Woensdag 02/12/2020

Een nieuw soort 'nigger'

Uitstekende biografie van Cassius Marcellus Clay, alias Muhammad Ali

door Ruud Goossens

David Remnick

De Arbeiderspers, Amsterdam, 356 pagina's, 798 frank.

Een interessante biografie van een sportman is een zeldzaam goed. Niet alleen betekent het feit dat iemand goed kan stoten, trappen, lopen of gas geven slechts zelden dat hij ook iets te melden heeft en dat er een heel boek over hem geschreven moet worden. Maar bovendien wemelen ook weinig takken van de journalistiek zo van de clichés als de sportsector. Daardoor zijn sportboeken meestal moeilijk verteerbaar. De beate bewondering van de auteurs voor hun onderwerp maakt het alleen maar erger. Neen, dan is het leuker om uren op tabellen te zitten gapen. Wie won Milaan-San Remo in 1987? Hoeveel doelpunten scoorde Paolo Rossi op de Wereldbeker Voetbal van 1982? Tussen al die cijfertjes vliegen de uren voorbij, komen de herinnering bij bosjes opzetten en op tijd en stond kan je er ook je collega-tooghangers mee verbazen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Met Koning van de hele wereld bewijst David Remnick hoe subliem goede sportjournalistiek kan zijn en dat een sportbiografie wel degelijk 350 bladzijden lang kan boeien. Remnick is niet zomaar iemand: de journalist van The New Yorker won in 1994 de prestigieuze Pulitzer Prize voor zijn verslagen over de laatste dagen van het Sovjet-rijk. Die brede belangstelling,die nodig is voor goede sportjournalistiek maar die zoveel sportjournalisten ontbeert, voel je constant in zijn boek. Bijna meer dan in Cassius Clay (later Muhammad Ali) lijkt de auteur geïnteresseerd te zijn in het bokswereldje en de Amerikaanse samenleving aan het begin van de jaren zestig, omdat alleen die context de mythe Ali begrijpelijk kan maken.

Remnicks verhaal begint met de titelkamp tussen Floyd Patterson en Sonny Liston in 1962 en eindigt in 1965 met de kamp tussen Ali en Patterson. Dat was waarschijnlijk ook Ali's sterkste periode. Wie meer wil weten over zijn legendarische kamp in Zaïre tegen George Foreman (in 1974) of over het pijnlijke einde van zijn loopbaan (in 1981) moet een ander boek lezen. Volledigheid streeft Remnick niet na, ook dat is een kwaliteit voor een biograaf.

Hoe zag de (boks)wereld er vlak voor Ali uit? Floyd Patterson en Charles 'Sonny' Liston maakten de dienst uit. Patterson was het prototype van de 'goede' neger. Hij steunde de burgerrechtenbeweging, maar wilde ook de vriend van de heersende blankende klasse zijn. Het hoogtepunt van zijn carrière was zijn bezoek als wereldkampioen zwaargewicht aan president Kennedy. Die eer zou Liston, de Mike Tyson van zijn tijd, nooit te beurt vallen. Liston zat compleet in de greep van de maffia en had al gezeten voor een gewapende roofoverval. Hij werd uitgespuwd. Maar hij velde Patterson in 1962 wel in de eerste ronde en werd zijn opvolger. Amerika sprak schande.

En plots stond daar die mooie, verschrikkelijk arrogante jongen uit Louisville. Hij zou mooier en grootser worden dan al zijn voorgangers. Hij zou de bokssport overstijgen. Cassius Marcellus Clay paste niet in de bestaande sjablonen. Hij was geen schurk zoals Liston. Daarvoor zag hij er om te beginnen veel te goed uit. Hij kwam ook niet uit een straatarm gezin, maar uit de middenklasse. Aan de greep van de maffia was hij ontsnapt. En in tegenstelling tot Floyd Patterson wilde hij ook geen 'Oom Tom-neger', geen 'blankemansneger' zijn. Cassius Marcellus Clay was een nieuw soort zwarte, één die zich zelfbewust en compromisloos gedroeg. Dankzij dat zelfbewustzijn en zijn grote bek mocht Clay, de olympische kampioen van 1960, in 1964 de ring in tegen Sonny Liston.

Zijn palmares gaf hem daar eigenlijk geen recht op. In de kampen die voorafgingen aan het gevecht tegen Liston had Clay geen grote indruk gemaakt. Hij was zelfs een keer tegen de grond gegaan. "Omdat ik te veel naar Elisabeth Taylor zat te kijken," grapte hij zelf. Niemand geloofde dat hij echt klaar was voor de wereldtitel. Maar voor Liston leek Clay, pas 22 in 1964, een lucratief tussendoortje. Vooral omdat Clay buiten de ring zoveel kabaal maakte en zich zo van pakken media-aandacht verzekerde. Te pas en te onpas liet hij weten dat hij de grootste zou worden, sterker, dat hij eigenlijk nu al de grootste was. Hij maakte er een sport van om voor de wedstrijd aan te kondigen wanneer hij zijn tegenstander knock-out zou slaan. Hij maakte zijn tegenstanders ook graag belachelijk, liet hen langer lijden dan nodig was, bleef hen uitschelden tijdens het gevecht, stalkte hen genadeloos.

Toen de kamp tegen Liston eraan kwam, ontbond Clay al zijn duivels. Een paar dagen voor het gevecht zette hij zich, gevolgd door camera's, in Listons tuin. Hij bleef er zitten, zodat Liston niet meer buiten kon komen. Toen zijn tegenstander arriveerde in Miami, waar de kamp zou plaatsvinden, stond Clay hem op te wachten op de luchthaven met het voorstel de kamp daar al aan te vatten. Op de gewichtscontrole verscheen Clay in een jeansvestje waarop 'Berenjacht' geborduurd stond en maakte hij een verschrikkelijke scène. Als geen ander wist Clay de media te bespelen en zichzelf te motiveren. Als geen ander construeerde hij zijn eigen mythe. "Als je wil weten wie mij gemaakt heeft, dan moet je bij mij wezen, want ik heb mezelf gemaakt." Hij had gelijk.

Ook de avond van de kamp tegen Liston stond er geen maat op Clay. Als een ruitenwisser bewoog hij van links naar rechts en ontweek alle slagen. Onvermoeibaar bleef hij, zonder dekking, met zijn handen naar beneden, door de ring huppelen. Ali introduceerde een nieuw soort boksen: een combinatie van massa en snelheid. Op het moment dat Liston vermoeid raakte sloeg hij zelf genadeloos toe. Bij het begin van de zevende ronde kwam Liston niet meer overeind. "Slik jullie woorden in," schreeuwde Clay naar de perstribune. "Ik ben de grootste."

De dag nadien maakte hij bekend dat hij lid was van de Nation of Islam, de beweging/sekte van Elijah Muhammad. Enige tijd later ruilde hij zijn prachtige slavennaam Cassius Marcellus Clay, waar hij aanvankelijk zo trots op was, in voor Muhammad Ali. In tegenstelling tot de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King pleitten de Black Muslims niet voor integratie, maar predikten ze de superioriteit van het zwarte ras. Ali werd een hevige volgeling. Hij vond dat een blanke die met een zwarte vrouw naar bed gingen vermoord moest worden. Hij zette zijn vrouw aan de deur omdat ze er te frivool bijliep. Hij brak met Malcolm X toen die een gematigder koers ging volgen en weigerde de moord op zijn vroegere vriend ondubbelzinnig te veroordelen. Het maakte Ali niet populair. Bij het begin van zijn kampen werd hij uitgefloten. Toen hij een paar jaar later ook nog weigerde om in Vietnam te gaan vechten omdat hij "niks tegen die Vietcong had", had hij het helemaal verkorven. Maar Ali gaf niet toe. Hij werd geschorst en verloor zijn wereldtitel. Zijn populariteit zakte naar een dieptepunt.

Pas jaren later werd (zeker de vroege) Ali een mythe. De houding van de Amerikanen tegenover de oorlog was omgeslagen en zelf was hij een toleranter mens geworden, dichter tot Malcolm X gekomen. Ali stond (en staat nu) voor doorzettingsvermogen, kracht, schoonheid, trots, humor. Maar hij bewees ook dat hij niet in alle opzichten uniek was. "Het enige wat Ali deed wat echt boksen was, was zijn tragisch einde, dat hij deelde met alle boksers die te goed zijn geweest en niet hebben willen ophouden," zei zijn begeleider Ferdie Pacheco. "Joe Louis, Sugar Ray Leonard, Sugar Ray Robinson, George Foreman, Larry Holmes, Tommy Hearns. Ze wilden er gewoon niet mee ophouden. Dus zijn ze tragisch aan hun eind gekomen. Dat is het enige waarin Ali lijkt op willekeurig welke andere bokser." Toch, ondanks al zijn fysieke gebreken, is hij gelukkig, heeft hij iets gerealiseerd. Zo zijn de reclamespots op televisie bijvoorbeeld niet meer dezelfde. "Als er drie kinderen in spelen, zijn er twee negertjes en eentje is blank. Of andersom. Dat was vroeger niet zo. De dingen zijn veranderd. En daar heb ik aan bijgedragen."

Als een ruitenwisser bewoog Ali van links naar rechts en ontweek alle slagen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234