Vrijdag 18/10/2019

Een muziekdoos van beton

Het werd ontworpen door Frank Gehry, opgedragen aan Jimi Hendrix en kostte bijna vier miljard frank. Maar stelt het nieuwe rock-'n-roll-museum van Seattle ook iets voor? Wij gingen een kijkje nemen.

Hoe extravagant is het Experience Music Project, zoals Frank Gehry's nieuwe mirakel der architectuur officieel heet? Zo extravagant dat de critici er maar niet uit raken of het nu op een collage van stukgeslagen elektrische gitaren lijkt, op een anatomische reproductie van het gehavende trommelvlies van Pete Townsend, of op een felgekleurde, half ingezakte soufflé. Zo extravagant dat de brave inwoners van Seattle zich afvragen of ze nu het eerste belangrijke gebouw van het nieuwe millennium hebben binnengehaald (Gehry's Guggenheim-museum in Bilbao wordt algemeen erkend als het laatste belangrijke gebouw van het vorige millennium), of gewoon een "vulgaire kermisattractie verpakt in glanzend papier", zoals een tegenstander het verwoordde. Zo extravagant ook dat Gehry zelf verklaarde dat het om een eenmalig project gaat en dat hij waarschijnlijk nooit meer iets soortgelijks zal bouwen. Aan het hele zaakje valt dan ook geen enkele rechte lijn te bespeuren. Het is een en al glooiingen, golven en bochten in plaats van muren en plafonds; je moet al goed zoeken om bijvoorbeeld een venster te vinden. Vanuit Seattles monorail bekeken, die dwars door de buik van het gebouw raast voor hij zijn eindhalte bereikt, lijkt de creatie op de opengesperde muil van een monster, met blauw- en goudgekleurde lippen waarachter een vervaarlijk kluwen van ruwe betonnen muren opduikt. Vanuit de lucht ziet het er allemaal wat schunniger uit: de trein doet denken aan een enorme fallus die de psychedelisch getransformeerde genitaliën van een vrouw penetreert. Plots besef je dat het om seks, drugs en rock-'n-roll gaat, samengeperst in één ontwerp. Geen wonder dat het zo de aandacht trekt en zoveel controverse uitlokt. Het EMP wil niet mooi zijn, het wil opvallen. Zoals Gehry zelf zei: "Ik wilde er iets feestelijks en uitnodigends van maken, iets waarvan de mensen zouden zeggen: wat is me dat voor iets?"

Dat het gebouw opvallend en controversieel is, daar zal opdrachtgever en miljardair Paul Allen uit Seattle zeker niet rouwig om zijn. Waarom zou hij anders Gehry ingehuurd hebben? Allen vatte samen met zijn zus Jody Allen Patton het plan op om een interactief rock-'n-roll-museum annex cultureel centrum te bouwen dat het welgemanierde, zachtaardige Seattle eens flink door elkaar zou schudden. Tegelijk moest het project een grootse gedenkplaats worden voor zijn idool en stadsgenoot Jimi Hendrix. Het oorspronkelijke idee om voor Allens uitgebreide collectie Hendrix-memorabilia een bescheiden tentoonstellingsruimte van 1.000 vierkante meter te creëren, groeide uit tot een museum van 13.000 vierkante meter en 100 miljoen dollar over de hele evolutie van de Amerikaanse rock-'n-roll, met zijsprongen naar onder meer funk, jazz, country en blues.

Toen Allen in 1996 Gehry aansprak om voor zijn museum een ongezien spectaculair ontwerp te maken, was de architect vooral bekend van zijn hoogst originele postmoderne gebouwen in Los Angeles (het Guggenheim-museum was al ontworpen maar nog niet opgeleverd). Zijn Zuid-Californische raffinement, zijn talent om de onmiskenbare invloed van de ruwe, vuile grootstad in de koele elegantie van zijn ontwerpen te verwerken, en zijn vermogen om zowel opwinding als verontwaardiging op te wekken waren voor Allen vast even belangrijk als zijn grenzeloze verbeelding. In de loop van het project werd hij aangemoedigd zijn grenzen nog te verleggen. Gehry, die zelf veeleer van klassieke muziek houdt, sloeg een reeks gitaren aan diggelen en speelde met de scherven op zoek naar inspiratie. Ondertussen liet hij Jimi Hendrix door de luidsprekers van zijn kantoor in Santa Monica schallen.

De betonnen huid van het gebouw is bedekt met 21.000 metalen shingles, per stuk op maat gezaagd om elk op een specifieke plaats te passen. Het kleurschema van de verschillende cocons - de vijf grote tentoonstellingsruimtes - is grotendeels terug te brengen tot Gehry's gitaarexperimenten: baby-blauw voor een Fender Stratocaster, goud voor een Gibson Les Paul, zilver voor een steel guitar, rood zowel voor de gitaarkleur als voor de mat geworden lak van een tour-truck, en paars - het meest opvallende deel van het gebouw - naar de Hendrix-song 'Purple Haze'.

Het interieur is al even ambitieus. Het beton is op veel plaatsen ruw en onbekleed gelaten, net als de stalen draagstructuur. "Het moet er allemaal ruw en hard uitzien, net zoals de rock-'n-roll zelf", zegt Paul Zumwalt, de project manager van het museum. De spelonkachtige, golvende hallen hebben iets van een kameleon: hoewel er verschillende vaste tentoonstellingsruimtes zijn, krijg je het gevoel dat een museumdecor elk moment in een concertpodium kan veranderen, of dat de funky kwalvormige lampen in de zogenaamde Sky Church (een grote receptieruimte geïnspireerd op Hendrix' droom over een universele plaats om muziek te maken) ook kunnen worden vervangen door een prosceniumboog. Zelfs het restaurant heeft een interieur dat zonder veel omhaal verplaatst kan worden mocht dat nodig blijken. Die flexibiliteit leunt nauw aan bij de geest van het museum, dat geen mausoleum voor het verleden van de rock wil zijn, maar een forum voor onderzoekers, studenten en artiesten, waar alles voortdurend wordt herbekeken en ter discussie gesteld.

De artefacten zijn in zekere zin het minst belangrijk. Er zijn er in overvloed (het notitieboekje van Jimi Hendrix, de Fender uit 1956 waarop Eric Clapton 'Layla' speelde, een roze gevederde stola van Janis Joplin, om er maar een paar te noemen), maar ze zijn ondergeschikt aan het concept van de muziek als gebeurtenis.

Doordat het gelegen is in Seattle, bakermat van de internetrevolutie, en ontsproten aan het brein van Paul Allen, mede-oprichter van Microsoft, kan het niet anders of het EMP houdt evenveel van technologie als van memorabilia. Elke bezoeker krijgt bij het binnenkomen een klein toestelletje en een hoofdtelefoon, zodat hij bij elk aspect van het spektakel een commentaarstem hoort en ondertussen informatie op een schijfje kan opslaan en meenemen. Verspreid rond het gebouw staan interactieve stalletjes, waarop men zich, net zoals op het internet, kan verliezen in alles wat van ver of van dichtbij met het onderwerp te maken heeft.

Iets praktischer is misschien het Sound Lab, waar professionele muzikanten iets kunnen opsteken over het maken en promoten van muziek op het internet. Niet-muzikanten kunnen er terecht voor initiaties in soundmixen of gitaarspelen.

De affiche voor het openingsweekend laat weinig twijfel bestaan rond de ambitie van de hele onderneming: Metallica, Dr. Dre, Alanis Morissette, Beck, James Brown en Bo Diddley zijn slechts enkele grote namen die erop prijken.

Broer en zus Allen gooien er dus duidelijk flink wat geld tegenaan. En in zekere zin is net dat hun probleem. De financiële slagkracht van het EMP is zo overweldigend dat je je gaat afvragen of het museum zijn doel niet voorbij schiet. Nog voor de opening is het project al uitgegroeid tot het Getty-museum van de multimediawereld en haalt het zich de toorn op de hals van kleinere cultuurgroeperingen die nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden. Bij EMP werpt men op dat het nieuwe museum fondsen, bezoekers en talent naar Seattle zal lokken, wat uiteindelijk voor iedereen een goede zaak is.

Toch is Seattle, een rustige, conservatieve stad met weinig ervaring inzake avant-garde-architectuur, verdeeld over de komst van het museum. De bakken geld die dankzij de softwarerevolutie over de stad worden uitgekieperd, hebben in Seattle iets losgeweekt, net als de massale protestacties van vorig jaar tegen de Wereldhandelsorganisatie. Niet iedereen is daar even blij mee. Na Gehry's EMP komt er ook een nieuwe stadsbibliotheek, ontworpen door Rem Koolhaas, en een nieuw stadhuis van de hand van Peter Bohlin. De discussies over de ontwerpen doen denken aan de uitvallen van Prince Charles aan het adres van het postmodernisme: de bibliotheek van Koolhaas lijkt volgens sommigen "ontworpen door een bende peuters die met de blokken aan het spelen zijn" en Bohlins stadhuis is "een vergissing van het stadsbestuur waardoor per ongeluk de plannen van een Holiday Inn in Texas zijn gebruikt". Meer intelligente kritiek komt van uitgever David Brewster. Hij heeft niets tegen de ontwerpen maar ziet een probleem in het gebrek aan politieke duidelijkheid in de stad, die twijfelt tussen internationaal prestige en trouw aan de regionale identiteit. "In Seattle is het de gewoonte conflicten te ontwijken, waardoor het echte protest pas laat op gang komt", zo schreeft Brewster onlangs. "Een machtige opdrachtgever of een architect die zijn ego voor zich uit moet duwen kan het debat hier ongemerkt sturen en de mening van anderen, weliswaar op een subtiele manier, straal negeren. Daardoor zullen er steeds meer gebouwen worden ontworpen vanuit een 'het-volk-kent-er-niets-van'-mentaliteit."

Past het EMP van Gehry in de nieuwe ambities van Seattle, of gaat het er net tegen in? Misschien moet de architect even stilstaan bij het tragische lot van een ander gebouw in Seattle, gebouwd op fundamenten van ongebreideld optimisme en hoogtechnologische kunstjes. De Kingdome, thuisbasis van de Mariners, de honkbakploeg van Seattle, werd in de jaren '70 beschouwd als het summum van architecturale klasse. Drie maanden geleden werd het met de grond gelijk gemaakt om plaats te ruimen voor een splinternieuw stadion. De opdrachtgever? Wie anders dan Paul Allen. Gehry kan maar beter hopen dat zijn betonnen muziekdoos het iets langer uitzingt.

Andrew Gumbel

© The Independent on Sunday

Vertaling: Wim Coessens

Het Experience Music Project in Seattle ging afgelopen maandag open voor het publiek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234