Maandag 17/05/2021

Een morsdoekje voor het geheugen

De put is nog geen halve meter diep, maar Koen kan onmogelijk zeggen hoe lang hij al aan het graven was. De schop heeft hij in zijn rechterhand vast. Wellicht is hij enige tijd aan het werk geweest, want er brandt iets in zijn handpalm. Het handvat heeft zijn eeltloze huid open geschuurd, de zandkorrels prikken nu in de schaafwonde. Hij laat de schop niet los, het is zijn enige referentiepunt. Hij ziet de contouren van de kuil bij het flauwe licht van de straatlantaarn op het trottoir dat langs de kale takken van de beukenhaag de tuin in schijnt. De bodem van de put is in het koffiedik van de nacht niet te ontwaren. Koen weet dat onderaan een steen ligt, want hij had de tik tegen het metalen blad van de schop gevoeld, de lichte siddering die zich via de steel in zijn arm had voortgeplant. Op het moment dat de pijnprikkel via de zenuwbanen een speldenprik aan zijn hersenen had toegediend, was hij wakker geworden. Alsof hij even tegen de schrikdraad van zijn omheinde droom was gebotst.

De stroomstoot zorgt voor paniek die hem schichtig om zich heen doet kijken. Eerst verifiëren of hij niet te ver van huis is gewandeld, of hij genoeg kleren draagt, heeft iemand hem gezien? Een net hemd in een kostuumbroek. Bovenste knoopje van het hemd zit los. Hij draagt een zwarte colbert, hetgeen hij had gekocht voor de trouw van Frank en Hilde. Geen rubberlaarzen, maar zwarte gympen. Er zitten klonters aarde op de zoom van zijn broek. Waarom staat hij in de tuin te werken met schone kleren?

Door het grote raam dat de woonkamer verbindt met de tuin, ziet hij dat verschillende lampen in huis branden. Sfeerverlichting. Een groep mensen die rond de grote eikenhouten tafel zit; vanzelfsprekend Anneke, Frank en Hilde, Bruno is blijkbaar ook van de partij, Kim en haar man Gert, die met zijn stoel vervaarlijk achterover leunt, het is maar een kwestie van minuten of de twee achterste poten kiepen hem om. Met zijn achterhoofd tegen de parket. Koen ziet de buil al voor zich, Anneke die naar de diepvries holt om ijs, de handdoek die rond de doos diepgevroren spinazie gaat - of is dit een déjà vu?

Zijn voorhoofd kuste onzacht de slaapkamervloer. Eerst hadden er felle lampen in zijn ogen geschenen. Hij zat op een molen in de vorm van een parallellogram. De twee ronde en twee stompe hoeken verhinderden de kermisattractie niet om rondjes te draaien. Koens bovenlichaam zwaaide mee op de opzwepende beats uit de luidsprekers.

Zijn wilde droom schakelde zijn bewustzijn uit en maakte van Koen een buitenstaander. Hij werd geen superheld, eerder zijn schaduw die zijn leven even overnam. En zijn schaduw had gezelschap; naast het fluogroene paard dat hij bereed zat nog iemand op een paarse brandweerwagen. Koen riep iets naar zijn bijzitter maar uit zijn mond kwam geraaskal, een modder aan woorden alsof hij aan afasie leed. De juiste volgorde van de letters was zoek, maar hij had plezier op de molen, steeds harder draaiend, de lichtjes flikkerden sneller.

'Roulez, roulez', riep de uitbater.

Maar de zijden van het parallellogram begonnen te kraken. Koen zag hoe de constructie van buizen en pilaren vervaarlijk ombogen. Zelfs met zijn benen om de romp van het paard geklemd, verloor hij er toch de grip op. Hij wipte omhoog en werd met een klap uit de molen geslingerd. Op het tentzeil verschenen vlammen in onduidelijke kleuren.

'Vuur! Iemand moet blussen', riep Koen luid, met zijn wang tegen de slaapkamervloer. Zijn armen sloegen wild om hem heen.

'Rustig, Koen', zei Anneke. Ze streelde eerst onbeholpen met haar hand over zijn rug, maar hield hem dan stevig vast. 'Wat is er? Rustig.'

'Ga van die molen weg', riep hij. Anneke staarde hem ontdaan aan.

Door de spiegeling van het grote raam zullen ze hem niet zien staan. Tenzij Frank komt roken op het terras. Dat nicotinemomentje neemt Frank ongeveer om de drie kwartier. Langer dan vijfenveertig minuten kan Koen dus niet weg zijn geweest. Hij veronderstelt dat hij mee aan de tafel zat, het hoge glas tussen de duim en wijsvinger hield, de rode wijn liet walsen terwijl hij naar woorden zocht om zich in het debat te mengen of om het gebruikelijke bulderlachen van Bruno te onderbreken. Ondanks het potsierlijke, ietwat demonische, uiterlijk van Bruno, mocht Koen hem graag. Maar je moet zijn geraas af en toe afblokken, mocht je de avond elegant de nacht in willen loodsen.

Waarom is dit gezelschap in hun huis bij elkaar gekomen? Rond zijn eikenhouten tafel, zijn goede wijn zuipend, schuivend op hun stoelen. Met zijn rechtervoet duwt hij de schop dieper in de bevroren grond naast de krater, zodat het gereedschap als een richtingaanwijzer recht blijft staan. Hij plant een vlag op de plek waar hij belandde, nu moet hij de afgelegde weg nog zien te reconstrueren. Naast de omgewoelde aarde ziet Koen witte rijmplekken op het gras, de koude voelt hij niet.

De achterdeur die uitgeeft op het terras gaat open waarna een schimmige gedaante naar buiten stapt. Koen ziet de flitsende vlam van een aansteker, en dan het rode puntje van een sigaret. Franks ogen moeten nog wennen aan het donker, denkt Koen, vooraleer die de gastheer ontdekken. Zou hij even kuchen, om zijn aanwezigheid aan te kondigen? Om hem niet aan het schrikken te maken?

'Koen! Wat doe jij hier in de tuin, in deze vrieskou?'

Te laat. Wat is een plausibele reden om hier te staan lanterfanten? Koen zet een stap naar voor zodat de schop aan het zicht onttrokken is. Natuurlijk, het vuurwerk! Vanmiddag had hij enkele gillende keukenmeiden gekocht als verrassing voor vannacht.

'Even nog iets zoeken in de schuur voor vanavond, een kleine verrassing', mompelt Koen. Hij zag het opnieuw voor zich: hun binnenkomst, de bloemen voor Anneke, de fles whiskey voor hem.

'Goed, maar kom op tijd naar binnen. We dachten al dat je vastzat op het toilet. En je wil het slaan van de klokken toch niet missen?'

'Nee nee, ik kom eraan.'

'Je vat nog kou zo.' Frank huivert even, schudt met zijn schouders en hoofd, en trekt dan de terrasdeur achter zich dicht, duikt de geruststellende warmte in.

Hoe hij op die grote bulldozer terecht was gekomen, met twee politiewagens achter zich aan, was nog steeds onduidelijk. Het waren de sirenes die hem uit het tomeloze zwart van zijn slaap trokken, en in de chauffeursstoel katapulteerden, met zijn rechterhand ontspannen op de versnellingspook. Er zat nog iemand op de bulldozer, maar Koens hoofd zat op de romp vastgeschroefd dus kon hij niet naast zich kijken. Tot op vandaag breekt hij zijn hoofd over hoe hij het gevaarte aan de praat had gekregen. De enige verklaring is dat het sleuteltje nog in het contact zat.

'Meneer gaat op reis, zie ik', riep de tweede flik smalend, nadat de eerste hem met een bruusk gebaar van de zetel had getrokken. De derde stond toe te kijken, terwijl de vierde iets onverstaanbaar aan de dispatch doorgaf. Hij was blootsvoets, merkte Koen, en had het koud in zijn slaaptenue. Het was onduidelijk hoe ver hij van huis verwijderd was. Er werd geen tweede persoon van de bulldozer gehaald.

Op het proces-verbaal kwam diefstal en rijden zonder aangepast rijbewijs te staan. Als het blaastoestel ook promilles mat bij slaapdronkenheid, had de politie hem ook nog van rijden onder invloed beticht. Met een nachtje cel en een geldboete kwam hij er gelukkig van af. Het staartje kwam in de vorm van een grootschalig neurotisch onderzoek in het ziekenhuis, op bevel van Anneke die zijn nachtelijke escapades beu was.

'Jij gaat stante pede naar het ziekenhuis toe', riep Anneke toen zij 's ochtends in het politiekantoor stond. Dat riep ze graag, stante pede, als ze over haar toeren was; doe stante pede dit of dat, maak dat je stante pede hier bent, je gaat me stante pede wat uitleggen. Toch zat hun relatie goed in elkaar, een perpetuum mobile dat uitstekend draaide, alleen zijn slaapgedrag begreep ze niet goed. Voor Koen was de bulldozerrit een akkefietje in de reeks avonturen die niet zouden misstaan in een stripreeks, maar Annekes geloof in zijn geestelijke gezondheid vertoonde een eerste barstje.

Koen ziet alle gebeurtenissen op een kaart voor zich. Hij moet nu de punten met elkaar verbinden. De vuurpijlen brengen oudjaar. De groep vrienden bouwen een serie borden en een maaltijd om tot gezelligheid. En hij staat nog steeds met de schop in zijn hand een nieuw geval van gêne aan zijn verzameling toe te voegen. Hij moet nu stevig in het zadel gaan zitten en grip op de herinnering krijgen.

In die zin was dat neurologisch onderzoek tijdverlies geweest. Men had hem op zijn rug met kleefstrips aan de spijlen van een ziekenhuisbed vastgebonden, een kluwen van draadjes en sensoren op zijn lichaam geplaatst, voornamelijk op zijn hoofd waarop men ook nog een helmpje zette, waarna hij een zo natuurlijk mogelijke slaaphouding moest aannemen. Er was niets normaal aan deze ligstand. Thuis sliep hij op zijn buik, soms op zijn zij, maar nooit op de rug. De resultaten waren voorspelbaar; al slapende openden zijn ogen zich in de tweede slaapcyclus en had hij iets gemompeld. Men had het onderzoek als een succes beschouwd en er een ingewikkelde term voor gezocht.

Koen was echter kwaad geworden op de verpleging omdat hij door de kleefbanden veel te ruw uit zijn slaap was gehaald. Zo kan hij de droom nooit in kaart brengen, een naam op het gezichtsloze personage kleven, detecteren waarom de bioscoop van zijn geheugen de ene keer in zwart-wit, de andere nacht in kleur speelde. Het was een verslaving om terug te keren naar het moment net voordat de cocktail van neuronen met een geknetter tot uitbarsting kwam, de droom naar een verleden tijd werd geflitst. Het gaat meestal maar om enkele seconden die hij kan opgraven, een vaag beeld, een zinsnede die op het geheugen was ingehakt, en die hem tot bewegen aanzette. Terrein terugwinnen nu, de droom een smoel geven en dan veroveren. De kleefstrips hadden de droom de keel over gesneden waardoor hij bruusk uit zijn slaap was getrokken, opnieuw in de kille kamer was beland.

Hij ziet een stoel naar achteren schieten en het lichaam van de speelvogel sierlijk achterover vallen. Iemand slaat een hand voor de mond, is dat Frank? Of Hilde? Anneke loopt naar de keuken, zij gaat gauw ijs halen, voordat het achterhoofd van Gert dik en blauw wordt. Bruno zit te schaterlachen, ziet Koen. Zijn buik wipt op en neer, tot er zelfs een traan over zijn wang naar beneden rolt. Maar Bruno veegt niets weg, nee, hij houdt van alles wat pijnlijk, of slecht, of vuil is - nochtans liggen er servetten op tafel.

Koens gekriebel op het servet was onleesbaar geweest, daar hadden zijn ouders smakelijk om gelachen de dag na zijn dertiende verjaardag. Het morsdoekje van zijn slaap lag op zijn ontbijtbord gedrapeerd toen hij de keuken binnenkwam. Alle rommel van het familiefeestje dat de vorige avond had plaatsgevonden, was verdwenen.

'Jij had bijzonder veel te vertellen vannacht', zei zijn moeder die de kruimels van haar mondhoek veegde. Ze nam een nieuwe hap van haar boterham.

'Of beter: op te schrijven', zei zijn vader, veel te luid lachend. Koen stond beteuterd in de deuropening, onwetend over zijn nachtelijke dwaaltocht. Hoewel hij zich de avond ervoor best oud had gevoeld, dertien al!, voelde hij zich nu alweer klein en dom.

'Net Don Quichot die naar beneden stormde.' Zijn moeder legde uit dat hij met de donsdeken over de schouders de trap was afgekomen, zijn mantel over de stoel had gehangen, en druk aan het schrijven ging. Koen keek naar het opengevouwen servet waar met balpen lijnen op waren getekend, krullen en cirkels dansten op het broze papier, maar er waren geen letters of woorden in te herkennen. Nochtans had hij die wel gedroomd, herinnerde Koen zich. Hij was aan een avontuurlijke ridderroman begonnen voor de meelezer naast hem. 'Het leek wel of Sancho Panza naast je zat.'

'Maar die heeft weinig van je briefje begrepen, vrees ik', zei zijn vader. Hij lachte opnieuw. Hoewel Koen de heftige droom probeerde af te spelen, kon hij de figuur die naast hem had gezeten niet voor de geest halen. Het was geen nachtmerrie, toch voelde hij zich oncomfortabel bij zijn slaapgedrag, en in het bijzonder bij de getuigen van zijn wandelingen.

Anneke staat achter het raam, met de hand boven haar ogen om de spiegeling in het glas te doorbreken en naar buiten te kijken, naar Koen die nog steeds naast zijn kuil staat. Hij zwaait naar een bezorgd kijkende Anneke, en maakt een geruststellend gebaar; dat alles goed gaat, dat hij er zo aankomt, dat hij meteen weer aanschuift bij het feestje waar ze het oude jaar begraven met valse beloftes en de wens naar nieuwe broeksriemgaatjes.

Koen wrijft met zijn vuisten hard in zijn oogkassen tot hij sterretjes ziet. Of begint het onmerkbaar te sneeuwen? Soms bevindt hij zich in een eeuwige slaapmodus, tuimelt hij van dagdroom in nachtmerrie. Hij moet zijn dromen leren afbakenen, de contouren moet hij opzoeken - voor het gissen is naar wat gedroomd is, en wat zich echt heeft gemanifesteerd. Vroeger was zijn slaap een deur die hij hard achter zich dichtsloeg en enkel met de wekker wakker werd, nu wordt het steeds onduidelijker waar de spijlen van zijn cel zitten, hoe hij uit zijn droom moet vluchten.

Hij neemt de schop vast en onthoofdt de berg opgegraven aarde. Zacht ploft het bruine zand op de bodem van de kuil. Bij de vijfde schep glimt een baksteenscherf, wormen ziet hij niet. De schop slaat bij het terugzwaaien tegen zijn scheenbeen. Au. Pijn die er in zijn slaap nooit zou kunnen zijn. Hij is wakker. De buurman uit zijn dromen is verdwenen.

De kuil is dicht, maar nu zit er een donkere vlek in het gazon. Bij tuinwerkzaamheden zou hij de grasmat netjes uitsnijden in vierkante lapjes, om deze achteraf weer mooi in elkaar te puzzelen. Koen kijkt op, Anneke is weg. Ook de tafel is leeg. Ze zitten in het salon, denkt Koen. Hij zet de schop tegen de muur van de achterbouw, klopt zo goedschiks mogelijk de aarde van zijn broekspijpen en stapt uit zijn schoenen. Onmiddellijk jagen de bevroren terrasklinkers de koude langs zijn enkels naar zijn bovenlichaam.

'Je kijkt alsof je Big Foot hebt gezien', zegt Anneke, Bruno lacht veel te luid. Iedereen zit in de zetels. Op de salontafel staan een kan koffie, kopjes, koekjes en zijn fles cognac. Koen kijkt achterom, hoewel hij weet dat er geen monster valt te bespeuren. Het is harder gaan sneeuwen, ziet hij door het raam.

'Alles onder controle', zegt Koen zacht.

Ongemakkelijk zakt hij achterover in een zetel, Gert zit op zijn vaste plek. Gert, met wie hij nog iets moet bespreken, hij is vergeten wat, hij vindt niet echt ingang in dit gesprek, alsof hij onder het bootje van dit gezelschap duikt, de trillingen van de motor in het water ziet, het gedempte gelach van Bruno hoort. Het is wachten tot de lucht in zijn longen op is, de twee ballonnen op knappen staan, en zijn hersenen eindelijk het bevel uitdelen naar het oppervlak te zwemmen, om verse lucht te happen.

'Slaap jij of zo?', vraagt Hilde. Verwilderd kijkt Koen op. De groep rond de koffietafel kijkt hem verwonderd aan.

'Nee, nee, gewoon wat vermoeid', zegt hij. Om zijn antwoord het cachet te geven dat het verdient, wrijft hij nadrukkelijk in zijn ogen.

'Wat is er verdomme met je broek gebeurd?', roept Anneke.

'Uitgegleden', zegt Koen.

'Jij gaat stante pede een schone broek aantrekken', zegt Anneke. 'Nu maak je het hier ook nog smerig.'

'Meteen. Eerst even een cognacje drinken.' Hij grijnst naar Bruno, Frank, Gert. Die laatste knikt schaapachtig. Jongens onder elkaar, denkt Koen. Zij begrijpen hem. Nu pas ziet hij zijn vuurrode handen, de wonde op zijn rechterhandpalm als het litteken van zijn droom.

'De maag zwemt graag!', zegt Bruno veel te luid. Knipogend schenkt hij een glas cognac in voor Koen.

'Bon', zegt Koen en hij slaat het glas cognac in een teug binnen. 'Een nieuwe broek dus.' Hij staat recht, duizelt even, sterretjes, vindt zijn evenwicht weer en stapt de woonkamer uit. In de slaapkamer gooit Koen de vuile broek in een wasmand en hijst zich in een nieuw exemplaar. Hij gaat voor het raam staan en kijkt naar de donkere vlek in het gazon. In de verte knalt het vuurwerk van buren wier ongeduld is aangewakkerd door de sloten prosecco. Een hond blaft zijn ongenoegen.

'Zand erover', prevelt Koen.

Ze hadden aan tafel nieuwe beloftes gemaakt en kleine voorvallen uit het verleden opgerakeld. Vergeten ruzies waren bijgelegd. Zand erover, had Bruno geroepen, tot het irritant werd en Hilde hem een stomp in zijn zij had gegeven.

'Een nieuw jaar, een nieuw begin', had Frank getoost. Glazen kletterden tegen elkaar.

'Iedereen diep in de ogen kijken', riep Kim giechelig. Gert rolde met zijn ogen. Koen had zijn glas hoog gehouden maar het duurde even voor iemand met hem wilde toosten. Op avonden als deze moest Koen niets anders doen dan achterover leunen in zijn zetel en wachten tot iemand hem opmerkte. Het vatte alles samen, bedacht hij. Achterover leunen en wachten, nog het liefst op de verdovende slaap die hem in het onpeilbaar diepe water trok.

Hij neemt een zakdoek uit het nachtkastje, vouwt hem secuur open, en snuit hard en luid zijn neus. Wakker worden, denkt hij, de slaap van je afschudden. Het is kwart voor twaalf, zo meteen ontkurken ze de champagneflessen in de woonkamer, hij moet de gezelligheid mee vorm geven. Wanneer hij zijn zakdoek wil dichtplooien, ziet hij een bruine vlek op de witte stof, netjes op de vouw. Zand afkomstig van zijn neusbrug. Koen gaat op het bed liggen. Hij vindt het bizar dat niemand van zijn vrienden het nodig vond iets te zeggen over de bruine veeg op zijn neus, of is het onopgemerkt gebleven? Wat zou het fijn zijn de langste slaap aan te vatten en voorgoed tussen zijn hersenspoken rond te dwalen. Zich bij leven uitwissen, de vertrouwde schim een hand geven en opnieuw in de koker van zijn slaap springen. Zodat de aarde even ophoudt met draaien, om dan weer wakker te worden en af te tellen: 3, 2, 1, 0.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234