat weten we alleen uit communiqués en onderzoek van steungroepen en mensenrechtenorganisaties. "De Chinese veiligheidstroepen vergrendelen de omgeving, het internet wordt afgesloten en binnen een straal van 50 kilometer is geen gsm-verkeer meer mogelijk", zo staat in het ICT-rapport te lezen. "De nabestaanden van het slachtoffer worden gearresteerd en niet zelden naar werkkampen gestuurd." Alleen de bereidheid om publiekelijk te verklaren dat speelschulden, huwelijksproblemen of een algemene staat van psychologische instabiliteit aan de wanhoopsdaad ten gronde lagen, kan hen voor een dergelijk lot behoeden. Maar het gros weigert daar op in te gaan.

Martin Luther King

"Zichzelf verbranden is het bewijs dat wat men zegt van het grootste belang is", zo schreef de Zuid-Vietnamese boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh naar aanleiding van de vuurdood van zijn collega in de vroege jaren zestig in een brief aan Martin Luther King. Maar wat zeggen ze dan, de Tibetanen die in steeds grotere getale de hand aan zichzelf slaan?

"Wat opvalt", zo meent ICT-onderzoekster Kate Saunders, "is dat de meesten zichzelf in brand steken in de buurt van kloosters of stoepa's en niet zelden een gebedshouding aannemen. Daarmee drukken ze het primordiale belang van religie uit. Velen dragen de zo streng verboden foto's van de dalai lama met zich mee. Stervend uiten ze vaak de hoop dat hun in 1959 naar India gevluchte spirituele leider naar zijn geboortegrond kan terugkeren en dat een einde komt aan de niet-aflatende Chinese campagnes.

"Een groot deel heeft het ook over het bedreigde voortbestaan van de Tibetaanse taal en cultuur. Het terugschroeven van het onderwijs in het Tibetaans en de verplichte installatie van Chinese werkteams in alle Tibetaanse kloosters wekken grote aversie op en zijn contraproductief. Hoe harder Tibetaanse burgers worden verplicht om hun spirituele leider af te vallen en de Chinese Communistische Partij te omarmen als ultieme brenger van geluk en ontwikkeling, hoe groter de wanhoop en de verbetenheid."

"De meeste mannen en vrouwen die zichzelf in brand steken, richten zich niet tot de internationale gemeenschap of tot de Chinese overheid maar tot hun volksgenoten. Ze roepen hen op om zich te verenigen en te strijden voor het behoud van de door Peking als achterlijk beschouwde Tibetaanse cultuur."

Tang op een varken

Wie de talloze rapporten leest, moet wel concluderen dat Pekings Tibetbeleid past als een tang op een varken. Prioritair is de verbetering van de infrastructuur en de ontginning van grondstoffen, in een kader van 'herschepping' van de regio waar de bevolking geen zeg of bijdrage in heeft. Centraal staat 'weiwen', de 'handhaving van de socio-politieke stabiliteit', wat zich op zijn beurt vertaalt in een "oorlog tegen de separatische sabotage van de dalai-kliek".

Bijgevolg blijven de veiligheidsuitgaven in Tibetaanse gebieden almaar stijgen. Waren ze in per capita-termen tussen 2002 en 2006 al drie keer zo hoog als in niet-Tibetaanse regio's, vanaf 2008 was dat zelfs 4,5 keer. Tienduizenden soldaten en leden van veiligheidstroepen en werkteams vestigden zich min of meer permanent in de hele regio maar voor rust en harmonie lijken ze niet te zorgen. Sterker nog, in een rapport uit oktober 2011 concludeert Human Rights Watch dat "de verhoogde veiligheidsuitgaven juist lijken bij te dragen aan de onrust en de escalatie".

Er onstaat een algemeen klimaat van angst en onderdrukking. Of zoals een lokale Tibetaanse functionaris het stelde: "Wie Tibetaanse kleren draagt, mag het partijgebouw niet binnen, wie Tibetaans spreekt, is het voorwerp van achterdocht. Onze partijvoorzitter meent dat Tibetaanse klederdracht alleen geschikt is voor theater en hij ziet het spreken van Tibetaans als een vorm van ontrouw."

In de almaar langere lijst van zelfverbrandingen valt het hoge aantal acties in Aba op, een district in de provincie Sichuan. Het is daar dat de eerste monnik nu bijna vier jaar geleden de lucifer afstreek. En hoewel er ondertussen in alle Tibetaanse gebieden zelfverbrandingen plaatsvonden, bleef Aba de frontlinie van de strijd, goed voor een incident op de drie.

Kirti Rinpoche, de naar India gevluchte gewezen abt van Aba's beroemdste klooster, Kirti, legde voor de Tom Lantos Commissie voor Mensenrechten in Washington in november van vorig jaar uit waarom dat niet toevallig is. Hij noemde Aba "de historische wonde, de eerste plaats waar Chinese troepen Tibetaanse kloosters aanvielen. Mao Zedong marcheerde tijdens de Lange Mars in 1935 door Aba en zijn soldaten vernietigden het Lhateng-klooster, waar tweeduizend monniken woonden. Vervolgens trokken ze naar andere religieuze centra in het district. Ze moordden en namen graan en kostbaarheden mee, wat leidde tot de eerste hongersnood in Tibet."

Saunders wijst er op dat de Tibetaanse gebieden in Sichuan, Qinghai en Gansu van oudsher nationalistisch en strijdlustig zijn en dat Aba wegens zijn sterke concentratie van kloosters en monniken bovendien een religieus zwaartepunt is.

"Het is ook daar dat veiligheidstroepen twee dagen na de rellen in Lhasa in maart 2008 achttien ongewapende betogers doodschoten. De tweede zelfverbranding vond overigens op de derde verjaardag van dat bloedbad plaats. En het is de afhandeling van deze zaak, die de hele regio in lichterlaaie zette. Honderden monniken hebben met stokken gestreden om de zwaarverbrande jonge monnik Phuntsog uit de handen van de veiligheidstroepen te houden. Na zijn crematie werden de meesten van hen in vrachtwagens afgevoerd en luttele maanden later werden drie van Phuntsogs vrienden en verwanten tot celstraffen van tien tot dertien jaar veroordeeld wegens moord. Ze hadden de jongeman zogenaamd tot deze daad aangezet, een beschuldiging waarvoor we tijdens ons onderzoek geen enkele grond hebben gevonden."

In leven blijven

95 zelfverbrandingen. Mannen en vrouwen die hun leven offerden als betrof het een boterkaars. Hoe reageert de Tibetaanse gemeenschap daar op? Saunders: "In het huidige klimaat van censuur, angst en een erg gebrekkige toegang tot de hele regio weten we vaak niet wat mensen echt denken. Ze sluiten de rangen. Ik ben ook niet zeker dat ze in staat zijn om de consequenties te overzien. Zeker niet als het moeders of vaders van kleine kinderen zijn die zichzelf in brand steken, wat de voorbije maanden een paar keer is gebeurd. Maar algemeen zien we veel blijk van respect voor dit ultieme offer, wat zich vertaalt in giften en steunbetuigingen."

Toch zijn de zelfverbrandingen controversieel. Zo stelde de in Peking wonende Tibetaanse schrijfster Woeser in een brief op 8 maart van dit jaar dat "de 26 doden die al gevallen zijn, meer dan volstaan om de boodschap over te brengen. Om voor de rechten van de Tibetanen en voor de Tibetaanse cultuur te strijden, moeten we vooral in leven blijven." Ook de Tibetaanse regering in ballingschap heeft al herhaaldelijk opgeroepen om niet meer aan zelfverbrandingen te doen. En de dalai lama zelf zei de acties wel te begrijpen maar hij hoopte dat ze zich niet meer zouden voordoen en vroeg Peking met aandrang om te oorzaken ervan te onderzoeken.

Veel impact lijken die oproepen evenwel niet te hebben. "Het enige wat echt zal helpen", gelooft Saunders, "is een Chinese koerswijziging. Een einde aan de patriottische opvoedingscampagnes bijvoorbeeld. En een heropstarting van het in 1994 gelanceerde overleg met de dalai lama. De laatste ontmoeting had in januari 2010 plaats."

De tijd dringt, de dalai lama is 77. Of het Tibetaanse verzet na zijn dood geweldloos zal blijven, is nog maar de vraag.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234