Woensdag 16/06/2021

Een man langs de zijlijn

Betty Mellaerts praat met Lode Campo Foto Tim Dirven

'Toen ik mijn mandaat van vijfentwintig jaar directeur-generaal van C&A-België beëindigd had - ik was zestig en vijfendertig jaar in dienst - kreeg ik nog twee aanbiedingen. De eerste van de Kredietbank om Biac te leiden, de uitbater van de luchthaven van Zaventem, en een tweede van het VEV-comité Brussel, waarvan ik een jaar of vijf voorzitter ben geweest. Het VEV is een beroepsorganisatie, maar in Brussel hadden we gezegd: we behouden een tribune, comité Brussel, waarin we ons niet alleen profileren als werkgevers maar op een eigentijdse manier werken aan de Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Zij vroegen mij om De Warande uit te bouwen. De eerste aanbieding had waarschijnlijk veel geld opgebracht, de tweede heeft veel geld en moeite gekost.

"De keuze was niet zo moeilijk. C&A was in België in 1951 niet meer dan een klein inkoopkantoor. Toen ik in januari '87 met pensioen ging, was het een organisatie met vijfendertig C&A-filialen, een groot hoofdkantoor en een tiental winkels onder andere namen. Ik had dus al die jaren heel hard in het zakenleven gestaan. Ik had een financiële aisance, om het zo uit te drukken, en overtollige rijkdom is volgens mij niet nodig. Bovendien heb ik naast de zakelijke aspecten gedurende mijn hele carrière ook een Vlaams engagement gehad. Ik heb aan de zijlijn gestaan om te bekijken hoe Vlaanderen autonomer zou kunnen worden, aanvankelijk CVP-georiënteerd, zoals zoveel Vlamingen. Ook Hugo Schiltz was oorspronkelijk een CVP'er. Maar we vonden dat de CVP niet Vlaams genoeg was en zeker niet genoeg deed voor de doorbraak van de Vlaamse beweging. Achter die mening sta ik vandaag nog en dat heb ik mijn vrienden daar ook gezegd. Daarom hebben we ons op de Volksunie gericht, die ik zag als een zweeppartij waarvan ik verwachtte dat ze het proces van de Vlaamse autonomie zou versnellen. Meer niet. Ik heb altijd gezegd: deze partij is terminaal. Dat hebben ze me verweten, maar zo zag ik het en het heeft tot mijn grote verbazing nog lang geduurd.

"Later pas kwam het Vlaams Blok, dat zeker niet de enige erfgenaam is van de Vlaamse beweging, zoals ze beweren. Ik herinner me hoe Lode Claes, met wie ik veel heb gewerkt, en zijn vriend Karel Dillen de partij stichtten. Ik geloofde er niet in. Het Vlaams Blok heeft zich weliswaar Vlaams opgesteld, maar boekte vooral succes met de slogan 'Eigen volk eerst'. Nu, ik ben wel voor ons eigen volk, maar niet om de rest te vergeten, hé. Je moet realistisch zijn. Het Vlaams Blok heeft zijn succes kunnen bouwen op de problemen in bepaalde Antwerpse wijken. Het was daar voor de gewone Vlamingen niet meer leefbaar, maar dat mocht niet gezegd worden. Ik vind trouwens dat men de grootste fout heeft begaan met het cordon sanitaire. Ik denk dat als men het Blok had toegelaten om eens even aan de macht te komen, de partij hetzelfde lot had gedeeld als het FDF in Brussel, waar nu ook niemand meer over praat. Als ze mee moeten besturen, wordt het plots allemaal minder glorieus. Nu vrees ik dat we bij de volgende verkiezingen weer het gelag zullen betalen. Er is maar één nieuw aspect: door het uiteenvallen van de Volksunie is de figuur van Geert Bourgeois naar voren gekomen, en hij is naar mijn gevoel nogal consequent. Hij zou wel eens stemmen kunnen weghalen bij het Vlaams Blok."

'Mijn Vlaamse reflex heb ik zeker niet van huis uit. Mijn ouders waren helemaal niet overtuigd Vlaamsgezind en we komen evenmin uit de collaboratie, we waren anglofiel. Eigenlijk dateert dat Vlaamse gevoel uit de studentenbeweging aan Sint-Ignatius, nu de Ufsia. Daar ben ik de feiten naast elkaar beginnen leggen. Ik zag dat de Vlaamse kwestie niets te maken had met een taal maar dat Vlaanderen jarenlang op sociaal-economisch gebied benadeeld was in de Belgische structuren. Dat heeft de vonk doen overslaan.

"In de rechtstreekse politiek heb ik nooit zin gehad. In een artikel in De Standaard heb ik me ooit politiek dakloos verklaard. Dat achtervolgt me nog altijd, maar in wezen ben ik dat ook. Ik heb geen partijkaart, nooit gehad. Wie zich aan de zijlijn opstelt moet dat vooral niet hebben, anders ben je niet geloofwaardig. Onrechtstreeks heb ik me des te meer geëngageerd. Zo was ik in 1977 als ondernemer - nooit eerder vertoond - lid van het anti-Egmontkomitee en ik zat in het Stuyvenbergkasteel aan de besprekingstafel met Wilfried Martens, Karel Van Miert en Hugo Schiltz. Ik was radicaal tegen dat pact omdat het de verfransing van de rand van Brussel in de hand werkte. We hebben het afgeschoten, wat mijn vriend Hugo Schiltz me kwalijk heeft genomen, maar enfin, intussen zijn we alweer sinds lang goede vrienden.

"Ik heb altijd gevonden dat je meer kon bereiken in een drukkingsgroep langs de zijlijn. Via het anti-Egmontkomitee, het VEV-comité Brussel en De Warande hebben we veel meer gedaan voor de bewustwording van de Vlamingen op niveau. Want dat was hier een belangrijk punt. Vóór De Warande bestond, waren vijftig procent van de leden van de Franstalige Cercle Gaulois, Vlamingen die zich daar alle dagen lieten afstraffen omdat er geen alternatief met allure was. De Warande uitbouwen was een logisch vervolg op mijn Vlaams engagement.

"We hebben heel hard aan de voorbereiding ervan gewerkt en al wie er toen bij was, is er nog altijd, ook de meesterkok en de maître d'hôtel, maar eenvoudig was het niet. Het heeft veel centen gekost en die hadden we niet. We moesten onze nek uitsteken en mensen overtuigen om in het project te geloven. Het begon al met het gebouw. Het hotel Empain, waarin we De Warande hebben ondergebracht, stond tien jaar leeg toen twee families het kochten: de industriëlen Van Waeyenberge en Janssen, van Janssen Pharmaceutica. Met Piet Van Waeyenberge was ik goed bevriend en wij hadden er al over gesproken om die Vlaamse aanwezigheid in Brussel te vertalen in stenen, om een plaats te creëren waar Vlamingen elkaar konden ontmoeten en bevruchten, figuurlijk welteverstaan. Een mooie, stijlvolle ruimte waar ze ook hun nationale en internationale gasten zouden kunnen ontvangen. Op 29 april 1988 zijn we opengegaan.

"Enkele weken later hebben we de toenmalige leiding van de Cercle Gaulois hier ontvangen. Ze kwamen met drie binnen en liepen de monumentale trap op. 'Ce n'est pas mal restauré', hoorde ik hen zeggen. Helemaal boven keken ze elkaar aan: 'Mais où est-ce-qu'ils ont trouvé l'argent?' Ze dachten dat we hier allemaal zwaaiend met de leeuwenvlag nog in korte broek zouden rondlopen! Van in het begin hebben we gezegd: we moeten Vlaanderen eigentijds profileren, en daar sta ik nog achter. Met het grootste respect voor wie vanaf de Eerste Wereldoorlog de kastanjes uit het vuur heeft gehaald, maar je moet actualiseren. En dat kost je enkele symbolen.

"De Warande is pluralistisch en niet politiek. Het is ook geen businessclub, dat wordt wel eens vaker verkeerd begrepen. Er zijn politici lid, magistraten, academici, mensen uit de culturele en sociale sector, maar die laatsten worden meestal gesponsord. Nu, voor de zakenlui betaalt de firma en voor de Vlaamse regering betalen we met de lidgelden de leningen terug, er zijn er dus maar weinigen die privé-geld op tafel leggen. We ontvangen ook Franstalige gasten en zij mogen in De Warande de taal spreken die ze willen. Het zijn de leden die Nederlandskundig moeten zijn. De Amerikaanse ambassadeur zou graag lid worden, want dan kan hij zijn gasten hier ontvangen. 'Your kitchen is much better than mine', zegt hij, ongetwijfeld terecht, maar hij spreekt geen Nederlands, dus dat kan niet. De gerestaureerde gebouwen hiernaast daarentegen hebben we verhuurd aan de United States Government voor hun ambassade bij de Europese Commissie. Daar is onlangs een nieuwe ambassadeur benoemd en die spreekt wel Nederlands. Hij heeft zich dan ook direct aangesloten. Nationaliteit speelt geen rol.

"Brussel is niet meer wat het vroeger was, een stad die bespeeld werd door Franstaligen en Vlamingen. Nu is het een geheel van veel minderheden. We zijn ook al een eind opgeschoten, maar zelfs in de huidige federale structuren moeten we nog vechten voor het eerbiedigen van de spelregels. Ik woon in Wemmel, een faciliteitengemeente. We hebben er geen probleem met de Franstaligen, maar zij leveren wel geen enkele inspanning. Kijk eens hoe prinses Máxima in Nederland als Argentijnse in korte tijd niet alleen meer dan behoorlijk Nederlands spreekt maar bovendien de situatie helemaal door schijnt te hebben. En kijk dan eens naar Wezembeek-Oppem, waar Franstaligen zich tenslotte toch ook vrijwillig komen vestigen en prompt om een Franstalige school en kerk vragen. Dat is toch nonsens! De Vlamingen die ooit naar Wallonië zijn gegaan, Onkelinx, Van Cauwenberghe, de namen zijn legio, die hebben zich wel móéten assimileren. En terecht. Het omgekeerde is onaanvaardbaar.

"Maar telkens opnieuw vallen de Franstaligen erover en accepteren ze niet dat Vlaanderen wel zal beslissen over wat er in Vlaanderen moet gebeuren, met respect voor de minderheden zo die er al zijn. Ze zijn bang dat er geen geldtransfers meer zouden zijn en daar hebben ze nog gelijk in ook. Zonder transfers uit Vlaanderen komt Wallonië in nog grotere moeilijkheden. Die wens ik hun niet toe. Ik wens alleen dat wij een structuur zouden hebben waarin Vlaanderen honderd procent zichzelf kan zijn. En als Brussel de hoofdstad is van Europa, België en Vlaanderen, moet ze die taak ook vervullen. Als ze dat niet goed doet, hoeft ze dat niet meer te zijn. Negentien gemeenten, dat is toch onzin. Als je dat in het buitenland uitlegt, denken ze dat je een grap vertelt. Een stad van goed één miljoen inwoners die negentien burgemeesters heeft, evenveel gemeenteraden en schepencolleges en acht ministers. Het is de wildgroei van vroeger, toen Vlaanderen stukje bij beetje meer autonomie kreeg en de Franstaligen niets wilden afgeven. Dat is niets om trots op te zijn, vind ik.

"De jeugd is intussen minder scherp dan wij, dat merk ik wel. Daarom denk ik dat we meer en meer naar autonomie zullen evolueren, dat is niet tegen te houden. Ik vrees zelfs dat de scheiding over ettelijke jaren een feit zal zijn, al zal ik dat waarschijnlijk niet meer meemaken."

'Bij De Warande heb ik eigenlijk maar één ding moeten leren: dat het een non-profitsector is. Iedereen die aan de wieg stond, zei: we moeten winst maken. Na zes maanden wist ik: we mógen geen winst maken. We konden alleen maar die activiteiten toelaten die beantwoordden aan de hoofddoelstelling: een ontmoetingsplaats.

"Dat houdt in dat we geen ruimte kunnen geven aan commerciële activiteiten. Voor onze bekende werklunches aanvaarden we maar vijfendertig inschrijvingen, terwijl we telkens honderd belangstellenden tellen. Dat wil zeggen dat we telkens een enorme omzet weigeren. Dat was in het begin voor topzakenmensen heel moeilijk te verteren. Verder heeft mijn ervaring bij C&A, waar ik ook van niets ben begonnen, me goed geholpen bij het opstarten van De Warande. In die beginfase kom je met allerlei problemen in aanraking. Je moet een ruimte zoeken, mensen, je hebt met financiële en juridische aspecten te maken, met personeelsbeleid. Bij C&A heb ik zelfs nog meegewerkt aan de reclame, maar aankopen heb ik er nooit gedaan. Het commerciële aspect heb ik alleen in mijn opleiding meegemaakt.

"Eigenlijk had ik rechten willen studeren in Leuven, maar dan was ik ongetwijfeld toch ook in het bedrijfsleven terechtgekomen, want de balie sprak me niet zo aan. Om financiële redenen was Leuven helaas niet mogelijk. Mijn vader is jong gestorven, in 1940, toen mijn zus, mijn broer en ik wegens de oorlog in het zuiden van Frankrijk waren met een kinderloze oom en tante. Daar hebben we een maand of zeven gewoond. Mijn vader is gestorven aan een ziekte die nu genezen kan worden. Kort na zijn dood is namelijk de penicilline uitgevonden, maar dat is het lot. We zijn teruggekeerd naar België, maar we hebben ons niet goed gerealiseerd dat hij dood was. Ik herinner me mijn vader ook maar vaag, hoewel ik toch al dertien was toen hij stierf. Ik zie hem nog als de man die altijd werkte, in een groot atelier. Hij had de smidse van mijn grootvader omgebouwd tot een elektriciteitszaak, maar die was al verkocht toen wij er weer aankwamen.

"Antwerpen is bevrijd in september 1945, maar Merksem, waar wij bij mijn oom en tante woonden, pas acht weken later. Wij zijn nog tot aan de Nederlandse grens moeten vluchten en toen we terugkwamen, werden we gebombardeerd door de vliegende bommen. Antwerpen leefde in de kelders. Mijn oom werkte voor een Zuid-Amerikaanse firma en hij had een appartement op de avenue des Nations in Brussel, nu de Franklin Rooseveltlaan. Daar hebben we een jaar gewoond. Ik kon er niet meer naar school en ging werken bij het Engelse leger, in een afdeling waar ze zorgden voor de bevoorrading van de soldaten. Daar heb ik vrij goed Engels geleerd en veel opgestoken over het ondernemingsleven. Dat kantoor was in de Wolstraat 20 in Brussel. En u zult het niet geloven, maar het eerste inkoopkantoor van C&A in 1951 huurde een ruimte in precies datzelfde huis!

"Door de dood van mijn vader hadden we niet zoveel middelen. Daarom koos ik voor de universiteit van Antwerpen, zodat ik geen transport- en verblijfskosten had. Op Sint-Ignatius lagen handels- en consulaire wetenschappen nog het dichtst bij rechten. Het is uit relaties met de oud-studenten dat de job bij C&A mij werd aangeboden.

"Mijn moeder is altijd weduwe gebleven. Ze was negentig toen ze stierf. Ze was zeer katholiek en heeft haar geloof aan ons doorgegeven. Voor mij is het geloof nog heel belangrijk, ik ben bijvoorbeeld ook voorzitter van de kerkfabriek in Wemmel. Met het instituut kerk heb ik soms moeite, maar dat is zoals met alle instituten, ook bij de loge of zelfs het koningshuis, hoewel ze me tot baron hebben benoemd. Die instituten zijn mensenwerk en het grootste probleem is dat ze niet evolueren. De katholieke kerk zeker niet met de huidige paus. Het is bijna niet aanvaardbaar dat die man, gezien zijn leeftijd en zijn fysieke conditie, nog de leider is van de kerk. Het is ook een wereldkerk, en wat goed is voor Europa is daarom niet goed voor Azië of Afrika, dat is het probleem. Maar het instituut is één ding, het geloof nog iets anders.

"De religieuze overtuiging is altijd een rol blijven spelen in mijn leven. Toen ik na mijn studies de leiding kreeg over C&A heb ik me voor de topkaders omringd met medestudenten omdat ik wist dat we dan allemaal dezelfde mentaliteit zouden hebben. Sint-Ignatius was bekend in die tijd, het werd geleid door jezuïeten. We waren allemaal christelijk gelovig en konden goed met elkaar praten omdat we uit dezelfde sfeer en ideologie kwamen. Ik zeg niet dat het met anderen niet gelukt zou zijn, maar het was gemakkelijker om een team met gelijkgestemde zielen te hebben.

"Ik wilde ook universitair opgeleide mensen rond mij, wat toen helemaal niet gebruikelijk was. Bij de tweede aanwervingsronde ben ik begonnen met psychotechnisch onderzoek. Het was toen 1951! Bij de top in Amsterdam vroegen ze me: waar ben jij mee bezig? Maar ik vond dat we de mensen wat konden aanbieden. C&A-België was nog een inkoopkantoor, maar het stond in de sterren geschreven dat we winkels zouden kunnen openen, het bedrijf stond financieel sterk en de toekomstperspectieven waren vrij groot. Als je toen iemand een job aanbood met inhoud en een goed salaris, dan bleef hij de rest van zijn leven bij jou, terwijl het nu net goed staat om van het ene bedrijf naar het andere te gaan. Het hoger kader bestond uit entrepreneurs. Die moesten mij niet komen vragen: wat moet ik vandaag doen? Ik heb altijd gezegd: als ik u vandaag met uw echtgenote zie rondlopen om te winkelen, is het voor mij ook goed. Als uw job maar gedaan wordt. Dat was ook revolutionair op dat ogenblik.

"In het begin vormden we een heel sterke clan. C&A was - en is nog altijd - een familiaal bedrijf met een grote bedrijfscultuur, dat heel veel waarde hechtte aan de inhoud van de mensen en dat honoreerde op allerlei gebied, niet alleen met geld. Ik begeleidde de kaders van de wieg tot het graf. Als er iets in de familie gebeurde, stond men klaar. Dat is allemaal een beetje weg nu, door de grotere concurrentie en de europeanisering. Ook een onderneming moet met de tijd mee, maar C&A heeft onderweg de pedalen verloren. Niet omdat ik wegging, maar omdat enkele jaren later iedereen dacht: we moeten globaliseren, denken in functie van Europa. Daardoor vergaten ze het lokale aspect en dan ben je verloren, natuurlijk. Stilaan komen ze daarvan terug en denken ze weer regionaal. De oude formule van C&A blijft de goede: kleding brengen voor het hele gezin maar gefocust op de lokale klant. Het is logisch om te denken: we hebben een grote inkoopkracht; als we die samenbundelen, kopen we veel goedkoper aan. Dat is juist, maar het is heel duidelijk dat men in Duitsland een andere collectie wil dan in België en zelfs in het noorden van Duitsland nog een andere dan in Beieren. Ik herinner me dat we toen we in Antwerpen begonnen één Duitse inkoper hadden. Toen ik de eerste collectie herenpakken zag binnenkomen, zei ik: dit is onverkoopbaar. Dat lelijke groen en rood dat ze ginder wel droegen, zou hier niemand aan willen hebben. We hebben alles teruggestuurd en we zijn herbegonnen.

"Na vijftien jaar afwezigheid kan ik natuurlijk niet goed meer inschatten en evalueren wat er in het bedrijf gebeurt. Ik ga met bepaalde beslissingen die er genomen worden niet akkoord, maar ik weet niet of ik gelijk heb of niet. Ik ken niet alle parameters. Maar het verheugt me dat ze in grote lijnen teruggekomen zijn tot de formule die we ingevoerd hadden net voordat ik wegging. Helaas is dat met meer vallen dan opstaan gebeurd, maar goed. Vroeger was elk land bij C&A autonoom. Ik heb vijfentwintig jaar lang, later samen met twee andere directieleden, de lijnen bepaald en uitgezet. Ik ging af en toe naar een vergadering in Nederland, maar verder was België van ons. En dat kon ver gaan. C&A had en heeft nog een speciaal budget om aan liefdadigheid te doen. In mijn tijd ging het om een groot bedrag van de winst dat aan allerlei projecten werd uitgekeerd. Zuiver mecenaat, wat nog iets anders is dan sponsoring. Je geeft voor niks, zonder dat je naam vermeld wordt. Daarom zag ook niemand iets en kreeg ik vaak de opmerking dat C&A niets deed. Maar niemand hoefde dat te weten. Er werden dossiers opgesteld van de aanvragen en die werden bestudeerd, maar de uiteindelijke beslissing nam ik zelf. Ik wist binnen welke criteria ik moest blijven, ook de Nederlandse stichters waren christelijk gelovig. Het communisme hebben we dus niet gesteund, om maar iets te noemen.

"In 1967 hebben we wel onze steun toegezegd om het Jan van Ruusbroeccollege te bouwen aan de noordkant van Brussel, met een sportzaal erbij en een 25-meterbad. Ik ging naar de kardinaal en vroeg of het bisdom de pedagogische leiding op zich wilde nemen. Dat wilden ze niet. De jezuïeten hebben het wel aanvaard, al is de laatste nu ook weg. We vonden dat het een heel belangrijke taak was om Vlamingen in Brussel goed op te leiden.

"Samen met het VEV hebben we ook geld gestoken in de krant De Standaard, die in 1976 failliet ging. We moesten 200 miljoen vinden en het was heel moeilijk om die centen bij elkaar te krijgen. Dat heeft me hogelijk verbaasd, want de krant was toen nog hét symbool van de Vlaamse beweging. Ik ben gevraagd om zitting te nemen in het directiecomité en daarvoor had ik ook het akkoord gekregen van de eigenaars van C&A. We waren met vier directieleden. Eén van hen verongelukte zes weken later met zijn vliegtuig. Door mijn werkomstandigheden kon ik de dagelijkse leiding van de krant niet overnemen en zo is André Leysen aan zijn carrière daar begonnen. Ik wist voordien niet eens wie hij was, daar heb ik hem leren kennen. Later ben ik beter bevriend met hem geraakt, maar het blijft een aparte persoonlijkheid.

"Er is intussen uiteraard veel veranderd. Zoals ik al heb gezegd: ik wil de Vlaamse beweging eigentijds invullen en dan moet je van bepaalde symbolen afstand nemen. Accepteren dat AVV-VVK niet langer op de voorpagina van De Standaard stond, was in dat verband misschien wel de moeilijkste opdracht. Ook het verdwijnen van Manu Ruys heeft bij mensen van mijn generatie pijnlijke wonden geslagen. Na hem moest het dagelijkse 'editoriaal' eraan geloven en dat vinden velen ook erg moeilijk om te aanvaarden. Maar goed, volgens de enquêtes heeft de krant de juiste weg ingeslagen."

'De uitdrukking dat iedere leeftijd zijn charme heeft, is heel waar. Als je niet jong sterft, heb je geen andere keuze dan oud worden. Zo keihard is het. Maar ik ben wel blij dat ik na C&A nog een carrière heb gehad. Die vijftien jaar hebben ervoor gezorgd dat ik niet verdween uit het maatschappelijke leven. Dat heb ik met velen zien gebeuren. Maar nu is de tijd van gaan gekomen en ik hoop dat ik mijn leven altijd zinvol zal kunnen invullen. Nu, ik blijf lid van de raad van bestuur van de VUM, ik zit bij een bouwonderneming en ik blijf nog voorzitter van de vastgoedmaatschappij J. Zinner, die het hotel Empain aan de Warande verhuurt. Als ik geneigd ben om te zeggen dat het nadeel van oud worden is dat je niet meer zoveel kunt als vroeger, dan moet ik dat voor mezelf toch weer relativeren.

"Ik heb er geen idee van waarom men mij overal wil hebben. Als je bewijst wat je kunt, krijg je de mandaten toegespeeld. Dan moet je kiezen, al heb ik misschien iets te veel aangenomen. Mijn kinderen vonden dat ik veel te hard werkte, maar ook dat ik eerlijk was en zei wat ik dacht. Dat deden zij ook, gelukkig maar. Toen ze studeerden, waren we iedere vrijdagavond altijd allemaal samen, en dan werd er vreselijk gediscussieerd. Met als gevolg dat ze nu allemaal nog harder werken dan ik. Toen ik baron zou worden, werd er ook met mijn kinderen gepraat. Mijn dochter vond dat de titel niet erfelijk moest zijn omdat het een erkenning was voor het werk dat ik had gedaan in mijn gemeenschap. Zo zie ik het ook en verder interesseert het me niet. Mijn wapenspreuk is: 'Eigen haard is goud waard', met vijf boompjes voor de vijf kinderen. Ik vond dat het paste bij mijn Vlaamse overtuiging, al heb ik er wel voor moeten vechten. Van Ypersele, de kabinetschef van de koning, wilde die spreuk eerst niet aanvaarden. Waarschijnlijk omdat hij dacht dat het heraldisch niet kon, maar het is toch gelukt.

"Mijn tijd verdelen tussen mijn bedrijf, de familie en mijn Vlaams engagement, wat ik als een ontspanning zie, was het moeilijkst. Dat ik te weinig tijd met de kinderen heb doorgebracht ervaar ik misschien wel als de grootste fout die ik heb gemaakt. De opvoeding van mijn kinderen is dan ook in hoofdzaak het werk van mijn echtgenote. Ik heb daar geen spijt van, je moet eerlijk zijn. Als ik mocht herbeginnen, zou ik het noodgedwongen anders doen omdat de tijden veranderd zijn. Het is ook moeilijker om nu een bedrijf te runnen dan vroeger. Hoewel, is dat echt zo? Elke periode heeft haar voor- en nadelen. Ik ben nooit geconfronteerd geweest met de ethische kwestie in verband met de kledingindustrie. Het is pas later dat men kleding in Oost-Europa of Azië liet maken en dat men ondervond dat de omstandigheden waarin dat in die ateliers gebeurde niet verantwoord waren. De tijdgeest was ook anders. Wij kochten wel waren in andere landen, maar we stelden ons daar geen vragen bij. Wij kochten waar we de beste voorwaarden kregen, dat was een zuiver commerciële beslissing. Bovendien heb ik het geluk gehad een bedrijf te kunnen opbouwen dat een grote bloei beleefd heeft. Ik ben ervan overtuigd dat het moeilijker is om dat succes voort te zetten in de maturiteitsfase die daarop volgt.

"Het teveel aan informatie dat nu via het internet binnenkomt, maakt het voor degene die beslissingen moet nemen misschien ook niet gemakkelijker. Wij waren goed geïnformeerd en konden snel beslissingen nemen, maar ik herinner me dat we door de bomen het bos niet meer zagen toen we van de manuele naar de automatische informatie overschakelden.

"Over sommige beslissingen heb ik wel eens lopen piekeren. Maar een nachtje goed slapen bracht meestal wel de oplossing. Een beslissing moet je 's ochtends nemen, dan denk je veel frisser en helderder. Ik wil ook altijd alles zelf doen. Dat is misschien iets van vroeger, want ik denk dat men nu meer met elkaar praat. Ook bij De Warande heb ik een onemanshow opgevoerd, dat moet ik eerlijk toegeven. Ik zou het niet anders kunnen, dat is mijn manier.

"Toch heb ik De Warande niet voor mezelf geleid en daarom zal ik ook geen probleem hebben om weg te gaan. Ooit houdt het werken op, maar er is nog zoveel te doen en te lezen. Ik ben niet bang voor de vrije tijd die er nu aankomt. Eigenlijk ben ik nergens bang voor. Het einde zal het einde zijn. Dat kan me wel eens verontrusten, niemand neemt graag afscheid van wat men goed kent en waarvan men zeker is. Zekerheid is nu net het tegenovergestelde van geloven. Toch heb ik ook aan mijn geloof een houvast: ik verwacht nog iets na de dood. Anders sta je daar toch plotseling voor die afgrond, denk ik. Of ik nu gelijk heb, weet ik niet, en ik stel me wel eens de vraag hoe het dan zal zijn, want ik kan me de situatie in een hiernamaals moeilijk voorstellen. Maar niemand heeft daar een antwoord op, en getwijfeld heb ik nooit. Ook wie niet gelooft, beseft op tijd en stond dat een mens maar een stipje is in het heelal en vraagt zich af wat daar de zin van kan zijn. Maar met het ouder worden komen die vragen wel harder opzetten, ja. Vroeger zag ik nog de lange weg die voor me lag, dat is nu niet meer zo, je moet realistisch zijn in het leven."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234