Vrijdag 09/12/2022

Een monumentaal ego van papier

Paul L�autaud: leven en sterven voor het dagboek

Als er iemand het adagium 'leven om te schrijven' in de praktijk heeft gebracht, dan moet het wel Paul Léautaud (1872-1956) zijn. Zijn hele leven lang heeft deze reactionaire anarchist, kattenliefhebber en vrouwenloper, misantroop en kluizenaar in zijn kantoortje op de uitgeverij Le Mercure de France, waar hij van 1908 tot 1941 tot het vaste meubilair behoorde, vellen papier volgeklad. Bij kaarslicht en met een ganzenveer.

Mels de Jong

Paul Léautaud

in Parijs

Aspekt, Soesterberg,

196 p., 16,95 euro.

ls een eenmansversie van de gebroeders Goncourt stortte Léautaud alles wat hem door het hoofd ging, uit in een immens dagboek: 19 delen, zesduizend zeshonderd bladzijden in dundruk. De eerste aantekening dateert van 3 november 1893, de laatste snik van 17 februari 1956, vijf dagen voor zijn dood. Hij schreef op losse blaadjes of in schoolschriften, in de oorlog ook op pakpapier, enveloppen en kruidenierszakken die hij tot repen van wel anderhalve meter aan elkaar plakte. Vandaag kent niemand nog zijn schaarse romans, maar het dagboek ging letterlijk een eigen leven leiden. Nadat In memoriam en Amours als nummer 2 in de reeks Privé-domein waren vertaald, houdt ook in Nederland een cohorte van Léautaud-freaks het vuur brandend. In de jaren zestig en zeventig zagen talloze uitgaven van zijn dagboeken het licht, en ook een tijdschrift als Maatstaf deed geregeld een duit in het zakje. Ed Jongma, die fragmenten uit Léautauds oeuvre vertaalde en essays over hem schreef, werkt al lang aan zijn ultieme biografie van de schrijver. Als opmaat voor dat boek publiceerde hij onlangs (onder het pseudoniem Mels de Jong) Paul Léautaud in Parijs.

Het is een wat onbestemd boek geworden, waarvan de vlag de lading niet helemaal dekt. Naast Jongma's stuk over Léautauds Parijs en enkele uit het meanderende oeuvre van de wonderlijke eenzaat geplukte passages over karakteristieke plekken in de Franse hoofdstad, krijgen we een lang en rommelig maar boeiend voorwoord van uitgever Martin Ros, een interviewfragment, notities die Léautaud maakte over dieren of reizen, naast theaterkritieken en essays over bevriende schrijvers als Stendhal en Rémy de Gourmont ("een verachter, een ontkenner, met een grote aristocratie. Medelijden bestaat niet bij hem. Kenmerkend voor hem is, lijkt mij, het wantrouwen en het sarcasme") - eigenlijk zijn al die stukjes vermomde zelfportretten van een man die verslingerd was aan blad- en andere spiegels. De bundel wordt besloten met enkele flarden uit Léautauds literaire- en privé-dagboeken, waarbij de laatste vooral aan affaires met vrouwen zijn gewijd. Paul Léautaud in Parijs is veeleer een verzameling interessant materiaal dan een monografie, veeleer een smaakmaker voor de beginnende liefhebber dan een werkdocument voor de exegeet. Dat hoeft geen probleem te zijn, want Léautaud was een fascinerende figuur en een uitstekend stilist die in literaire kringen een vrijwel mythisch aura heeft gekregen. Wel is het jammer dat het boek niet grondig genoeg is geredigeerd. Ik heb hier en daar een dt-fout verbeterd, en de 'jacht' ('la chasse') van de heiligen Geneviève en Marcel die in de kerk van Saint-Etienne-du-Mont wordt geëxposeerd om de naderende oorlog af te wenden (wat Léautaud wrang doet opmerken dat zijn bigotte tijdgenoten weer in het jaar 1000 zijn aanbeland), moet natuurlijk een reliekschrijn zijn. Maar niet getreurd, want er schiet nog genoeg literair verantwoords en politiek niet-corrects over, naast aardige anekdotes over de kluizenaar van Fontenay-aux-Roses, zijn honden en katten, zijn seksuele hoogstandjes en zijn ideologische omzwervingen.

In zijn voorwoord merkt Ros op dat Léautaud een volbloed cynisch conservatief was "met een draai die de anarchisten hem konden benijden". Een voorbeeld: hoe meer en hoe strenger de politie optreedt, des te beter - maar we moeten ons tegelijk wel voor elke politieman ten diepste blijven schamen. In zijn talloze aantekeningen verkent de radicaal ongelovige, kritische toeschouwer Léautaud de grenzen tussen politiek immoralisme (met reactionaire en ronduit antisemitische trekjes), hautaine onverschilligheid en gemakkelijke provocatie. Wanneer de jonge mannen van het kustplaatsje Pornic, waar de schrijver een rustige vakantie doorbrengt, zich te buiten gaan aan burgerzin en oorlogsretoriek, vliegt hij in de gordijnen. "Je zou al deze trompetspelers, leden van gymnastiekverenigingen, padvinders en allerlei soortgelijke hansworsten (...) alle binnenskamerse strijders, jong en oud, die er zo sterk in zijn om vanuit hun rustige fauteuil anderen te laten vechten (...) elk jaar bijeen moeten brengen, in twee groepen moeten verdelen, elk gewapend met een goed geweer en mitrailleurs, en ze dan echt tegen elkaar moeten laten vechten. Je zult tegen me zeggen dat er dan doden zouden vallen? Daar reken ik wel op. Dat zou dan het aantal domkoppen en schelmen mooi doen afnemen. Als je dat elk jaar opnieuw doet, dan bereik je misschien dat je ze allemaal uitroeit en er vrede ontstaat. Want dat is vrede: het verdwijnen van alle oorlogszuchtige schreeuwers." Terwijl de bommenwerpers in augustus 1940 over zijn hoofd heen en weer vliegen, noteert Léautaud dat er geen maat staat op de menselijke stompzinnigheid: "De kluchtige kant ervan: op een dag zullen er weer wederzijds ambassadeurs worden uitgewisseld, men wenst elkaar geluk, men nodigt elkaar uit om deel te nemen aan tentoonstellingen." Dat klopt natuurlijk, maar een onversneden humanitair pacifist is Léautaud nooit geweest. De onverlaten die na de bevrijding het opschrift "Hier woont een collaborateur" op zijn tuinmuur krasten, hadden wellicht zijn sympathiserende aantekeningen over Maurras, Brasillach of Drieu La Rochelle gelezen. Hoe ziek kan een misantroop zijn? In mei 1940 gutste deze onwaarschijnlijke golf van gal uit Léautauds pen tussen de kaaimuren van zijn dagboek: "De strijd schijnt al hevig te zijn, wat men er ons van verteld heeft. Wat gaat dat worden? Arme paarden, arme muildieren, arme legerhonden!" Mensen (en vooral kleine kinderen) hoefde hij niet, maar Léautaud heeft naar schatting zo'n driehonderd katten, honderdvijftig honden, een gans, een geit en een aap van voedsel voorzien; zijn karige weekloon van de Mercure ging er helemaal aan op.

Met vrouwen was het anders. Wie in het particuliere dagboek grasduint, heeft een vers potlood nodig om alle hitsige passages aan te strepen. Schroomvallig kort Léautaud cruciale lichaamsdelen en activiteiten af tot letters en puntjes, maar voor het overige voert hij zorgvuldig een seksuele boekhouding waarin hij zelfs het aantal orgasmen aanstipt. Hij had ontelbare vriendinnen van één nacht, en minstens zestien maîtresses tussen 1888 en 1914. Toen dook Anne Cayssac op, die tot 1934 Léautauds belangrijkste minnares was en door hem eerst (om haar zinnelijkheid) 'de panter' werd genoemd, maar later (om haar rothumeur) 'de gesel'. Biografe Marie Dormoy, die Léautauds literaire dagboeken uitgaf maar onder het pseudoniem Pierre Michelot ook zijn Journal particulier redigeerde, heeft de relatie die ze zelf vanaf 1933 met de schrijver had, jarenlang zedig verzwegen. En dan was er ook nog de mysterieuze Rebecca S., door de oude baas getypeerd als "gelijkwaardig aan de gesel" in bed, en zelfs een overtreffende trap "door haar woordenschat en haar erotisme; zodra zij er is vertoont ze zich naakt, in een peignoir die zij wijd open laat hangen". Rebecca S. was niemand minder dan Rachel Baes, de Belgische surrealistische kunstenares en ex van Verdinaso-leider Joris van Severen. Ze onderhield Léautaud nog even over een beroemde professor van de Leuvense universiteit die allerlei interessants vertelde over de mogelijkheid van seksuele prestaties bij mannen na hun tachtigste. Opa Paul zal met rode oortjes geluisterd hebben.

De slotzin van een in dit boek opgenomen toneelrecensie, die de auteur onderweg had laten overwoekeren door zijn karakteristieke autobiografische geneuzel, luidde: "Je kunt niet altijd briljant zijn." Af en toe lukte het wel. In het liefdevolle portret van zijn vriend Alfred Vallette bijvoorbeeld, waar de oude knorpot zijn opstandigheid tegen het schandaal van de dood samenvat in een emotionele, onverwacht openhartige bekentenis: "Geleefd hebben, gezien hebben, gekend, onthouden, zoveel dingen opgeslagen. Van een lichaam te hebben genoten, van een gezicht, van een stem, een lied - van gewaarwordingen, gevoelens, ideeën - van die onvergetelijke vreugde van het schrijven. En op een dag, verdwijnen, en alles achterlaten, voor altijd, onherroepelijk. Nee!"

Eigenlijk was Paul Léautaud een gekwelde, gekwetste mens die zijn kleine hartje liet dichtslibben door etter en zwarte gal. Veel beter dan de kreet van daarnet passen zijn officiële laatste woorden bij de mythe van egotisme en hatelijkheid die hij zorgvuldig vorm had gegeven: "En laat me nu verdomme met rust!" Maar of hij dat meende?

Eric Min

Eigenlijk was Paul Léautaud een gekwelde, gekwetste mens die zijn kleine hartje liet dichtslibben door etter en zwarte gal

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234