Dinsdag 15/10/2019

'Een lied over verdriet piedewiedewiet'

Eind jaren zeventig heette ze Madelief of Mieke Mom, eind jaren tachtig Tin Toeval, en rond de millenniumwisseling luistert ze naar de naam Polleke. Onlangs verscheen het vierde deel in de reeks over Polleke, Met de wind mee naar de zee. Een kwarteeuw lang al verzint Guus Kuijer - de bovenmeester van de vaderlandse jeugdliteratuur, zoals hij in Nederland wordt getypeerd - met succes voor elke nieuwe generatie een rebelse kinderheldin die men zich op latere leeftijd herinnert als een persoonlijke hartsvriendin.

Guus Kuijer

Met de wind mee naar de zee

Querido, Amsterdam, 99 p., 458 frank.

Zeer tegen mijn zin vermeld ik in de inleiding dat Kuijer jeugdliteratuur schrijft, omdat dat voor velen impliceert dat de boeken dan per definitie niet voor volwassenen zijn bestemd. Het misverstand is niet nieuw. De zogeheten 'volwassenenliteratuur' eist als vanouds een centrale plaats op in de literaire kosmos, en de kinder- en jeugdliteratuur moet genoegen nemen met wat rondjes in de buitenste epicycles. Een literair stelsel dat in de meeste boekenbijlagen en literaire tijdschriften tot op heden nog nooit echt werd gecorrigeerd. Dat een letterkundig Vaticaan deze ptolemeïsche ordening met alle middelen in stand probeert te houden, tegen beter weten in, lijkt mij een al te fantastische theorie. Ik vermoed veeleer dat het juist met onwetendheid te maken heeft.

Dat was althans bij mij het geval. Amper een goed jaar geleden trok mijn zoontje mij binnen in een Nieuwe Wereld waar ik alles vond wat ik in de Oude soms vruchteloos zocht. Spanning, poëzie, humor, filosofie, en vooral, die verdachte sensatie waar in de salons der geletterde volwassenen vaak een taboe op rust: ontroering.

Zulks, en nog veel meer, zit in het werk van Guus Kuijer.

Na enkele romans 'voor volwassenen' schrijft Kuijer in de tweede helft van de jaren zeventig zijn vijf klassiek geworden Madelief-boeken: Met de poppen gooien, Grote mensen daar kan je beter soep van koken, Op je kop in de prullenbak, Krassen in het tafelblad en Een hoofd vol macaroni. Alle ingrediënten die ook zijn latere werk zo onweerstaanbaar maken zijn er al aanwezig. In korte, flitsende scènes laat hij de lezer kennismaken met een sympathieke kinderheldin met een grote bek en een klein hartje, te midden van een stel machteloze en in wezen zielige volwassenen. Dat doet hij vanuit het typische Kuijer-perspectief. Zonder opgeheven vingertje, zonder masker, en niet betuttelend. Hans Dorrestein noemt hem in Vrij Nederland dan ook een auteur "die niet hurkt". Kuijers boeken zijn bovendien doordrongen van een soms hilarische, perfect getimede humor, en worden voortgestuwd door spitse dialogen die drama's relativeren en komische situaties een melancholische dimensie geven.

Kuijer-fans prijzen van de Madelief-cyclus steevast - en terecht - het ontroerende Krassen in het tafelblad aan. Na oma's dood gaat Madelief logeren bij opa en probeert te begrijpen hoe oma van een levenslustige ontdekkingsreizigster was veranderd in een zuurpruimig schrob- en dweilziek wezen. Maar minstens even aanbevelenswaardig is Op je kop in de prullenbak, waarin een knotsgekke meester Cowboy alle geijkte onderwijsprincipes aan zijn laars lapt en aan het slot Madelief probeert uit te leggen dat hij overspannen is en naar Amerika wil. "Of naar Rusland of China", het maakt hem niet uit.

Kuijer heeft als ex-onderwijzer een voor die tijd eigenzinnige kijk op opvoedkunde en onderwijs. Als Met de poppen gooien het probleem-etiket 'gebroken gezin' krijgt opgeplakt, omdat Madelief geen vader heeft, vindt hij dat verschrikkelijk irritant. Later spreekt hij in HP zelfs het vermoeden uit dat Met de poppen gooien en Krassen in het tafelblad op verkeerde gronden met een Gouden Griffel werden bekroond. "Want ik schrijf helemaal niet over het gebroken gezin, ik schrijf over Madelief, een meisje dat ik kende."

Als "Provo van de Nederlandse literatuur" (dixit Aad Nuis) doet Kuijer na het Madelief-succes bewust een poging zijn populariteit teniet te doen met een gruwelijk kinderboek, Hoe Mieke Mom haar maffe moeder vindt (1978). Een absurde kafkaiaanse vertelling waarin volwassenen zich consequent als monsters gedragen. Tevergeefs. Een jaar later is het boek al aan de vierde druk toe en ontvangt Kuijer de Nederlandse Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur. De eerste dertig bladzijden Mieke Mom (Moeilijk Opvoedbaar Meisje) heb ik tandenknarsend doorgeworsteld. Toen Mieke ten onrechte werd beschuldigd van moord en samen met haar springlevende slachtoffer werd veroordeeld tot het gekkenhuis, kwam ik toch nog in Het proces terecht en viel het me naderhand best wel mee.

Waar het verder allemaal over ging kan ik u na lectuur van dit fascinerende literaire curiosum ook niet precies meer vertellen. Maar dat lag in Kuijers bedoeling. In Het geminachte kind, een pamfletachtige essaybundel uit 1980 die de "pedagogische maffia" wil bestrijden, staat: "Het kenmerk van zeer goede kinderboeken is dat zij goeddeels onbegrijpelijk zijn."

Daarna wil het een tijd niet meer zo goed lukken, zoals Bregje Boonstra het in NRC Handelsblad aldus samenvatte: "Na een boekloze periode verscheen in 1983 de fraaie ode aan een oerhollandse diersoort Eend voor eend en toen is het wat mij betreft snel bergafwaarts gegaan met wereldverbeterende, al té fantastische werken als De zwarte stenen, Het land van de neushoornvogel en De jonge prinsen."

Eind jaren tachtig pas vindt de auteur zichzelf volgens velen terug met een reeks over Tin Toeval, een initiatiefrijk, bazig meisje van zes, dat "per toeval" van het ene avontuur in het andere duikelt. Achtereenvolgens verschijnen Tin Toeval en de kunst van het verdwalen en Tin Toeval en het geheim van Tweebeens-eiland - samen goed voor één Zilveren Griffel -, Tin Toeval en de kunst van Madelief en Tin Toeval in de onderwereld. Hoe verder de reeks vordert, hoe meer Kuijer zijn fantasie de vrije loop laat.

Meest uitgebalanceerd lijkt mij Tin Toeval en het geheim van Tweebeens-eiland. Kuijers ironiserende versie van het spannende jongensboek. Waarlijk onvergetelijk is het personage van de verschrikkelijke zeerover Harko de Haai, die op twee houten benen rondstrompelt, (zijn echte benen liggen op Tweebeens-eiland begraven) en zich omringt met debiele zeerovers die hij aan de mast van zijn schip laat bengelen als ze voor hem geen slimme plannen bedenken. De slapstickscène waarin een van hen voorstelt het eiland in brand te steken om het gezelschap van Tin Toeval uit te roken, en Harko na een halve bladzij valse vriendelijkheid uitroept "WEET JIJ NIET DAT MIJN BENEN DAAR BEGRAVEN LIGGEN, SUKKEL?!" brengt zelfs de meest overtuigde galbak aan het lachen. Tussendoor richt Kuijer met Olle nog een ontroerend literair monument op voor zijn overleden hond - alweer een Zilveren Griffel - maar na de laatste Tin Toeval in 1993 blijft het relatief lang stil.

In 1999 echter verrast hij opnieuw met een eerste Polleke-boek, Voor altijd samen, amen - bekroond met een Gouden Griffel en een Jonge Gouden uil. Nadien verschijnen in recordtempo Het is fijn om er te zijn, Het geluk komt als de donder en onlangs Met de wind mee naar de zee.

Zoals Madelief woont elfjarig Polleke alleen bij haar gescheiden moeder. Als Mimoen, haar Marokkaanse vriendje, het uitmaakt omdat Polleke gedichten schrijft en dat niet mag in zijn cultuur, reageert ze met een nogal direct briefje: "Rot jij maar op met je pokkencultuur! Ga maar met zo'n meisje dat alvast een stofdoek op haar kop heeft. Lekker handig!" Spiek, Pollekes drugsverslaafde IP (Ingewikkelde Pa), wordt door zijn derde vrouw op straat gezet, kickt af, gaat in Nepal zichzelf zoeken en begint bij zijn terugkeer een spiritueel centrum. Haar moeder begint dan weer - zeer tegen Pollekes zin - een turbulente relatie met Wouter, haar meester, een oersaaie schoolfrik.

In Kuijers schrijnende mundus inversus fungeert Polleke vaak meer als relatietherapeute dan als dochter van twaalf. Als haar "lieve moeder" en Wouter in Het geluk komt als de donder weer verschrikkelijke ruzie hebben, deze keer over de praktische kanten van hun huwelijksfeest, doet Polleke het geschreeuw verstommen met de uitroep "Wisten jullie dat ik recht heb op euthanasie, omdat ik twaalf ben?" Enige rust is haar gegund op de boerderij van oma en opa, waar ze met een kalfje praat, en met oma en opa aan tafel bidt. "Ik vind 't hartstikke fijn dat Spiek hier is en dat ie gaat afkicken. Dus als u niet bestaat, toch bedankt. Amen."

Nanda Roep schreef in Trouw, in een van de schaarse negatieve kritieken op de Polleke-reeks, dat Kuijer in zijn eigen val is getrapt en nu zelf "probleemboeken" schrijft. Tja, drugsverslaving, racisme, gebroken gezinnen, IP's en ZIP's (Zeer Ingewikkelde Pa's)... Polleke maakt inderdaad een hoop ellende mee. Maar Kuijer zoekt noch zaait de problemen, ze schieten gewoon organisch als onkruid uit zijn personages op. Kuijer schrijft zelfs zo soepel en doodleuk dat je op den duur naar problemen verlángt.

In Leesidee wijst Vanessa Joosen erop dat in de Pollekes zowel kinderen als volwassenen in een postmoderne wereld terecht zijn gekomen. "Typisch is dat kinderen beter met de onzekerheid van het postmodernisme kunnen omgaan dan hun ouders, die het ontbreken van grote waarheden als een verlies ervaren." Nadat meester Wouter Pollekes pokkencultuur-briefje onderschepte, raken hij en haar moeder het er maar niet over eens of het hier al dan niet om racisme gaat. Voor Polleke ging het om een vriendenruzie zonder meer. Ook de lezer wordt niet meer bij het handje genomen. Hij krijgt een collage-achtig geheel met flashbacks, briefjes, gedichtjes en illustraties. En voor de eerste keer bij Kuijer wordt het verhaal niet door een alwetend verteller gedaan maar door het hoofdpersonage zelf.

Sommige critici maken het bezwaar dat Kuijer zijn schrijverschap niet genoeg zou hebben vernieuwd. Gelukkig vraagt Ed Franck zich in Standaard der letteren af of "het veel zin (heeft) om de samenstelling van een grand cru per se te willen wijzigen". Ik ben dan weer van mening dat Kuijers timing, geestigheid, dialoogtechniek, vermogen om te ontroeren en zijn literaire nonchalance in de Polleke-cyclus werkelijk het stadium van de virtuositeit hebben bereikt.

Ook Pollekes gedichten kunnen niet elke criticus bekoren. In NRC Handelsblad noemt Judith Eiselin ze in haar verder welwillende recensies van de drie eerste Pollekes respectievelijk "te ouwelijk", "een beetje oubollig", en opnieuw "te ouwelijk". Daarbij citeert ze zelfs een van mijn favoriete poëempjes: "Ik dacht aan de tijd / dat hij me als een pet / opgooide in de lucht / zijn kleine meid / zijn grootste fan / gillend van angst / en pret // Als ik gelukkig ben / ben ik het bangst." Ook Nanda Roep in Trouw spreekt van "ouwelijke rijmpjes die op gedichten lijken".

Komisch, om meer dan één reden, vond ik het gedicht dat als een soort motto in het pas verschenen Met de wind mee naar de zee staat: "Ze zeggen dat gedichten / moeten gaan over verdriet / en dat is waar: / dit is een lied / over verdriet / piedewiedewiet." En als Polleke zes bladzijden verder terloops vermeldt dat Mevrouw Buitenzorg, de deftige moeder van haar meester, haar gedichtjes niet zo apprecieert, kwam ik nauwelijks bij van het lachen: "O ja, de moeder van Wouter, mevrouw Buitenzorg, vindt mijn gedichtjes ouwelijk. Mevrouw Buitenzorg weet precies wat voor gedichtjes kinderen horen te schrijven. Ik gelukkig niet. Ik zei: 'Maar ik vind uw kapsel juist heel jeugdig.' Want dat is waar. Ze heeft zo'n beeldig kapsel dat zelfs bij windkracht tien nog keihard blijft zitten. Toen vond ze me brutaal. Dat zal je altijd zien: grote mensen vinden het heel gewoon om je te beledigen. Als je wat terugzegt ben jíj brutaal. Ach, nou, waar wind ik me over op." Met de wind mee naar de zee heb ik gelezen in bed, wegens een virale infectie. Dat ik tijdens mijn lectuur flink heb liggen sniffen en snotteren had heus niet alleen met mijn gezondheidstoestand te maken. Spiek die opa in het ziekenhuis bezoekt in zijn oosterse gebedsjurk en wijselijk zijn mond houdt als opa doet alsof ze in dezelfde dingen geloven. De olijke vrolijke bruiloft van Pollekes moeder en de meester ("Mien, waar is m'n feestneus?") terwijl opa dood aan het gaan is. Opa die Polleke op het kerkhof een stoeltje cadeau doet om daar na zijn dood haar gedichten te komen schrijven... Als Kuijer het vertelt snijdt het allemaal door je ziel.

Kortom, nog voor het laatste Polleke is verschenen wil ik deze reeks graag een literair meesterwerk noemen. Hoe anders omschrijf je een werk dat zo diep gaat maar leest alsof het eventjes gauw uit de mouw werd geschud? Een werk dat verwart, dat raakt, en dat leest als een trein, als een wrange grap, als een bijnadoodervaring. Een leven flitst je voorbij en laat je achter met een aan gelukzaligheid grenzend gevoel van melancholie. Dit is heel bijzonder. Dit werk "is een lied over verdriet piedewiedewiet". Ter afronding nog vlug even bidden om vergeving voor al de heiligschennis die ik in dit stuk heb gepleegd: "Beste God, u bent dood maar gelukkig bestaat Guus Kuijer. Als u toch mocht bestaan, bedankt dat hij weer zichzelf is gebleven. En toch ook niet. Amen."

Frank Adam

Vrijwel alle boeken van Guus Kuijer zijn uitgegeven bij Querido.

Kuijers boeken zijn doordrongen van perfect getimede humor, en worden voortgestuwd door spitse dialogen die drama's relativeren en komische situaties een melancholische dimensie geven

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234