Maandag 30/11/2020

Een licht dat nooit uitgaat

po�tisch proza van Jeanette Winterson

Jeanette Winterson is terug van weggeweest. In Vuurtorenwachten, dat de sfeer en uitbundigheid van De passie ademt, bewijst ze opnieuw een meesteres van de taal te zijn en zuigt ze de lezer mee in het poëtische universum van de liefde.

Het leek een verrassende zet van Jeanette Winterson toen ze midden november op de gelijkvloerse verdieping van haar huis in het Londense Spitalfields een delicatessenwinkel opende met de naam Verde's. Dat was het tot op zekere hoogte ook, maar wie de schrijfster van nabij volgde, wist dat er iets te gebeuren stond.

Allereerst was er het feit dat het huis ooit een importzaak van lekkernijen was geweest, waar het Verde's & Co.-opschrift op de gevel nog aan herinnerde, maar op zich zegt dat niets. Dat was niet meer dan een opportuniteit die wel of niet ingevuld kon worden. Veel belangrijker was haar nieuwste roman, Lighthousekeeping, die een gereanimeerde en opgefriste Winterson liet zien. Terwijl GUT symmetrie en Het PowerBook in de herinnering achterbleven als massieve brokken in een literair jasje gestoken kennis en cultuur waaide er door het nieuwe boek een bevrijdende, relativerende wind, en dat kwam niet alleen doordat het boek aan zee speelde.

Nee, het lijkt veeleer alsof Winterson eindelijk hersteld is van het deksel dat ze op de neus kreeg nadat ze, in de waan dat tegenwoordig ieder schrijver een publiek figuur moet zijn, ook een paar details over haar privé-leven de wereld had ingestuurd. Dat ze ooit een andere vrouw seksuele diensten had bewezen in ruil voor een stel Le Creuset-pannen was op het randje, maar dat die halve slet ook nog eens verwaand en elitair bleek te zijn, was er voor de Britse goegemeente te veel aan. Na een tijdje als gefundenes Fressen voor de riooljournalistiek gediend te hebben - naarmate haar woede toenam, werden ook haar uitspraken extremer - trok ze zich terug in haar Noord-Engelse landhuis en schreef een paar in zichzelf gesloten romans die de sprookjesachtige en uitbundige sfeer van De passie en Kersen sexen ontbeerden. Maar dat is dus het verleden.

Dat merk je van zo gauw je Vuurtorenwachten openslaat. De 10-jarige Silver woont met haar ongehuwde moeder in het noordelijke kustplaatsje Salts, in een huisje dat zo scheef aan een bergwand hangt dat je er echt geen erwten kunt eten - ze probeerden het eens en vonden er jaren later nog steeds de resten van terug. Haar enige speelmakker is Dogfish, een hond wiens achterpoten een stuk korter zijn dan zijn voorpoten, maar die daar niet om maalt. "Als hij al denkt, denkt hij dat elke hond net als hij is, en dus heeft hij geen last van de morbide zelfbeschouwing van de menselijke soort, die elke afwijking van de norm angstig of bestraffend opmerkt", zo lezen we. Winterson is het verleden blijkbaar toch niet helemaal vergeten.

Dat Silver geen vriendinnetjes heeft, komt wellicht voor een stuk doordat naar buiten gaan niet zo eenvoudig ligt. Het is een kwestie van eerst je veiligheidsharnas aan te doen en er dan voor te zorgen dat je onverhoeds toch niet in de diepte stort. Maar dat is wat er op een dag met moeder gebeurt. Ze maakt een dodelijke smak en Silver is een wees.

Omdat zo'n kind toch niet alleen op de wereld kan staan, wordt ze bij Pew ingekwartierd, de oude, blinde vuurtorenwachter van Salts die afgezien van het onderhoud van zijn toren zijn wereld recht houdt met het vertellen van verhalen. Het jaar, zo vernemen we, is 1969. Als Silver haar fantasieraket van een vuurtoren betrekt, landt Apollo op de maan. Het is een voorteken. Vroeger, zo houdt Pew Silver voor, konden de zeelui niet lezen. Alleen de stuurman had een kaart en de modale matroos wist niet waar hij was. Dus verzon hij voor ieder object op de kust een verhaal en door die verhalen steeds weer te vertellen, kon hij de voortgang van het schip bijhouden.

De verhalen die Pew zelf vertelt, gaan niet over de kust, wel over de geschiedenis van Salts, over Josiah Dark, die de familie Stephenson, "de Borghia's van het vuurtorenwachtwezen", de opdracht gaf de vuurtoren te laten bouwen, en over zijn zoon Babel Dark, die twee vrouwen had, eentje in Salts en eentje in Bristol, waar hij door het leven ging als Lux. Het levensverhaal van deze man, zo vertelt de blinde, bracht Robert Louis Stephenson op het idee om The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde te schrijven.

Winterson is de speelvogel bij uitstek van de Engelse literatuur. Ze doet niets liever dan canonieke teksten met elkaar in botsing brengen om te kijken wat er vervolgens gebeurt, als was ze een wetenschappelijk onderzoekster in een impactlaboratorium. En dus laat ze Pew verder vertellen, over Babel die op een dag langs de kust wandelt en een grot vol fossielen ontdekt bijvoorbeeld. Hij schrijft een brief naar Darwin, die zakt af naar Salts en kijkt zijn ogen uit: de mooiste collectie die hij ooit heeft gezien en een schat aan bewijsmateriaal voor zijn evolutietheorie.

Stephenson en Darwin zijn Victoriaanse tijdgenoten die elk op hun manier bijdroegen aan de ontluistering van de mens. De eerste door hem als een noordelijke Freud een onderbewuste te schenken en de tweede door hem neer te halen tot op het niveau van het dierenrijk. Alleen, het zijn niet die clichédenkbeelden die Winterson hier belicht wil zien. Wie bij haar de hoofdrol speelt, is niet de sinistere, ongelukkige Dark, maar wel de levenslustige, liefdevolle Lux. Darwins On the Origin of Species wordt dan misschien weleens afgedaan als een wetenschappelijk destructief werk, het is wel het literairste en mooiste van allemaal. Het was er Darwin helemaal niet om te doen de wereld en de mens te ontluisteren. Hij wou juist hun schoonheid en sofisticatie benadrukken.

Verhalen, zo beginnen we tijdens het lezen stilaan te beseffen, ordenen niet alleen een boek - "Er waren twee Darks. Hier maakt u kennis met de eerste, en de tweede komt straks" - of een kustlijn, zonder verhalen zou ook ons leven geen structuur hebben. Ze leggen een netwerk over de wereld, waardoor die zin en betekenis krijgt. En ze eindigen nooit. Ieder nieuw verhaal sluit weer aan bij een vorig en ook al verdwijnen sommige verhalen eeuwenlang uit het zicht, ze zullen in de een of andere vorm altijd opnieuw een vervolg kennen. Of zoals Darwin het zegt tegen Babel, wanneer hij de fossielengrot van Salts betreedt: "Niets kan ooit vergeten worden. Niets kan ooit verloren gaan. Het heelal zelf is één groot geheugensysteem. Als je achterom kijkt, vind je de oorsprong van de wereld."

Maar ook al kennen verhalen geen begin en kunnen ze nooit eindigen, er is een zaak waar ze niet tegen bestand zijn, en dat is het vergeten. Als het vertellen van verhalen achterwege blijft, verarmt onze wereld niet alleen, we beginnen er ook verloren in te lopen. En dat is wat Silver overkomt als in de jaren zeventig een moderniseringsprogramma van de Britse vuurtorens op poten wordt gezet. Pew kan voortaan gemist worden en op een nacht steekt hij samen met Dogfish van wal in zijn kleine bootje. Silver trekt er vervolgens op uit om hem te zoeken. Ze begaat een paar kleine diefstallen, wordt gearresteerd en aan een psychologisch onderzoek onderworpen. Een psychose, is het besluit van de zieltjesdokter, en hij typeert Silver als een duidelijk voorbeeld van iemand die het contact met de realiteit verloren is, terwijl je als lezer snapt dat Winter-son hier een diagnose stelt van onze hedendaagse westerse beschaving.

Vooruitgang heet dat, merkt Silver als ze jaren later met een groep toeristen rondgeleid wordt in de vuurtoren van Salts en de gids met medelijden in de stem opmerkt dat het toch maar goed is dat de vuurtorens geautomatiseerd werden, want het is toch onbegrijpelijk hoe mensen ooit in zulke omstandigheden konden overleven. Dat het leven er een stuk comfortabeler en gezelliger was dan in een Apollo-capsule komt blijkbaar niet bij haar op.

Zoals steeds overstelpt Winterson ons met te veel allusies en spitse doorkijkjes om tijdens een mensenleven te doorgronden. Alles lijkt met alles verband te houden en niets lijkt bij toeval te zijn zoals het is. "Het doorlopende levensverhaal", zo zegt Silver bijvoorbeeld, "is een leugen. Er is geen doorlopend verhaal, er zijn alleen uitgelichte momenten, en de rest is donker."

Net een vuurtoren dus, en die is op zijn beurt dan weer een verwijzing naar Virginia Woolfs To the Lighthouse, een boek waar nooit expliciet aan gerefereerd wordt in deze roman maar dat altijd op de achtergrond aanwezig is, als was Woolf Wintersons beschermengel of over de schouder meekijkende lerares.

Winterson beschouwt zichzelf immers als een erfgename van het modernisme, een volgelinge van Woolf dus, die de romanvorm niet alleen wil gebruiken, maar hem ook wil onderzoeken. Een rechtuit rechtaan verhaaltje vertellen gebeurt in haar visie al veel te veel, dus daar doet zij niet aan mee, en gelukkig maar. Hier en daar last ze een klein essay in, over Wagner en Darwin bijvoorbeeld, of laat ze een personage reflecteren over een klassiek idee uit de mentaliteitsgeschiedenis, en dat zonder dat het storend of geforceerd overkomt. Daarvoor sluit Wintersons ideeënrijkdom al te perfect aan bij haar sprankelende taalgebruik.

En dat is wat in Vuurtorenwachten bijzonder sterk opvalt, hoezeer ze in een paar zinnen iemand kan typeren of een situatie kan schetsen. Winterson is de taal meester, maar voegt zich ook naar de eigenaardigheden van die taal. Ze houdt ervan en heeft er respect voor en stelt zich open voor het onbekende.

Zo zijn we beland bij het hoofdthema van Vuurtorenwachten en van zowat al haar vorige boeken: de kracht van de liefde en wat die met een mens aanvangt. Winterson is een romantica van het eerste uur, iemand die misschien beter poëzie zou schrijven dan proza - maar zijn haar romans in feite geen prozagedichten? - en het bezingen van het ideaal van de liefde nooit moe wordt. Oké, koning Arthurs hele hofhouding is wel in doodslag en chaos geëindigd vanwege die liefde, zoals Babel benadrukt, en we moeten er dus geen doctrine van maken, maar wat is er mooier dan de liefde van de ene persoon voor de andere, met haar overgave en kwetsbaarheid? Als we er het verhaal van Silver en Pew op naslaan, kunnen we niet anders dan besluiten dat dit een retorische vraag is.

Marnix Verplancke

Jeanette Winterson

Vuurtorenwachten

Oorspronkelijke titel: Lighthousekeeping

Vertaald door Maarten Polman, Contact, Amsterdam, 224 p., 15,90 euro.

Winterson is de speelvogel van de Engelse literatuur. Ze doet niets liever dan canonieke teksten met elkaar in botsing brengen om te kijken wat er vervolgens gebeurt

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234