Maandag 25/10/2021

Een man zonder vrienden

Een regering die gevormd wordt zonder dat de nieuwe premier de debatten leidt: het is (haast) onuitgegeven in de Belgische politiek. Wilfried Martens deed het, als ‘koninklijk begeleider’: iemand moet kwajongens als Reynders toch bij de hand nemen zodat niet elk obstakel volautomatisch een impasse wordt, zoals gebeurde toen Leterme zelf de regering leidde? In normale omstandigheden is de eerste minister de man waar een regering zich rond schaart, de evidente politieke leider. In 1999 hoefde Guy Verhofstadt die status zelfs niet te claimen: hij hád die immers. Tussen 1992 en 1999 was Jean-Luc Dehaene dat ook. Louis Tobback deed zijn SP-congres zelfs applaudisseren voor CVP-premier Dehaene. Ja, dat waren nog eens tijden, toen de kameraden deden wat de voorzitter vroeg. En de hele jaren 80 door was Wilfried Martens zo vanzelfsprekend als eerste minister dat ‘t Pallieterke hem ‘zijne evidentie’ noemde, soms ook ‘de evidente’.Was de positie van Leterme als nieuwe eerste minister misschien logisch, evident was ze alleszins niet. Dat ligt niet helemaal aan de nieuwe premier zelf, maar vooral aan zijn partij. Vlaamse christendemocraten hebben het bijzonder moeilijk om een eerste minister te aanvaarden die níét uit de eigen rangen komt. De laatste keer dat hen dat overkwam (afgezien van de korte noodregering van Paul Vanden Boeynants in 1978), bij de roodroomse coalitie onder de Waalse socialist Edmond Leburton in 1973-’74, voerden ze onafgebroken oppositie. CVP’er Leo Tindemans, nochtans de vicepremier van Leburton, boekte een joekel van een verkiezingszege met een perfecte oppositieslogan: ‘Met deze man wordt het anders.’De ‘regel’ dat de grootste politieke familie de eerste minister levert, bestaat alleen als de christendemocraten de grootste zijn - en dan is de CVP/CD&V vanzelfsprekend sterker dan de cdH/PSC, en is er een Vlaamse democraat premier. Als dat níét zo is, doen ze bokkig. Dat is vandaag zo, nu de liberalen eigenlijk de grootsten zijn. Dat was al zo in 1987. Toen waren de verzamelde socialisten groter dan de christendemocraten. Maar omdat de CVP-achterban mentaal zo opgejut was tégen de socialistische oppositie en zich identificeerde met het rooms-blauwe herstelbeleid, was het ‘psychologisch nodig’ dat uittredend eerste minister Martens wéér premier werd, ook al was het van een totaal andere coalitie (“le retour du coeur”, triomfeerde de PS).

Notaris van regeerakkoord

In Sire, geef me honderd dagen, zijn fel gesmaakte reconstructie van die hallucinante formatie, beschrijft journalist Hugo De Ridder hoe onaangenaam de sfeer bij de onderhandelaars was of werd toen Martens erbij kwam, hoe onwennig de toekomstige premier aanvankelijk aan tafel zat - nadat formateur Jean-Luc Dehaene en CVP-voorzitter Frank Swaelen tijdens een memorabele lunch in het Antwerpse Sofitel bij Martens daarop hadden aangedrongen. Het resultaat was er ook naar. Wilfried Martens werd door de ministers van zijn laatste regering meer gezien als ‘de notaris van een regeerakkoord’ dan een echte eerste minister. Die is de leider, de trekker, de bezieler, het gezicht ook van een regering. De voorbije dagen had Wilfried Martens weliswaar geen honderd dagen, zelfs geen honderd uren nodig om Leterme II in de steigers te krijgen. Maar het blijft een aparte constructie. Het regeerakkoord werd vorig jaar december immers ook al door Martens gemonitord. Toen liet hij een beperkt programma uitschrijven, speciaal om de brokken te lijmen bij het uiteenvallen van Leterme I. Dat werd Van Rompuy I, en dat programma moet dus uitgevoerd worden door... Leterme II. Anders dan bij Martens in 1988 is er dit keer niemand van de CD&V-leiding die bij Leterme zwaar heeft moeten aandringen, zelfs niet pro forma, opdat hij zich zou ‘opofferen’ voor het land en de regering. Wel integendeel, Yves Leterme voelde het ergens als zijn ‘recht’ aan. Maar verder zit Leterme wél in een Martens-scenario. Hij schreef niet mee aan zijn eigen regeerprogramma. Door zijn voortijdige vertrek in december vorig jaar is hij een invaller die ineens aanvoerder wordt.En dat van een ploeg die sommige kwalijke manieren behield. Vorige vrijdag, dus daags na de verkiezing van Van Rompuy als Europees president, werd er voor het eerst serieus gepraat over Yves Leterme als eerste minister. Diezelfde avond werd er vanuit Open Vld-kabinetten al druk gespind: “CD&V probeert de andere coalitiepartners te gebruiken om Leterme beentje te lichten, dan hoeven ze het zelf niet te doen.” Het was een kwalijke want zelfdestructieve techniek die de vorming van Leterme I al verziekte, het zijn boze geesten die onder Van Rompuy I meestal in de fles bleven maar nu weerom rondspoken nog voor Leterme II een feit is. Open Vld heeft trouwens nog meer redenen dan in 2007 om nijdig te knauwen naar de premier. De partij heeft de laatste verkiezingen verloren en is gedoemd om zich te profileren willen ze in 2011 een deel van de verloren stemmen recupereren. Maar zich profileren in een regering is deksels moeilijk, zeker als er onpopulaire maatregelen moeten worden genomen: socio-economische inleveringen, communautair wellicht wat toegevingen. Bovendien is straks niet meer Guy Verhofstadt de liberale partijvoorzitter, maar Alexander De Croo, Marino Keulen of Gwendolyn Rutten. En waarom zou bijvoorbeeld Rutten niet gretig zijn om iets te laten zien? Waarom zou zij dralen met de sowieso bij de liberale achterban onpopulaire Leterme onderuit te halen als haar dat uitkomt? Zou haar mentor Karel De Gucht haar tot voorzichtigheid en gedweeheid aanporren, of zou hij enige poging tot ‘zeggen waar het op staat’ niet ongenegen zijn? Het politieke overleven van elke nieuwe liberale voorzitter hangt trouwens alleen af van de mate waarin zij hun partij kunnen doen opvallen bij de kiezer, en níét noodzakelijk van de stabiliteit van de federale regering. Dat levert in het beste geval ‘de gezichten’ van die regering een electorale bonus op, maar noch Guy Vanhengel, noch Annemie Turtelboom worden zo gepercipieerd. Waarom zouden de liberalen Leterme II standvastig steunen?Leterme vertrekt dus met weinig vrienden bij de liberalen. En hij zal zijn best mogen doen om vriendjes te vinden bezuiden de taalgrens. Alleen al het horen van zijn naam was voor Le Soir-hoofdredactrice Béatrice Delvaux het sein voor een messcherpe aanval ad hominem: niet met deze man.Zelfs bij zijn eigen partij is de steun voor Leterme minder uitgesproken dan voorheen. Toen hij eerste minister werd, had de man in eigen CD&V twee onvoorwaardelijke steunpilaren in de federale regering, de twee met wie hij na zijn verkiezingssucces samen op de tafel had gedanst: justitieminister Jo Vandeurzen en minister van Openbare Diensten Inge Vervotte. Maar Vandeurzen nam nog voor hem ontslag - en dwong Leterme zo uiteindelijk om ook te plooien, en met hem stapte ook Vervotte op, al komt de wonderjuffer van het ACW mogelijk terug in Leterme II. In de plaats van Vandeurzen kwam Stefaan De Clerck. Een goede man, en gelukkig niet haatdragend. Toen hij in 1999 CVP-partijvoorzitter werd, zag een getalenteerde jonge generatie (Leterme, Pieter De Crem, Joachim Coens) dat eigenlijk niet zitten. Ze voerden geen oppositie tegen De Clerck, maar beoefenden wel de subtiele kunst van de obstructie. De ‘getalenteerde jongeren’ waren in de eerste oppositiejaren erg zuinig met hun steun aan de eenzame strijd van De Clerck tegen paars. Pas na enige jaren kwamen ze uit de schaduw, net op tijd om sterk te staan toen De Clerck in 2003 de verkiezingen verloor en ontslag de enige optie was. Leterme werd de nieuwe voorzitter, De Crem schoof door als fractieleider. De één zijn dood is de ander zijn brood, zo gaat dat bij alle partijen, en dus ook bij CD&V. Dat was in de tijd van Martens zo, dat is onder Leterme niet veranderd.

Junta van partijvoorzitters

Yves Leterme zit trouwens niet alleen in het ongemakkelijke Martens-scenario van 1988, hem wordt voor de staatshervorming ook het wurgende Tindemans-pakje van 1977 aangemeten. De communautaire onderhandelingen zal premier Leterme niet leiden, dat doet ‘koninklijk opdrachthouder’ Dehaene. Het ontwarren van de moeilijkste politieke knoop (B-H-V, bij uitbreiding de staatshervorming) is weerom niet de zaak van de premier, maar van de échte big shot. Dat gebeurde ook in 1977. De Franstaligen hadden te weinig fiducie in premier Tindemans. De machtige partijvoorzitters, met Martens voor de CVP, onderhandelden dus parallel aan de regering, dus zonder de eerste minister. Die werd - ook toen - aangemaand de economische crisis te bestrijden. Maar uiteindelijk waren het Parlement en regering - en dus Tindemans - die het Egmontpact van Martens en co. in wetgeving moesten omzetten. Tindemans werd een van de bitterste tegenstanders van, jawel, de door de partijen afgesproken B-H-V-deal. “De grondwet is geen vodje papier”, brieste hij in 1978, en hij liet dan maar zijn regering vallen: geen communautair akkoord, geen anticrisisbeleid, ook geen elementair vertrouwen meer in de Wetstraat. Elke vergelijking loopt mank, dus ook de link tussen Tindemans, de man van één miljoen stemmen (eigenlijk 983.000), en Leterme, de man van achthonderdduizend stuks (eigenlijk 796.521). Tindemans was beducht voor Martens omdat die zijn plaats ambieerde. Leterme kan gerust zijn: Jean-Luc Dehaene wil geen Dehaene III. Bovendien is zeker aan Franstalige kant de gelijkschakeling tussen partijvoorzitters en vicepremiers (nog) zeer groot: er is geen externe ‘junta’ die de regering aan het lijntje houdt. Al kan een cynicus zeggen: de junta zit dus deels in de regering en houdt die zo nog strakker in de hand dan vroeger. Precies omdat het partijbelang zo zwaar doorweegt in concrete dossiers - met vluchtelingen als het meest pijnlijke - heeft deze regering zo weinig armslag, komt men tot zo’n pover beleid.Soms geniet een premier ook de steun van het paleis. Koning Albert kan zich niet veroorloven, zoals Boudewijn eigenlijk deed met Martens, een voor- of afkeur voor Leterme te laten blijken. Maar het zou een wonder zijn dat de premier in Laken een goede vriend heeft wonen, gezien zijn gevaarlijke discours (‘vijf minuten politieke moed’) dat België haast in staat van ontbinding bracht, en zijn brokkenparcours in 2007-2008, waar de koning zijn nek uitstak om zijn premier (en vooral diens regering) te redden, maar daarvoor amper appreciatie kreeg.Maar partijen of junta’s of zelfs prinsen en koningen, in een democratie kan men altijd terugvallen op de kiezer. En was die kiezer niet de machtigste vriend van Leterme? Vraag is natuurlijk of dat de volgende keer nog zo zal zijn, in 2011. In 2007 was Leterme een man die verenigde. Dat is doorgaans een kwaliteit van superpopulaire politici. Populaire politici kunnen alle potentiële kiezers van hun partij achter zich scharen. Tobback deed dat in 1995. ‘Uw sociale zekerheid’: alle potentiële socialistische kiezers stemden toen SP. Dehaene kon dat met de CVP-kiezer in 1995. Echte landslide overwinningen zijn evenwel voor superpopulairen, zoals dus Leterme in 2007. Voor mannen die zelfs kiezers aantrekken die logisch gezien nooit voor hun partij zouden stemmen. In 2003 haalde Stevaert stemmen bij mensen die zichzelf nooit als ‘socialist’ zouden zien. In juni laatstleden deed Bart De Wever ongeveer dubbel zo veel mensen op N-VA stemmen dan dat er Vlamingen geïnteresseerd zijn in communautaire dossiers.Zelfs Herman Van Rompuy werd de jongste weken vooruitgestuwd door zo’n algemene volkswil. Een sloeber als Jean-Marie Dedecker had dat perfect in de smiezen, vandaar dat de LDD-kopman het achteraf zo goddelijke één-tweetje met de premier uitlokte met dat gedicht van Adriaan Roland Holst: Dedecker gaf extra glans aan Van Rompuys vertrek naar Europa, en dat straalde op die manier ook wat op hemzelf af.

Politici die verdelen

Het tegengestelde van politici die verenigen, zijn zij die verdelen. Dat was het bittere lot van de Stevaert van 2004: in zijn hemd gezet als ‘het heilig paterke’, en ineens was hij persoonlijk een reden om níét voor de sp.a te stemmen. Dat is ook wat Leterme zou kunnen overkomen: dat hij straks meer verdeelt dan verenigt. Om één of andere reden heeft Leterme een precieus talent om mensen tegen hem in het harnas te jagen. Tijdens zijn superkorte carrière als minister van Buitenlandse Zaken had hij al stennis met Tunesië. Niet met de regering van Congo of een ander relevant land, maar met Tunesië: het is haast een prestatie om daarmee ruzie te kúnnen krijgen.Het is de paradox waarvoor Leterme vanaf vandaag staat. Hij moet vanuit de immer eenzame functie van eerste minister dringend op zoek naar nieuwe vrienden. In eigen partij, in eigen regering, in het eigen land ten slotte. In de bijwijlen genadeloze Wetstraat moet deze man een tweede keer op zoek naar een verloren staat van genade. Yves Leterme als de eerste christendemocraat die zich verplicht zal zien de goden uit te dagen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234