Woensdag 12/05/2021

ReportageMedia

Een nieuwe morgen voor ‘Le Soir’

'Le Soir'-hoofdredacteur Christophe Berti: ‘Onze groei zit bijna volledig digitaal. En daar ben ik nog het meest blij mee.’ Beeld © Eric de Mildt
'Le Soir'-hoofdredacteur Christophe Berti: ‘Onze groei zit bijna volledig digitaal. En daar ben ik nog het meest blij mee.’Beeld © Eric de Mildt

Het afgelopen jaar legde Le Soir hoegenaamd geen windeieren. Twintig procent extra lezers maakte de krant tot de grootste in het zuiden van het land, en dat als kwaliteitsblad. Wat zegt dat over de krant zelf én over Franstalig België?

Champagnekurken zijn er niet geknald. Een feest is er niet geweest. Hoogstens een klein vreugdedansje op de thuiswerkstoel, ieder achter zijn eigen laptop, in zijn eigen huiskamer, tijdens de zoveelste Zoom-meeting. “Wonderlijk eigenlijk, dat we zo al een jaar kranten maken”, zegt Le Soir-journaliste Véronique Lamquin daarover. “Maar dat lukt dus echt.”

En geen klein beetje: de nieuwe cijfers van het Centrum voor Informatie over de Media (CIM), die vlak voor de paasvakantie bekend raakten, zijn een ferme opsteker voor het team van hoofdredacteur Christophe Berti. Hij staat sinds 2013 aan het roer van de van oorsprong Brusselse krant, die haar afzetmarkt vandaag voor de helft bij de hoogopgeleide progressieve grootstedelingen in de rest van Franstalig België vindt.

Met liefst 20 procent groeide de oplage van Le Soir het afgelopen jaar en daarmee is ze na uw krant (de verkoop van De Morgen nam in 2020 met 23 procent toe) de sterkste stijger in het Belgische krantenlandschap.

Steve Paulussen, professor Media en Journalistiek aan Universiteit Antwerpen, vindt dat niet zo verbazend. Hij verwijst naar de cijfers van de andere kwaliteitskranten, zowel in België als daarbuiten. “Het is een internationaal fenomeen: ook in onze buurlanden en de VS bijvoorbeeld profiteren de kwaliteitskranten van de coronacrisis. Meer mensen zijn geïnteresseerd in nieuws en kwaliteitsmedia kennen daardoor veel meer dan andere nieuwstitels een boost.”

De actualiteit heeft er sowieso veel mee te maken, geeft ook Berti aan. Sinds de crisis een dik jaar geleden losbarstte, zette hij vijftien van zijn ongeveer honderd mensen fulltime op de verslaggeving van de coronapandemie, ieder met zijn eigen specialisatie. “En daarnaast zijn er een aantal samenwerkingen die ons bij het brengen van zeer goede journalistiek enorm helpen. Dankzij LENA, de Leading European Newspaper Alliance, wisselen wij ieder weekend de beste stukken uit met kranten als Le Figaro, El País, Die Welt en la Repubblica. We zitten ook in twee onderzoeksconsortia, waardoor we zowel de Panamapapers als Footballeaks konden uitbrengen.”

Maar alleen door de gedegen berichtgeving zijn die 20 procent extra lezers ook niet komen aanwaaien, beseft hij. “We zien het heel duidelijk in de cijfers: onze groei zit quasi volledig digitaal. En eerlijk, daar ben ik nog het meest blij mee. Het is fijn dat we de grootste Franstalige krant zijn, maar ik vind het nog veel belangrijker dat we de grootste digitale krant zijn.”

Die wending van papier naar digitaal zette Le Soir vijf jaar geleden in. Pás dan, zou je kunnen zeggen, want veel later dan het gros van de Vlaamse kranten, maar wel sneller dan de concurrentie in het eigen taalgebied. Die aanpak loont nu. Van de 99.000 Franstalige lezers met een digitaal abonnement, hebben 41.000 er eentje op Le Soir. “Bovendien komt een kwart van onze lezers bij ons terecht door op onze nieuwsbrieven te klikken”, zegt Berti. “Dat is een gigantisch hoog aantal en een bewijs dat we niet voor niets zo hard op die newsletters gewerkt hebben.”

Vintage verzuiling

En zo kom je na vele gitzwarte jaren als krant plots aan 73.031 exemplaren gemiddeld per dag en de titel van marktleider in je taalgebied. Er was nochtans een tijd dat er van Le Soir, met haar 134 jaar geschiedenis la vieille dame van het Franstalige krantenlandschap, vlotjes 200.000 exemplaren over de toonbank gingen. Het was in een tijd dat ook de andere Franstalige titels nog een veelvoud van hun oplage verkochten, dat de verzuiling nog standhield en internet met sciencefiction gelijkstond.

Maar intussen zijn de jaren 1980 vintage en kan wie erna geboren is zich niet meer voorstellen dat er een wereld was zonder het web. Nieuws werd gratis, kranten schudden rode, blauwe, Vlaamsgezinde en in het geval van Le Soir franskiljonse FDF- (nu DéFI-)stempels van zich af en de krantenmarkt stortte als een kaartenhuis in.

Overal, maar in Wallonië nog net iets harder dan elders en met de kwaliteitspers voorop. Jaar na jaar zag Le Soir hoe er grote happen uit haar lezerspubliek werden genomen. Tot ze een klein krantje was geworden.

Vandaag denkt gewezen hoofdredactrice en nog steeds journaliste bij de krant Béatrice Delvaux voor een stukje te kunnen verklaren hoe dat kwam. “We hebben zo lang op de Franse media gefocust. Dat waren onze voorbeelden, we spiegelden ons aan hen op een moment dat ze al lang geen voorbeeld meer waren. In het Verenigd Koninkrijk, dáár deden ze vooruitstrevende dingen op krantengebied. In Nederland was NRC Handelsblad volop aan het innoveren. En nog veel dichter bij huis, in Vlaanderen, gebeurden fantastische dingen”, zegt ze.

Krantenwinkel in Spa: door de pandemie worden er meer kranten verkocht dan de laatste jaren. Beeld © Eric de Mildt
Krantenwinkel in Spa: door de pandemie worden er meer kranten verkocht dan de laatste jaren.Beeld © Eric de Mildt

“De herbronning van De Morgen onder Yves De­smet, de herpositionering van De Standaard onder Peter Vandermeersch, de heruitvinding van De Tijd. Het heeft even geduurd vooraleer we het zagen, maar als hoofdredacteur heb ik wel beseft: dat is de kant die wij ook uit moeten. Als de Vlaamse kranten het kunnen, dan wij toch ook?”

Al was die transformatie niet zo simpel, erkent Delvaux. Uitgevers moeten meewillen, in een nieuwe koers geloven en daarvoor centen op tafel willen leggen. Dat was lang niet het geval.

Opsteker

“We moesten na de komst van het internet op zoek naar een nieuw economisch model”, zegt Delvaux. “Papier was in vrije val, kranten waren op zoek naar hun bestaansreden. Ze zwalpten tussen entertainment en content. Journalisten zelf hebben nooit getwijfeld aan wat de juiste optie was, maar bij de directie en de aandeelhouders lag dat anders. Die waren het geloof en de hoop kwijt.”

En precies daarom is Delvaux zo blij met de heropleving vandaag. “Maar noem die groei van 20 procent nu alsjeblieft niet het succes van Le Soir”, benadrukt ook zij. “We zijn op de goede weg, maar de weg is echt nog heel lang. Ik zie in de kentering van de cijfers, en de toename van de oplages van de andere kwaliteitspers, vooral het bewijs dat er nood is aan kwalitatieve journalistiek, dat mensen echt bereid zijn om hiervoor te betalen.”

En daar is ze, in tijden waarin fake news de wereld weleens dreigt te regeren, meer dan een beetje opgelucht over. “Content is back, godzijdank”, verzucht Delvaux. “We kunnen ons beroep weer doen, daar ben ik zo blij om. Er zijn momenten geweest waarop ik dacht dat ik dat niet meer zou meemaken. On a cru mourir, mais on n’est pas mort, on est toujours là et en beauté. Dit is een opsteker, ook voor de uitgevers. Het loont om in journalistiek en in degelijke journalisten te investeren. Ook dat laatste was een hele tijd niet prioritair.”

Een opsteker is het zeker, vindt ook professor Paulussen. “Tel je de oplagecijfers van de Franstalige kwaliteitskranten samen, dan zie je dat die relatief vergelijkbaar zijn met die van de kwaliteitskranten in Vlaanderen. Het aandeel van de bevolking dat bereid is om voor kwaliteitsjournalistiek te betalen, loopt ongeveer gelijk. Ik denk wel dat in Franstalig België het plafond ongeveer bereikt is, demografisch zit er daar niet meer zoveel rek op.”

Vraag is ook of dat publiek dat nu zijn weg naar betalend nieuws heeft gevonden, bereid zal blijven om ervoor te betalen zodra het virus uit ons systeem is. Paulussen heeft er redelijk goede hoop op. “Mensen overtuigen om een abonnement te nemen, dat is het moeilijkste. Zodra ze er eentje hebben, zeggen ze dat niet zo snel meer op. Het is makkelijker om ze te houden, dan ze voor je te winnen. Je moet het ook niet onderschatten; kranten hebben een hele revolutie moeten doormaken, maar de lezers ook. De papieren krant, dat zat in hun routine. Met het digitale wisten ze in het begin geen weg. Maar nu hebben die abonnees wel kunnen merken wat ze precies achter die betaalmuren kunnen vinden. Het zal aan de kranten zijn om die meerwaarde te blijven bieden, ook in luwere nieuwstijden.”

Verschillen met Vlaanderen

Toch is er een kanttekening te maken bij het succes van Le Soir. De krant is nu dan wel marktleider in haar taalgebied, ze is dat met een dagelijks gemiddelde van net 73.000 verkochte exemplaren. Naar Vlaamse normen zou ze daarmee niet meer dan een middenmoter zijn. Meer zelfs: alle Franstalige kranten samen verkopen dagelijks maar net iets meer exemplaren dan Het Laatste Nieuws (245.831) en De Tijd (49.365), de grootste en kleinste speler in Nederlands taalgebied, bij elkaar opgeteld.

Een inwoner van Sprimont leest 'Le Soir.' De krant was vorig jaar na 'De Morgen' de sterkste stijger in het Belgische krantenlandschap. Beeld © Eric de Mildt
Een inwoner van Sprimont leest 'Le Soir.' De krant was vorig jaar na 'De Morgen' de sterkste stijger in het Belgische krantenlandschap.Beeld © Eric de Mildt

Die discrepantie tussen de twee medialandschappen is iets waar Delvaux haar tanden al lang op stuk bijt. Met zekerheid zeggen waar het aan ligt, kan ze niet. Een aantal mogelijke verklaringen heeft ze in de loop der jaren wel gedestilleerd. “Vlaanderen is heel erg op zichzelf gericht: de Vlaming is primordiaal geïnteresseerd in wat er in Vlaanderen gebeurt. Jullie hebben ook jullie eigen persoonlijkheden die het debat interessant maken. Bij ons is dat anders. Wij hebben een veel grotere concurrentie van de Franse media en cultuur; dat Waalse identiteitsgevoel leeft veel minder. En dan heb je ook nog Wallonië en Brussel die niet onder één noemer te vatten zijn.

“Het speelt wellicht ook een rol dat de welvaart in Vlaanderen hoger ligt dan in het zuiden. Mensen zijn er hoger geschoold, er is een grotere intellectuele en politieke dynamiek in Vlaanderen. En jullie hebben zeker ook veel te danken aan grote uitgevers die visionair en zeer ambitieus geweest zijn. Zowel met Van Thillo bij DPG Media als bij het Mediahuis. Dat heeft er bij ons heel lang aan gemankeerd.”

De context waarin Vlaamse en Franstalige kranten opereren is dus nogal verschillend. Of die verschillen ook inhoudelijk doorwegen? Dat is een vraag die makkelijker te beantwoorden is, klinkt het. Met een simpel woord: neen. “Jullie zijn misschien agressiever in interviews dan wij”, zegt Delvaux. “En ik ben heel lang jaloers geweest op de lange verhalen die jullie mochten schrijven, maar die schade hebben we nu ingehaald. Voor de rest? Ik zie het niet. Al blijft de Vlaamse pers voor ons wel een voorbeeld. Het constante streven naar kwaliteit, ook in de populaire kwaliteitspers, zoals ik Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad noem, dat moeten wij ook doen.”

Véronique Lamquin, politiek journalist van Le Soir en het afgelopen jaar in de spits van de coronaberichtgeving van haar krant, treedt Delvaux bij. “Onze analyse van de crisis is naar mijn gevoel zeer gelijklopend. De ene dag zullen wij wat meer toespitsen op de woon-zorgcentra, terwijl het bij jullie misschien over de scholen gaat, maar een paar dagen later is dat dan weer omgekeerd.

“Akkoord, we zijn vorig jaar veel strenger geweest voor Maggie De Block (Open Vld) dan de Vlaamse pers. Maar ze was minister van Volksgezondheid, noemde als een van de hoofdpersonages in deze crisis de pandemie ‘een griep’, en ze legde daar geen verantwoording voor af. Toch zeker niet in de Waalse pers. Sinds het aantreden van de nieuwe regering met Alexander De Croo (Open Vld) en Frank Vandenbroucke (Vooruit) loopt de berichtgeving volgens mij wel heel parallel. Dat het twee Vlamingen zijn, speelt hoegenaamd geen rol. Ze zijn beiden het Frans perfect machtig, zijn heel erg bereikbaar en ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat er een duidelijke lijn zat in hun aanpak van de crisis, tot voor het voorlaatste Overlegcomité (waar de schoolsluiting beslist werd, red.). Toen regeerde vooral de chaos. Die vaststelling leeft aan beide kanten van de taalgrens even hard, toch?”

‘Bye bye Belgium’

Dave Sinardet, als politicoloog beroepsmatig fervent lezer van de pers in beide talen, durft zich daarbij aan te sluiten. Vooral ook omdat hij weet dat het ooit anders was. In 2007 schreef hij een doctoraat over de beeldvorming van Vlaanderen en Wallonië in elkaars media. “Acht op de tien federale ministers die toen in tv-journaals zaten, waren van de eigen taalgroep. Alleen de RTBF deed beter: daar waren het er ‘slechts’ zeven van de tien.”

Maar dat had dus ook als gevolg, zegt Sinardet, dat bepaalde dossiers gewoon niet aan bod kwamen in het noorden of het zuiden van het land, omdat het een bevoegdheid van een anderstalige minister was. “Dat lag ongetwijfeld aan de keuze die die media maakten, maar zeker ook aan de politici zelf, die de noodzaak niet voelden om zich tot een kiespubliek te richten dat toch het hunne niet was.”

En dan hebben we het nog niet over de vooringenomenheid in de berichtgeving, die volgens de politicoloog een vijftiental jaar geleden toch expliciet aanwezig was. “Akkoord, de communautaire hete hangijzers zijn momenteel van de agenda verdwenen. Maar ik durf te hopen dat de bias in de berichtgeving over een Brussel-Halle-Vilvoorde vandaag veel minder groot zou zijn. De grote karikaturen over elkaar zijn toch afgevlakt.”

'We hebben zo lang op de Franse media gefocust. We spiegelden ons aan hen op een moment dat ze al lang geen voorbeeld meer waren’, zegt Béatrice Delvaux, journalist bij ‘Le Soir’. Beeld © Eric de Mildt
'We hebben zo lang op de Franse media gefocust. We spiegelden ons aan hen op een moment dat ze al lang geen voorbeeld meer waren’, zegt Béatrice Delvaux, journalist bij ‘Le Soir’.Beeld © Eric de Mildt

Als bewijs daarvoor ziet Sinardet de manier waarop Franstalige media vandaag over Vlaanderen berichten. “Dat is heel wat minder demoniserend of clichématig dan vijftien jaar geleden. Kijk naar Bye Bye Belgium, de televisiestunt over het einde van België die het land even op zijn kop zette. Veel Franstalige journalisten geloofden toen echt dat dat Vlaanderen zich eerstdaags eenzijdig zou afscheuren. Het is toch minder denkbaar dat er vandaag zoiets uitgezonden zou worden. In dat opzicht zijn de twee delen van het land toch iets dichter bij elkaar gekomen, denk ik.”

En toch. De blikken op de realiteit mogen iets beter gesynchroniseerd zijn, de vaststelling blijft: we kennen elkaar niet. Sinardet constateert ook dat veel van zijn collega’s hun blik niet verder laten reiken dan de eigen taalgroep, ook al door gebrek aan gedegen kennis van die andere taal. En neemt u maar de proef op de som: hoeveel Franstalige federale ministers kunt u opnoemen? Hoeveel tv-gezichten die niet Christophe Deborsu heten?

Toch wil Delvaux graag nog één kleine kanttekening maken. “Wat die kennis van het andere landsgedeelte betreft, dat is aan Franstalige zijde wel aan het veranderen. Vroeger had je alleen Alain Gerlache en mezelf die eens over het muurtje keken, dat is nu toch heel anders. Zeker in de journalistiek volgt de nieuwe generatie met argusogen wat er in het noorden beweegt. In de Franstalige politieke debatprogramma’s zitten nagenoeg altijd Vlaamse stemmen. Ik heb bijvoorbeeld Bart Van Loo geïntroduceerd op de Franstalige televisie, met groot succes. Maar ik merk ook dat de uitwisselingen tussen de twee taalgroepen kleiner is dan vroeger. Structurele samenwerkingen zijn verminderd. Het zou wel eens kunnen dat de Waalse blik vandaag meer op Vlaanderen gericht is dan omgekeerd, en dat is jammer.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234