Maandag 23/05/2022

Een lippizaner in een schuldig landschap

Monica van Paemel wordt overmand door haar eigen machteloosheid

door Marc Reugebrink

Monica van Paemel

Meulenhoff, Amsterdam, 284 p., 790 frank.

Het idee is zo slecht nog niet: het verhaal van de oorlog in voormalig Joegoslavië verbinden met het verhaal van de eigen jeugd en dat alles weer met de algemene geschiedenis, het verhaal waarvan zowel die oorlog als die jeugd deel uitmaken. Die weg bewandelt Monica van Paemel in Het verschil, een boek dat als rode draad de reis naar Sarajevo heeft die zij als voorzitster van de hulporganisatie 'De Balkanactie' heeft gemaakt. Het is dus geen roman, maar "een geschiedenis", zoals het in de ondertitel heet. Of zoals ze het zelf in een verantwoording achterin zegt: het is "het verhaal van een geschiedenis en de geschiedenis van vele verhalen. De historische werkelijkheid en de verbeelde zijn met elkaar verweven om zo een beeld van een wereld en van een leven te geven." Het idee is zo slecht nog niet, zei ik, want wat een oorlog precies is, weet eigenlijk alleen de ooggetuige. Voor ieder ander is wat zich een paar duizend kilometer verderop heeft afgespeeld en daar ieder moment opnieuw lijkt te kunnen losbarsten, even ongrijpbaar als wat zich vijftig jaar en langer geleden hier afspeelde. Men luistert naar verhalen, ziet beelden op tv, maar dat brengt de vreemde werkelijkheid die een oorlog is uiteindelijk niet nader.

Het is juist hier dat literatuur de bijdrage kan leveren die in dürftiger Zeit altijd van haar wordt gevraagd. Niet zozeer, denk ik, doordat een schrijver als de zoveelste in een rij zijn afschuw uitspreekt over etnische zuiveringen, verkrachtingen en andere gruwelen waarover wordt bericht - daarin verschilt hij niet van andere welmenende burgers - maar juist door fictie te schrijven. Fictie, van fingere, wat niet alleen 'verzinnen', maar ook 'maken' betekent. Hij moet, in dit geval, de oorlogswerkelijkheid maken, de eendimensionaliteit van een wereld die tot louter handelen is overgegaan zo gestalte geven dat de lezer die zelf ervaart. Ook dan blijft er een verschil, natuurlijk. De lezer zit in zijn stoel, maar een goed boek doet je dat ook daadwerkelijk ervaren en legt op die manier iets bloot van een wereld waarin die stoel geen plaats meer heeft, zelf een fictie wordt, bijna.

De Hongaar Imre Kertész schreef een roman over zijn kampervaringen, Onbepaald door het lot, waarin niet, zoals men zou verwachten, de afschuw de boventoon voerde, maar waarin de wereld van het concentratiekamp als iets volkomen natuurlijks werd voorgesteld, juist omdat het dat in de ogen van de vijftienjarige hoofdpersoon ook wás. Hij beschikte niet over het referentiekader dat de kampwerkelijkheid voorstelt als wat ze is of althans behoort te zijn: abnormaal. Ook hier word je als lezer meegelokt in wat voor de duur van het boek werkelijkheid wordt, en ervaart men het verschil, waardoor je iets van de kampervaring deelachtig lijkt te worden.

Dat lukt Van Paemel in haar boek op geen stukken na. De bedoeling, de filosofie, is er wel. Het verhaal over de reis naar Sarajevo wordt steeds doorsneden met jeugdherinneringen, met historische informatie, met beschouwingen over het schrijven en over nationale en eigen identiteit. En dan is er ook nog een uit de jeugd meegenomen sprookjespaard, een lippizaner, dat hier en daar opduikt. Maar Van Paemel wordt het hele boek door overmand door haar eigen machteloosheid bij het aanschouwen van vernielde dorpen en steden, van vernielde mensen vooral ook, van haat en verslagenheid. Ook dat zegt natuurlijk wel iets, maar hier leidt het vooral tot dikke woorden, tot pathetiek, tot clichéformuleringen. Ze is een schrijfster die het landschap "schuldig" noemt, terwijl ze dichter bij de werkelijkheid van dat landschap en bij het door haar bedoelde verschil zou komen wanneer ze had gezien dat het landschap volstrekt onverschillig is. Dat de meidoorn bloeit, bijvoorbeeld, en... prachtig is.

Nu leidt het tot een verhaal waarin de woorden tegen elkaar beginnen op te bieden. Douaniers en alle gezagsdragers zijn vanzelfsprekend schoften, lakens zijn natuurlijk klam in kamers die een kelderachtige kilte uitwasemen, vingers zijn ijzig, een grijns is verbitterd. Er wordt nooit zomaar gevloekt, maar altijd hartgrondig. "Ik sloeg mijn ogen neer voor de harde, wanhopige gezichten," lees je, en: "over de weiden dreef de mist als gifgas". Het feit dat ze haar medereizigers Lucas, Johan en Marc noemt, klopt een en ander wel even tot bijbelse hoogten op, maar het draagt alleen maar bij aan de tenenkrommende pathetiek van het geheel en wordt bovendien niet uitgewerkt (haar medereizigers blijven flat characters). Wie er ironie of zelfs cynisme in ziet - vier hulpverleners als evangelisten op weg naar een gebied waar de nood niet te lenigen valt - komt misschien dichter in de buurt van Van Paemels bedoeling, maar elke ironie wordt telkens bedolven onder huilerige clichés. "Ook literatuur is een kwestie van stijl," zo lees je elders, en je wenst dat de schrijfster zich dat wat meer had gerealiseerd. Want de te vaak overdramatische toon zet zich voort in passages vol jeugdherinneringen, zodat je geneigd bent dan maar in te stemmen met wat de schrijfster op een zeker moment beweert: dat ze veel geleden heeft. Ik wil dat wel geloven, zelfs mijn deelneming betuigen, maar zo opgeschreven is het haar en enkel haar leed. Elke mogelijkheid er als lezer deel aan te hebben wordt om zeep geholpen. Dat ze dat hier en daar zelf thematiseert, verhelpt er niet werkelijk iets aan. Het grootste probleem is dat Van Paemel in dit boek haar afschuw uit wil blíjven spreken. Dat ze wil blijven geloven in de onverwoestbaarheid van haar lippizaner-meisjespaard dat danst op Mozarts muziek, dat ze iets wil redden uit de failliete boedel van de geschiedenis - dat is één ding. Maar ik vraag me af of ze zelf doorheeft dat ze daarmee in feite een positie inneemt tussen het al te gemakkelijk afzweren van de eigen identiteit, wat hier intellectueel gesproken vandaag de dag bijna verplicht is, en het verderfelijke van een op nationaliteit en etniciteit gebaseerde identiteit. Tot dat laatste acht ze zichzelf niet in staat. "In een krant (...) had ik een column gelezen over de oorlog in de Balkan. De schrijfster vond het etnisch geweld onbegrijpelijk, maar vroeg zich ook af wat wij - of zij - in zo'n geval zouden doen. Het scheelde niet veel of ik was hardop in de lach geschoten. Ik achtte mezelf tot veel in staat, maar ik leed niet aan zelfhaat (...). Tegenover de verschrikking stond het afgrijzen, de hulpeloosheid die woede provoceert." Van Paemel was een stuk dichter bij het gezochte verschil gekomen als ze die woede niet had gesmoord in adjectieven die haar afschuw kracht bij moeten zetten, maar volledig tot zich had toegelaten en zo misschien had ontdekt dat woede in haat kan omslaan, en haat in blinde dadendrang, ook bij een schrijfster uit Poesele.

Monica van Paemel spreekt op zondag 1 oktober om 17 uur in de Stadsfeestzaal (Podium 1).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234