Donderdag 17/10/2019

Interview

‘Een nadeel van mijn beroep? Mijn mensbeeld is er niet op verbeterd’: Ariane Braccio uit ‘De rechtbank’

Opnieuw op post in De rechtbank en nog steeds even onverzettelijk als sereen: Ariane Braccio (47), die in Tongeren de hamer zwaait over de correctionele rechtbank. Gewelddelicten, uit de hand gelopen partnerruzies, zedenzaken, drugsmisdrijven: in haar rechtszaal is het altijd raak. ‘Een nadeel van mijn beroep? Mijn mensbeeld is er zeker niet op verbeterd.’

In mijn hoofd is Limburg een landelijk gebied waar peis en vree heerst, maar de grensstreek die zich uitstrekt tot Maasmechelen, Genk, Hasselt en Tongeren herbergt behalve de lijzige medemens ook hele horden testosterongangsters en ander uitschot dat de relativiteit van de vooruitgang belichaamt. Als ik het pleintje voor het gerechtsgebouw op loop, kijken de mensen die mijn pad kruisen mij taxerend en argwanend aan: ‘Wat zou díé vent hebben mispeuterd?’ “Wij hebben onlangs verboden dat cameraploegen nog filmen in de wandelgangen”, zal rechter Ariane Braccio even later zeggen. “Er kwamen te veel klachten van mensen die hier toevallig moesten zijn: die moesten dan telkens thuis uitleggen dat zij géén verdachten of misdadigers waren.”

Waarom wordt, van alle gezichten die in De rechtbank in beeld komen, uitgerekend dat van de beklaagde onherkenbaar gemaakt? En waarom mag die beklaagde de uitzending verbieden? Ik zou denken dat een misdadiger zich niet meer op het recht op privacy kan beroepen.

“Voor mij staat nog geen misdadiger, maar een nog niet schuldig bevonden beklaagde. En die heeft het recht om te beslissen of hij herkenbaar of onherkenbaar in beeld wil komen, of helemaal niet. Nu, anonimiteit is in de context van een vergrijp relatief: als een krant enkel de initialen van een beklaagde afdrukt, weet in zijn omgeving toch vaak iedereen om wie het gaat. Maar altijd geldt: tot een vonnis is uitgesproken, is de beklaagde onschuldig. Daarom wordt ook nooit iemand in handboeien voorgeleid, want dat wekt al de indruk dat hij of zij schuldig is.”

Dat lijkt me voor magistraten riskant. Eén beklaagde in het programma had bij z’n arrestatie zelfs agenten gebéten. Stel dat die man aids heeft…

“Dat kan gebeuren. Agenten laten zich na zo’n incident daarom meteen testen. Ook tuberculose, lang een verdwenen ziekte, rukt weer op en is zeer besmettelijk, dus als een verdachte daaraan lijdt, lopen de agenten zeker een risico.”

Waren er in uw kindertijd of jeugd al dingen die wezen op uw latere roeping als rechter?

“Niet dat ik me kan herinneren. Ik wilde wel al heel jong advocaat worden, dat leek me boeiend, en ik had ergens opgevangen dat die mensen ook goed verdienden. Ik kom uit een bescheiden milieu, ik weet hoe het is om niet in weelde op te groeien. Thuis kreeg ik alles wat ik nodig had, maar ik wilde het later beter hebben. Op mijn middelbare school, een lyceum midden jaren 80, werd neergekeken op iedereen die geen Millet-jas of Burlington-sokken droeg. Leerlingen zoals ik dus. In 1984 luidde het studieadvies van het PMS, de voorloper van het huidige CLB, dat ik maar best snit en naad kon volgen. (lacht) Nu, da’s niet uitzonderlijk, ik behoor nog tot de generatie waarin jonge vrouwen al te vaak naar zo’n opleiding werden verwezen, veelal door mannen die stiekem vonden dat de vrouw aan de haard hoorde te blijven.”

Voelt u, met uw huidige status als rechter, leedvermaak?

“Nee, dat niet. Maar ik glorieerde wel toen ik onderscheiding haalde. En tegenover de mensen die in mij enkel een naaistertje of een volgzame huisvrouw zagen, dacht ik: ‘De prijzen worden aan de eindmeet uitgedeeld.’ Ze hebben mij niet klein kunnen houden. Ach, ik heb gewoon heel hard gewerkt. In een andere tijd, bovendien: toen was de advocatuur heel mannelijk, om niet te zeggen macho. Maar goed, ook nu nog zijn er mannen die mij betuttelend meiske noemen. Ja, ze bestaan nog. (lacht) Niet zozeer als ik in functie ben, maar toch.”

Oordeel ik als kijker te snel als ik verontwaardigd ben over de tonnen geld die de lange processie van beklaagden in uw rechtszaal de belastingbetaler kost? Ik zag in De rechtbank werkelijk geen enkele evenwichtige mens.

“Op de magistraten na, mag ik hopen. (lacht)

Ik zag voornamelijk egoïstisch en onverantwoord gedrag. En vaak was de misdaad het gevolg van antisociaal gedrag, zoals druggebruik. Er zijn junks die al zeventig inbraken en overvallen hebben gepleegd, en dus zeventig gezinnen hebben getraumatiseerd.

“Vaak ligt inderdaad een drugsverslaving aan de basis van criminaliteit. Eigenlijk zijn dealers indirect verantwoordelijk voor talloze andere misdrijven en maatschappelijke problemen. In het geval van jonge daders vraag ik me soms af of hun leeftijd wel een verzachtende omstandigheid is. Want wat zegt het over een 18-jarige als hij al weet waar hij aan een pistool raakt, en het al perfect normaal vindt dingen te stelen waarvoor andere burgers hard hebben gewerkt? Je zou dus kunnen redeneren dat zijn jeugdige leeftijd een verzwárende omstandigheid is. Algemeen vind ik de opmars van drugs en de verlaging van de tolerantiedrempel voor druggebruik, met name cocaïne, zeer verontrustend. Cocaïne heeft een zekere legitimiteit verkregen, ook in lagen van de bevolking die ooit onaantastbaar waren. Dat is tragisch, want ik zie dagelijks de ellendige gevolgen ervan voor mij verschijnen. Ook heroïne is nog altijd nadrukkelijk aanwezig en da’s de snelweg naar de dood, hè.

“Ik was aangedaan door de zaak van een piepjong meisje uit een normaal gezin dat cheques van haar ouders had gestolen. Ze waren verzilverd door drugsvriendjes om hun volgende shot te financieren. Bovendien had zij met haar vriend ook drank en eten gestolen, want elke cent gaat natuurlijk op aan drugs. Een maand later stonden ze opnieuw voor mij terecht. Bleek dat ze met een gestolen auto naar de zitting voor de eerste feiten waren gekomen. Toen dat meisje voor mij verscheen, was ze vel over been. Rotte tanden, dof haar. Maar je kon nog de schoonheid zien die ze ooit was geweest. Eén fout vriendje had volstaan. Mijn indruk is: zolang je zo iemand niet totáál isoleert van die vrienden, is het dweilen met de kraan open.

“Wat mensen ook vaak vergeten, is de indirecte schade die drugs veroorzaken. Milieuverontreiniging, bijvoorbeeld: als iemand een drugslab opzet, komen daar chemicaliën aan te pas, die door de dader steevast illegaal gedumpt worden in riolen, bossen of rivieren. Plus de kosten om zo’n lab te ontmantelen, zeker als het een gehuurd pand betreft.”

Wat is er drastisch veranderd sinds uw beginjaren als jonge advocate?

“De komst van het internet, natuurlijk. Zeker bij zedenfeiten stel ik vast dat het internet vaak een katalysator is: bij kinderporno, maar ook bij aanrandingen van de eerbaarheid. Webcams, chantage door te dreigen belastende filmpjes op het net te posten. Voor criminelen is het internet een zegen, ze lopen er gratis school, met enkele klikken kom je nu te weten waar je wapens kunt kopen en hoe je een bom maakt.”

Noem eens iets wat u nooit had voorzien toen u indertijd uw hoofd in de berg cursussen begroef?

“De feiten waarop de strafwet wordt toegepast, staan vaak ver van de academische bewoordingen waarin het strafrecht wordt onderwezen. In de praktijk krijgen die misdrijven een gezicht, want er is iemand die zich er schuldig aan maakt én er is een slachtoffer. Als je als student de vraag ‘Wat is het onderscheid tussen moord en doodslag?’ moet blokken, vermoed je niet dat je ooit op een plaats delict in een enorme plas bloed zult staan.

“Zo had ik nooit gedacht dat ik door een politie-escorte zou worden opgehaald om ter plaatse een pas ontdekt, halfvergaan lijk te bekijken – afstappen heet dat in vakjargon. Een psychiatrische patiënt had daar zijn moeder vermoord. Dat je bij hoge temperaturen lijken in ontbinding zult zien, en vooral ruiken, leer je niet aan de universiteit. Ze hebben me daar ook niet verteld dat ik ooit een onthoofding zou moeten onderzoeken – níét gerelateerd aan terrorisme. Of dat ik op een zomerbar aan een kanaal zou staan, waar ik als enige tussen de nietsvermoedende feestvierders wist dat enkele meters verder een morbide psychopaat een altaar voor zijn slachtoffers had geplaatst. Een schrijn, compleet met Mariabeeld, bloemen, kaarsen… Lourdes in ’t klein. Heel luguber.


“Ook de details van sommige zaken had ik als student niet kunnen bevroeden. Zoals een gokverslaafde die niet enkel zijn partner wurgt, maar ook selfies neemt met het lijk en vóór hij zijn plan uitvoert nog eerst een callgirl bestelt. Ik heb ook een man voor me gekregen die de vriendin van zijn moeder de kop had ingeslagen met een hamer en het lijk had verborgen. ‘Ik heb een kort lontje’, zei hij – een understatement vanjewelste!

“Ik had ook niet kunnen voorzien dat ik ooit op een rechtbank zou werken waar tal van ’s lands bekendste processen zijn gevoerd. In Tongeren werden de afgelopen jaren een aantal ophefmakende assisenzaken behandeld, zoals de parachutemoord en de zaak-Ronald Janssen. Die leidden tot een waar mediacircus en veel opschudding. De parachutemoord kende believers en non-believers en beide kampen verdedigden even vurig hun overtuiging. In Hasselt was er de marinezaak waarbij prins Laurent werd opgeroepen als getuige, en ook de zaak-Van Wesenbeeck, die later als basis diende voor de serie Undercover met Tom Waes.

“Algemener leek ook het ambt van rechter toen een onbereikbaar doel voor mij. Ik kon me toen niet voorstellen dat ik ooit de bevoegdheid zou hebben om te oordelen over iemands schuld of onschuld, en te beslissen welke straf gepast zou zijn.”

Uit De rechtbank leerde ik ook dat heel wat beklaagden zichzelf verdedigen. Gebeurt dat meer dan vroeger, en is het wel een goed idee?

“Een jurist is vaak een meerwaarde als het gaat over de straftoemeting. En hij weet ook wát hij kan vragen, wat de juridische opties zijn. Ik zal als rechter niet gauw tegen een leek zeggen: ‘Wacht, er is nog iets beters voor u, dan hebt u minder last van uw straf.’ (lacht) Maar ik heb ook een mevrouw voor mij gehad die in bemiddeling was en die haar zaak bezield en geloofwaardig toelichtte, een advocaat had het niet beter gedaan.”

Schrikt u na al die jaren nog van hufterig gedrag? Sommige verdachten in De rechtbank waren behalve schuldig ook nog onverschillig en arrogant. En natuurlijk is moord het toppunt van arrogantie: de klootzak die het vanzelfsprekend acht dat hij een leven kan nemen.

“Ik schrik nergens meer van, maar ik constateer dat respectloos gedrag toeneemt. Recent hadden de agenten in een proces-verbaal een link gezet naar een filmpje op YouTube waarin vrienden van een verdachte rappend hun oordeel over de politie en de rechters gaven. Dat ze dat in niet mis te verstane taal deden, is het understatement van de week.

“Er zijn verdachten die schelden of dreigen. Die tegen de procureur ‘Leugenaar!’ roepen, of: ‘Waarom wil je mij per se in de bak krijgen?’ (droog) In daders komt het zelden op dat het hun eigen wangedrag is dat hen in de gevangenis doet belanden. Nu, ik vind het erger dat iemand moedwillig niet opdaagt. Maar een verdachte heeft dat recht, hij is niet verplicht om te verschijnen.”

Ik zou dat recht meteen afschaffen. Zo’n zitting waarbij ettelijke magistraten worden opgetrommeld kost de gemeenschap handenvol geld, maar uitgerekend de verdachte, de persoon met wie alle ellende begon, is niet verplicht om op te dagen? Dat is toch een uiting van superieure onverschilligheid, een manier om te zeggen: ‘Ik erken uw gezag niet’?

“Soms, maar niet altijd. Iemand die verstek laat gaan omdat hij niet op de hoogte is gesteld van de strafvervolging, of die om redenen buiten zijn wil niet aanwezig kon zijn, heeft het recht om verzet aan te tekenen, om de zaak alsnog in zijn aanwezigheid te laten beoordelen door de rechter. Ook het recht op beroep tegen de beslissing blijft intact. Maar wanneer vaststaat dat de betrokkene wel degelijk kennis kreeg van de dagvaarding en moedwillig niet opdaagde, verliest hij het recht om verzet aan te tekenen.”

Soms is het beter te zwijgen en dom te lijken, dan te spreken en alle twijfel daaromtrent weg te nemen. Eén beklaagde in De rechtbank hoorde ik zeggen: ‘Maar néén, ik heb helemaal niet gezegd: ‘Ik maak u af!’ Ik heb gezegd: ‘Ik snij uw keel over en onthoofd u!’’ Hij leek te denken dat die nuance zijn zaak zou helpen, terwijl het in feite een bekentenis was.

“Soms daagt een beklaagde inderdaad niet op omdat hij bang is om zichzelf aan de galg te praten. Dat gebeurt als de advocaat al heeft vastgesteld dat zijn cliënt niet altijd zijn antwoorden goed overdenkt, of gewoon een flapuit is. Maar soms gaat het om een drugsverslaafde of alcoholist die op het moment van de zitting elders op apegapen ligt. Of iemand die niet is ingeschreven, die geen vast adres heeft en dus moeilijk op te sporen is.

“In sommige gevallen voelt de beklaagde zich simpelweg te goed om op te dagen. Soms permitteren ze zich zelfs om via hun raadsman gunstmaatregelen te vragen aan de rechter. (droog) Als ik u een gunstmaatregel moet verlenen, wil ik u toch graag even voor me zien om uw persoonlijkheid te kunnen inschatten.”

Bestaat het omgekeerde? Probeert een beklaagde soms met u te flirten?

“Mmm, flirten zou ik het niet noemen. Men probeert mij soms wel naar de mond te praten of op mijn gevoel te spelen. Beklaagden met dezelfde Italiaanse roots als ik durven daar weleens op te alluderen, in de hoop een soort verbondenheid te creëren. Maar het gebeurt zelden, en zonder enig effect. Ze richten zich eerder tot de procureur, omdat die aanvankelijk een strafeis uitspreekt, waarbij de beklaagde soms geconfronteerd wordt met het doembeeld van ettelijke jaren in de gevangenis. De rechter is niet verplicht om die eis te volgen, maar het is toch een parameter. De strafeis van een procureur geeft soms vuurwerk in de rechtszaal.

“Het is ook een realiteit dat de meerderheid van de beklaagden mannen zijn. Bovendien heeft Limburg een grote allochtone gemeenschap. Wanneer ik een zaak van intrafamiliaal geweld behandel, stel ik vaak vast dat rechterlijke inmenging niet wordt geapprecieerd of erkend. Vrouwelijke slachtoffers dienen wel een klacht in, maar trekken ze ook dikwijls in. Niet zelden lees ik dan in een proces-verbaal dat de betrokkenen meedelen dat het probleem familiaal zal worden opgelost. Maar dat kan niet, hè. Zodra de gerechtelijke bal aan het rollen is, kent die zaak haar verdere verloop.”

Bij uw vrouwelijke collega in Luik was er een advocaat die in de rechtszaal boudweg vroeg hoelang de rechter dacht dat de zitting zou duren, want ‘hij moest om 11 uur naar de coiffeur’.

(lacht) Ja, die advocaat is bekend in Wallonië, hoor. Dat is, euh, misplaatst. Het is al gebeurd dat beklaagden veel te laat op de correctionele zitting verschenen, met als argument: ‘Ik moest de kleine naar school brengen, moet u dat dan nooit doen?’ Natuurlijk wel, ik ben ook moeder, maar ik zorg er niettemin voor dat ik niet een dozijn andere magistraten en advocaten op mij laat wachten.”

Wat vindt u van de vaak gehoorde klacht dat de strafmaat veel te licht is? Ik heb na ettelijke afleveringen van De rechtbank zelf ook de indruk dat gerechtigheid voor het slachtoffer te vaak een zeer relatief en onbevredigend gegeven is.

“Tja, dit is België, niet de Verenigde Staten. Daar worden voor één dader soms letterlijk straffen uitgesproken als: ‘Drie keer levenslang plus veertig dagen.’”

Of China, waar de overheid principieel vindt dat de gemeenschap op geen énkele manier voor de overlast moet opdraaien, en de familie van de geëxecuteerde misdadiger de rekening voor de kogel krijgt gepresenteerd.

“In België geldt voor de meerderheid van de wanbedrijven een maximumstraf van vijf jaar. Voor een moord kun je levenslang krijgen, maar een moord kan geherkwalificeerd worden naar een lichter bestraft misdrijf, en er zijn altijd nog verzachtende omstandigheden. Elke zaak is anders.

“Algemeen vinden slachtoffers of hun nabestaanden bijna altijd dat de straf te licht is, en de daders vinden ze natuurlijk zonder uitzondering te zwaar. Je moet ook een onderscheid maken tussen de strafwet en de straftoemeting door de rechter: ik mág wettelijk gezien geen dertig jaar geven aan een dief, als ik dat al zou willen. Maar soms heb ik ook het gevoel dat de wettelijk bepaalde straf niet in verhouding staat tot het aangerichte leed. Werkstraffen en probatiestraffen worden ook als een gunst gezien. Ze zijn een manier om te zeggen: ‘We denken dat er nog hoop op verbetering is, we schrijven de dader niet helemaal en voor eeuwig af.’ Of dat terecht is en hoe het slachtoffer dat ervaart…”

Je hoort weleens zeggen: ‘Je moet geluk hebben bij welke rechter je terechtkomt.’

“Er zijn verschillen qua strafmaat. Die hangt ook af van de context: iemand die lokaal drugs dealt, kan één maand tot vijf jaar krijgen. Maar als aangetoond kan worden dat de dealer deel uitmaakt van een grotere criminele organisatie, dan komt er ‘vereniging’ bij en zijn de straffen veel hoger. En dan denk ik niet dat de ene rechter daar losjes mee omgaat en een andere veel strenger oordeelt.

“Je moet ook weten: wat de kijker in De rechtbank te zien krijgt, is slechts een fractie van de zitting. Dat item van die vader die zijn zoon neerstak, bijvoorbeeld, kreeg in het programma slechts enkele minuten, terwijl die zitting meer dan twee uur in beslag heeft genomen, waarbij zich een juridische discussie ontspon of het doodslag dan wel slagen en verwondingen betrof. Dat hebben de makers van het programma allemaal weggeknipt, maar het is natuurlijk cruciaal voor de strafmaat. De essentie van mijn werk is trouwens niet de zitting die de kijker te zien krijgt, maar wel het schrijven van het vonnis. Daarbij moet ik alles volgens de regels van de wet beoordelen, níét vanuit een Hln.be-buikgevoel.”

Hoeveel zaken behandelt u per dag?

“Gemiddeld acht zaken per zitting, da’s een ochtend van 9 tot 12. En er zijn twee zittingen per week. Da’s veel, en da’s slopend.”

Merkt uw gezin een verschil in stemming tussen meer of minder dan acht zaken als u later die dag thuiskomt?

(lacht) Nee. Hoop ik. Er zijn natuurlijk ook mastodontdossiers die ettelijke weken op de rol staan. Als verschillende beklaagden worden vervolgd voor hun betrokkenheid bij meerdere druglabs, en hun schuld of onschuld bij alle aspecten van zo’n misdrijf moet worden beoordeeld, dan sleept dat aan, en het kan extreem complex zijn: vertakkingen in drie of vier landen, tientallen huiszoekingen, uitleveringen, buitenlandse strafdossiers die worden overgemaakt aan de Belgische justitie, analyse van telefoontaps…”

U bent behalve rechter ook een mens. Moet de mens Braccio zich niet bij elke zaak opnieuw inprenten dat ze onbevooroordeeld moet blijven, ook al stellen de verdachten met hun leugens en gruweldaden stuk voor stuk uw geduld op de proef?

“Soms heeft een verdachte al een dozijn eerdere veroordelingen op zijn kerfstok en zijn de aanwijzingen voor zijn schuld ook bij het dertiende delict overweldigend. Toch moet ik ook dan strikt onbevooroordeeld blijven. Soms heb ik moeite met arrogant gedebiteerde, hardnekkige leugens die zo vergezocht zijn dat ze een belediging zijn voor de intelligentie van alle aanwezigen. Tegenwoordig kan de politie bijvoorbeeld zeer precies nagaan wie er wanneer met wie heeft gebeld, en vanwaar. Maar dan beweert zo’n verdachte: ‘Ik heb mijn telefoon op café uitgeleend aan iemand die ik niet ken.’ Wat zou betekenen dat die onbekende vervolgens naar de plek van de misdaad is gereden om daar te telefoneren met een andere gangster die hij totaal niet kent en een man die hij totaal niet kent neer te schieten.

“Soms betwisten verdachten de aanwezigheid van hun DNA op de plaats van de misdaad. Er was er één die beweerde dat zijn DNA was aangetroffen in een cannabisplantage omdat hij daar ooit per ongeluk had overnacht. In de natuur, tussen de mooie plantjes en met de knipschaar in de hand. (lacht) Daar kan ik lastig van worden.”

Ik zag in De rechtbank één advocaat die zijn cliënt probeerde te verschonen met zo’n vergezocht, theatraal pleidooi dat ik die verdachte alleen al uit ergernis zou hebben veroordeeld.

“Ik heb toch de indruk dat de theatrale stijl van larmoyante pleidooien op zijn retour is. Er is sprake van gewenning bij de rechters, en het publiek is nu meer geëmancipeerd en dus minder vatbaar voor geacteerde verontwaardiging die inspeelt op de emoties. (acteert extreme deernis) ‘En denk, vooraleer u mijn cliënt veroordeelt, toch ook eens aan zijn schattige, onschuldige bloedjes van kinderen, waarde juryleden…’

“Ik heb al geweten dat een advocaat muggenzift over een foute nummering van pagina’s in het dossier, in de hoop zo de aandacht van de kern van de zaak af te leiden. (droog) Dat weet ik dan wel correct in te schatten. Ik heb wel de indruk dat de jongere magistraten die er de laatste jaren bij zijn gekomen, pragmatischer denken en nuchterder argumenteren over de feiten, de bewijslast en de orde van de dag.”

Geeft zo’n advocaat dan pakweg een jaar later op een receptie informeel toe dat hij paniekvoetbal of theater speelde?

“Mmm, nooit in zo veel woorden. Wij zitten hier in het nieuwe, grote gerechtsgebouw van Hasselt, maar in het kleinere, informelere gerechtsgebouw van Tongeren, waar ik vaker werk, delen magistraten en advocaten één lift, en daar valt al eens een uitspraak als: ‘Euh, sorry, ik moest toch íéts zeggen.’ Of: ‘Tja, mijn cliënt is wie hij is.’ Waarop soms een diepe zucht volgt. (lacht)

We kennen de rechtbank ook uit de court dramas in tientallen Amerikaanse films en televisieseries. Wat is een aspect van de Amerikaanse justitie waarvan u hoopt dat het níét overwaait naar hier?

“De plea bargain.

Het zegt al iets dat u niet eens hoeft na te denken.

“Ja, de plea bargain vind ik een verschrikking. Daarbij onderhandelen de advocaat en het Openbaar Ministerie over de kwalificatie van de feiten en de strafmaat, terwijl de rechtbank zelf compleet buitenspel wordt gezet. Dat zet de deur open voor tal van wantoestanden, waarbij mensen die onschuldig zijn maar vrezen dat ze veroordeeld zullen worden, toch schuldig pleiten in ruil voor een lagere straf, om de doodstraf te vermijden. Het systeem werkt ook klassenjustitie in de hand: een peperdure topadvocaat zal sneller een goede deal afdwingen.”

Wat zou u zelf aan het Belgische strafrecht willen veranderen? Ik zou zeggen: schaf de kleine, formele, schriftelijke procedurefouten af waarmee een sluwe advocaat een moordenaar vrij kan krijgen of het hele proces kan laten overdoen, wat de gemeenschap miljoenen kan kosten.

“Ik wil me niet profileren als voor- of tegenstander van het assisenproces, maar ik denk dat het wenselijk is opnieuw na te denken over de hervorming van de assisenprocedure. Zeker het feit dat er geen beroepsmogelijkheid bestaat voor de beoordeling van moorden in assisen, terwijl die net het zwaarst bestraft worden, verdient bijzondere aandacht. Een hardnekkige warenhuisdief die nu eens een tandenborstel van een paar euro, dan weer een fles wijn heeft buitgemaakt, en die daarvoor maximaal vijf jaar gevangenis riskeert, kan zijn zaak tweemaal laten beoordelen: in eerste aanleg door één rechter, en in beroep door een collegiale zetel van drie rechters. Maar een beklaagde in een moordzaak, die levenslang kan krijgen, heeft géén recht op beroep.”

Wetten zijn er om egoïstische eikeltjes te dwingen grenzen te respecteren, zodat zij de levens van gezagstrouwe burgers niet verpesten. Heel wat overtreders krijgen een tweede kans, of een 71ste kans, maar blijven recidiveren. Hoeveel hoop rest u na al die jaren dat het uiteindelijk goed afloopt met het heropvoeden van misdadigers? Of loont de misdaad te veel?

“Een nadeel van mijn beroep is zeker dat mijn mensbeeld er niet op is verbeterd. Soms moet ik mezelf eraan herinneren dat ik een misvormd beeld heb: ik zie énkel de overtreders, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Ik heb als rechter te weinig contact met eerlijke mensen. En ja: de misdaad loont te vaak, criminaliteit is nooit zo lucratief geweest en de recidive is groot. Waarom zou een jongere hard studeren als zijn vrienden op jonge leeftijd fortuinen verdienen met drugshandel? In alle eerlijkheid: ik ben een tikje pessimistisch, en sommige dagen meer dan een tikje. Als ik een jonge crimineel voor me krijg die leeft van een invaliditeitsuitkering, drugs dealt en steeds hervalt, denk ik weleens: ‘Hoe lossen we dat op?’”

Dokters klagen vaak dat ze een receptie of familiefeest niet doorkomen zonder aangeklampt te worden over allerlei vermeende ziekten. Hoe is dat bij u?

“Aan de schoolpoort was er altijd wel iemand die in een vechtscheiding of een burenruzie verwikkeld was, en vroeg of ik een goede advocaat kon aanbevelen, en wat dat zoal zou kosten en wat hun slaagkansen waren… ‘Dieë van hie neffe wil zijn boom niet snoeien en die pakt al het licht weg!’ (lacht) Dat is trouwens een zaak voor de vrederechter, ik ben een strafrechter. Hetzelfde gebeurt weleens als ik een loodgieter of elektricien over de vloer krijg. Ooit liet ik iets verbouwen en bleek dat de aannemer in een vechtpartij verwikkeld was geweest. Ook hij wilde raad. Meestal begint zo iemand dan zijn verhaal te doen alsof hij al voor de rechtbank staat: ‘Want ik heb niks misdaan, hè, hij was het die…’ Ik mag daar vanzelfsprekend niet op ingaan.”

Hebt u zelf ooit voor de rechter gestaan?

“Eén keer, bij de vrederechter, een huurgeschil dat ik zelf als verhuurder aanhangig maakte. Ik was in mijn recht, meneer. (lacht) Maar het was zeker een nuttige les om eens aan de andere kant te staan.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234