Donderdag 06/05/2021

Een nieuw ansicht

U kent ze nog wel, die lekker ouderwetse ansichten, fel bijgekleurd en met gekartelde randjes. Je vond ze tot diep in de jaren negentig vooral in kleinere Ardense dorpjes die de toerist behalve hun ligging niets extra te bieden hadden. Geen attracties, geen musea zoals ze nu overal in Wallonië als paddestoelen uit de grond rijzen (vooral musées d'écologie zijn zeer in trek), geen gîtes of chambres d'hôtes ook, geen kronkelend riviertje om op te kajakken, zelfs geen oude stenen van een of andere burcht.

Gewoon, een dorp. Kerk, bakker, café annex winkeltje, soms ook kapper. Die ansichten werden niet verkocht als curiosa op rommelmarkten, maar als actuele prentbriefkaarten. Je moest met een vergrootglas kijken om te zien dat het wel degelijk een oude foto betrof. Aan het straatbeeld zag je het niet, wel aan de modellen van de auto's. Jaren zestig meestal.

Die stilstand, dat bevroren zijn in tijd en landschap, in het nieuwe Wallonië is men dat gaandeweg gaan beschouwen als een 'gebrek'. Zoals het Waals Gewest een zeer agressieve exportpolitiek voert, zo ook pompt de overheid massa's middelen in toerisme. Een groot deel daarvan komt van Europa. Tussen 1994 en 1999 vloeide er 100 miljoen euro naar het Waalse toerisme. Tot 2006, het moment waarop de Europese geldkraan wordt dichtgedraaid, komt daar nog eens een fikse som bij.

Professionaliseren is het orderwoord. Het jaar 2000 was een keerpunt. Toen werd het Observatoire du Tourisme Wallon (OTW) opgericht. Eerste opzet: cijfers over het toerisme in Wallonië verzamelen (zie grafieken op de volgende pagina). En met die cijfers als basis het toeristische aanbod verder uitbouwen. Voor alle oude en nieuwe attracties worden sinds 2000 aan de lopende band verenigingen zonder winstoogmerk opgericht, meestal een samenspel van lokale, provinciale en regionale overheden. In Henegouwen, hart van de Europese steun, zijn de meren van l'Eau d'Heure, modieus gespeld als O2R, een paradepaardje van het nieuwe Waalse toerisme geworden. Sinds kort staan er professionele toeristische infoborden. Niet langer die overbekende amateuristische wirwar van wegwijzertjes, meestal door de lokale overheden aangebracht, of soms zelfs gewoon door de uitbaters van de attracties. "Op termijn moeten overal in Wallonië zulke eenvormige borden komen", zegt Luc van den Driessche, hoofd van het OTW.

Zoals Wallonië ook zijn scheepsliften en oude mijnen als bezienswaardigheden begint uit te bouwen, zo heeft het kersverse Centre d'ingénierie touristique du Hainaut deze zomer 1 miljoen euro veil voor een grootscheepse promotiecampagne voor de ruim 45 attracties van de provincie, van l'O2R tot de tuinen en kastelen van Beloeil en Enghien (Edingen).

Geen enkele 'troef', van Aywaille tot Zétrud-Lumay, mag of zal onbenut blijven. Dat heet vooruitgang en er zijn tal van mooie voorbeelden te geven waar men erin geslaagd is om het potentieel te verkopen zonder het te verneuken. Zo de vereniging zonder winstoogmerk die luistert naar de naam Les plus beaux villages de Wallonie, met een knappe website (www.pbvw.be). Of Bois du Cazier in Marcinelle. Daar verrees in twee jaar tijd op de terreinen waar in 1956 de grootste Belgische mijnramp plaatsvond, een hypermodern complex van museum annex herdenkingsruimte en cafetaria. In 2000 lag het terrein er nog net zo bij als in 1956: een ruïne. Aan de voet van de schacht waar het ongeluk gebeurde, lagen verkleurde bloemenkransen van Italiaanse verwanten van de slachtoffers. Ook van de jaren zestig, zoals de ansichtkaarten. Ze zijn nu verdwenen, alsook het onkruid en het oud ijzer. In de plaats kwamen mijnwagentjes op sokkels, en onderdelen van de infernale lift werden als semi-kunstwerken geïnstalleerd. Dat is het precies: Bois du Cazier is geen oude mijn meer, het is nu een installatie. En vond je in 2000 nog wel een oudje in de straten van Marcinelle om je over de ochtend van 8 augustus 1956 te vertellen, vandaag word je er verwelkomd door een zeer minzame en goed geklede woordvoerder die je een persmap in de hand duwt.

De oude Italiaanse bezoekers hebben het liever zo wellicht. Dat het er netjes is, opgeknapt met respect voor de doden. En de oude mijngebouwen zijn ook prachtig gerestaureerd. Het is professioneel.

Soms leidt de roep naar dynamisme tot in de kleinste uithoek van Wallonië ook tot blunders. Om maar één pietluttig voorbeeldje te geven: Poulseur, zo'n dorpje aan de poort van de Ardennen dat, behalve een ruïne, decennialang geen enkele andere charme had dan de naam. En zijn oude ansichtkaarten dus. Daar is het marktpleintje enige jaren geleden verfraaid met klinkers. Maar de expres- tevens dodenweg die het dorpje doorkruist, bleef dezelfde. Na amper vijf jaar begonnen de klinkers een voor een mee te dansen met het zware verkeer. Alles moet nu worden opgebroken en overgedaan.

Soms is de grens tussen professionalisering en ontzieling flinterdun. Al het marketinggeweld gaat dan ook een beetje ten koste van die grootste der Waalse charmes: het amateurisme, de blageurs en drageurs, de sotternieën en de nonchalance. Ook dat kent u wel: de ettelijke folkloristische verenigingen, de dorpshistorici die in hun huis een eigen museumpje inrichten, die legendes uit de streek op een A4'tje overtikken en daar een nietje door slaan. In het onooglijke Luttre in Waals-Brabant bijvoorbeeld organiseert de oud-burgemeester al veertig jaar met veel liefde een jazzfestival ter ere van Django Reinhardt (zie hieronder, In den Haan). Die jazzgrootmeester is daar geboren in 1910 en geen haan die ernaar kraait. In Luttre zitten ze op goud, en ze beseffen het niet. Of wel, maar ze houden het liever gezellig. "Nu wil de politiek het overnemen", haalt oud-burgemeester Charles Petitjean zijn neus op.

Aan de andere kant, die nonchalance heeft Wallonië ook veel schade berokkend. Vervuiling in de lieflijk ogende meanders van Ourthe en Semois, slecht uitgeruste campings, enzovoort.

"Toen Serge Kubla (MR) minister voor Toerisme werd", zegt Luc van den Driessche, "liet hij een studie uitvoeren over het imago van Wallonië als toerismeland. Het was ofwel onbestaand, ofwel slecht en gedateerd. De Ardennen, ja, die kent iedereen, maar ook niet altijd even goed. En iedere gemeente en provincie had wel zijn eigen promotiedienst, maar er was geen samenhang. Daarom zijn we begonnen met het aanbod te herorganiseren, per toeristische zone. Zo kwamen er op strategische plekken in totaal een dertigtal Maisons du Tourisme."

Snoeien in het aanbod, ook dat is de bedoeling. "We hebben liever betere dan meer campings. We investeren in de kwaliteit, en daarom ook in de professionalisering van het personeel dat in de toerismesector werkt. De opleiding moet verbeteren. Tussen 1994 en 1999 hebben we met Europees geld vooral geïnvesteerd in infrastructuur. Nu leggen we meer nadruk op het immateriële, de matière grise van het toerisme. Wallonië, dat is niet de Ardennen, dat is niet Six Flags of de Grotten van Han, het is la chaleur de vivre. Daarom hebben we ook een logo laten maken (zie afbeelding). Dat is het gezicht dat we willen." Matière grise, het is zo'n favoriet woordje van Waalse plannenmakers. Het klinkt zo, welja, grijs. In Poulseur had je een cafétje, en het stonk er naar de toiletten. De cafébazin werd madame pipi genoemd. Maar ze had mooie, felgekleurde kaartjes van het dorp. Gekarteld, niet afgelikt. Je kon toen nog op ontdekking zonder overal bij het handje te worden genomen, bemoederd door bruine bordjes en vriendelijke, professioneel glimlachende gidsen. Poulseur vindt u niet terug op de site van Les plus beaux villages de Wallonie. Terecht, en toch, ça vaut bien la détour.

Filip Rogiers

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234