Donderdag 22/10/2020

Een leven lang theater

'Het zou nooit in mij opgekomen zijn om een Hamlet te spelen, dat is niks voor mij. Ik zou mij belachelijk gemaakt hebben. Ik moest me houden bij alle soorten zotte personages en triestigaards''Ik kan wel trots zijn op Chris als ze een mooie theaterprestatie heeft geleverd. 'Dat is de mijne, hé', kijk ik dan glunderend rond. Let op: niet ván mij, want niemand is van iemand, maar dat ze bij mij hoort, wil ik dan wel geweten hebben'

Betty Mellaerts praat met Nand Buyl

Hij was er in mijn kinderjaren, toen soaps nog feuilletons heetten en 's avonds volk op de been brachten rond dat ene televisietoestel in het dorp. Nand Buyl lijkt niet ouder geworden. Veertig jaar geleden maakte schmink van hem een gepensioneerde schipper, nu is hij tachtig en heeft de tijd weinig sporen nagelaten. Hij praat zacht met die donkere stem die hem in theaters moeiteloos de achterste rijen laat bereiken. Emoties worden vakkundig weggeredeneerd, er is alleen een tristesse in de donkere ogen. Deze grote acteur heeft mensen laten lachen. Een onschatbare kracht, maar een talent dat in de rangorde van de Vlaamse cultuur niet bepaald hoog genoteerd staat.

Foto Filip Claus

'Mijn ouders hadden een abonnement op het derde verhoog van de opera in Antwerpen, ze moesten de zangers met een verrekijker bekijken. Vooral mijn moeder ging ernaartoe, samen met haar vriendin. In het koor zongen kennissen van hen. Het toeval wilde dat ik als kind een niet onaardig stemmetje had. Ik stond altijd te zingen, imiteerde een kozijn van mij die veel ouder was dan ik en altijd liedjes zong in zijn kamer. Maar ik was mij niet bewust van mijn stem, het waren de anderen die zeiden: 'Die jongen zingt goed'. Toen ze jonge mensen zochten voor het koor hebben die kennissen mijn ouders voorgesteld om mij mee te laten zingen. Ik herinner me dat ik doodgewoon meeging naar de directie en dat het meteen in orde was, ik mocht meedoen. Ik kreeg 6 frank per optreden en dat geld konden mijn ouders goed gebruiken.

"Ik was zes, de jongste in het koor en ik had geen benul waarover het ging. Toen hield ik helemaal nog niet van opera. Ik deed gewoon wat er van mij gevraagd werd. We gingen naar school en daarna repeteerden we de aria's met een pianist die daarin gespecialiseerd was. Als kind leer je die operateksten en muziek gewoon aan zonder er veel van te begrijpen. Soms tot grote wanhoop van de orkestmeester, die ons niet kon bijhouden als we allemaal samen moesten zingen met de solisten en het orkest. Wij gingen maar door. "Zolang ik naar school ging, wilde ik elektricien worden. Daar is niks van gekomen, natuurlijk. Ik kwam door omstandigheden in het theater terecht en daar ben ik de rest van mijn leven niet meer uitgeraakt. Dat is vreemd, want thuis werd er helemaal niet over muziek gesproken en er waren ook geen artiesten in de familie. Ja, een nonkel die in het circus werkte. Mijn vader heeft verschillende beroepen gehad. Hij is lang ergens chauffeur geweest, dat herinner ik mij nog en later toen ik rollen kreeg in de films van Jan Vanderheyden, werkte hij in de filmindustrie. Mijn moeder ging hier en daar helpen schoonmaken, zoals veel vrouwen uit gewone families in die tijd deden. Maar ik maakte mij daar allemaal geen zorgen over, als ik mij maar kon amuseren in de opera of op straat met de andere jongens uit de buurt. We woonden in hartje Antwerpen, in het Sint-Andrieskwartier. Die kinderen beseften niet dat ik in de opera zong, daar hadden ze blijkbaar nog nooit over horen spreken en ik speelde ook gewoon met hen voort zoals ik altijd had gedaan. Het veranderde pas een beetje toen ik in 1934 - ik was elf - een rol kreeg in de film De Witte. Toen moest ik voor de opnames natuurlijk tijd winnen op dat straatspel. Ik moest ook weg bij de opera, de film werd immers in Berlijn gedraaid omdat wij in België nog geen filmstudio's hadden. Pas na de vierde of vijfde film is Jan Vanderheyden in Nederland gaan draaien en daarna is hij zelf in Antwerpen met een studio begonnen, in de Pijkesstraat, dat vergeet ik ook nooit. Het was meer een hangar dan wat anders. Als er een vliegtuig overvloog, was het gedaan met de opnames. Enfin, dat gebeurt nu nog.

"In Duitsland was het aantal uren dat wij, kinderen, mochten werken streng bepaald. Er liep een soort agent rond die dan zei: 'Bitte, schluss.' Dan vlogen we naar buiten om te voetballen. Op een bepaald moment hebben we zelfs twee onderwijzers gehad die voor ons moesten zorgen. Toen woonden we met zessen in een appartement. Bij de opnames van de tweede film speelde ik een kleinere rol en had ik een agent voor mij alleen. Hij ging met mij wandelen, in de sneeuw en we gooiden met sneeuwballen. Neen, ik heb me in al die periodes geen momént verveeld, het was altijd anders."

'Toen de oorlog uitbrak, was ik zeventien. Uit schrik dat we opgeëist zouden worden om voor de Duitsers te gaan werken, moesten de jongens van onze leeftijd van de Belgische regering naar Frankrijk vluchten. Eerst te voet naar Calais, daar op een boot naar het zuiden van Frankrijk en allemaal zoals vee de trein in, tot over de demarcatielijn zoals dat toen heette. Een rugzak, dat is al wat we mee hadden. Het Belgische leger zorgde voor ons, er was een kapitein en een paar soldaten deden de keuken. We waren met een hele bende, verbleven niet ver van Toulouse als ik het me goed herinner. Om iets om handen te hebben overdag, gingen we bij de boeren werken en kregen daar 5 Franse frank per dag voor, of zoiets. Die boeren hebben zich dat soms dik beklaagd want we leerden er ook Franse wijn kennen. Na het eten lagen we dan in het stro onze roes uit te slapen. Ook daar heb ik mij niet slecht geamuseerd moet ik zeggen, ondanks alles. Na drie maanden werden we teruggeroepen omdat het in België intussen rustig was.

"Hier ging het leven gewoon voort, maar het was oorlog en dat was toch niet alles. We zaten te midden van de Duitsers, dat hield ons natuurlijk bezig. Op een dag zei een zekere Arthur van Thillo, een acteur van de KNS in Antwerpen, tegen mijn vader: 'Waarom gaat uw zoon het eens niet in Brussel proberen? Daar zoeken ze acteurs.' Ik wist niet eens dat er in Brussel een Vlaamse schouwburg bestond! Tijdens de oorlog hadden de Duitsers het Alhambratheater - dat ondertussen niet meer bestaat, natuurlijk - opgeëist en ze hadden er een Vlaams gezelschap opgericht voor opera en theater. Ze boden de acteurs en zangers een jaarcontract aan, destijds een uniek iets. Tot dan kreeg je overal maar een contract voor zes maanden. Dus als het seizoen erop zat, gingen de acteurs de boer op. Dat heb ik ook nog gedaan. Overal waar er maar een cabaretje te doen was, deden we mee: sketches spelen, liedjes zingen, mopjes vertellen. Zo hoorde dat toen. Als je je brood wilde verdienen, moest je een allround artiest zijn.

"Door die jaarcontracten van de Duitsers werden de meeste acteurs en actrices die in de Vlaamse Schouwburg aan het werk waren, naar het Alhambra getrokken, al werd dat door de anderen niet goed bekeken. De KVS was bijna leeggelopen en daarom zocht men er acteurs. De vroegere directeur van de KNS, Damien De Gruyter, is er toen begonnen en ook Kris Betz, die jammer genoeg al een tijdje overleden is. Maar we kregen niet meer dan een contract van zes maanden, voor de rest van de tijd was het: trek uw plan, hé jongens!

"Omdat we acteurs waren, moesten we ook niet bang zijn om alsnog naar Duitsland gestuurd te worden. Al wat cultuur was, werd geweldig door de Duitsers gerespecteerd moet ik zeggen, tenminste zolang we maar Duitse en sommige Franse stukken speelden. De rest was verboden en daar kreeg je controle op. Het is ongehoord om het te zeggen, maar wij hebben ons tijdens de oorlog eigenlijk helemaal niet slecht geamuseerd. We waren een bende onder mekaar en hielden ook feestjes. Met haring. Die was er bij de vleet, dus dat was hét feestmaal. En als we samen konden leggen om een flesje wijn in het zwart te kopen, dan was het gróót feest.

"Een directeur van een schouwburg werkte toen nog op eigen risico. Dat betekende dat er publiek moest komen als hij er iets aan wilde verdienen. Meestal speelden we blijspelen of al eens een klassiek stuk, die trokken volk. Maar in die oorlogsperiode was theater ook het enige wat de mensen hadden, ze wilden zich vooral ontspannen. Sommigen kwamen naar iedere voorstelling omdat het theater de enige plek was waar ze kolen hadden om te stoken en dan kochten ze een kaartje alleen al om warm te zitten."

"Ik ben in 1941 in de KVS begonnen en dus erg jong in contact gekomen met alle soorten publiek en theater. Iedere week speelden we een ander stuk. Negen repetities en je had een voorstelling. We geraakten een beetje van alle markten thuis! Na het tekenen van mijn contract heb ik nog even gedacht: nu moet ik het vak toch gaan leren en ik trok naar het conservatorium in Antwerpen. Dat heb ik niet lang volgehouden. In Brussel spelen en repeteren, met de trein naar Antwerpen om zanglessen te nemen en toneel te leren spelen en dat tijdens de oorlog! Godzijdank heb ik goeie regisseurs gehad zoals Gust Maes die jammerlijk genoeg niet meer bekend is. Dat was eigenlijk een theatergenie, ver zijn tijd vooruit. Hij heeft ons de stiel geleerd. Talent moet je hebben, maar je kunt iemand wel aanleren hoe hij dat talent moet gebruiken. Voor de rest moet iedere acteur met zijn persoonlijkheid een rol aanvoelen. Daar kan je niks aan veranderen en gelukkig maar, anders waren alle Hamlets hetzelfde.

"Mijn eerste grote rol was een toeval. Ik moest een acteur vervangen die een stommiteit had uitgehaald. Hij was dol op een Duitse acteur en imiteerde hem. Hij speelde met een monocle, in het zwart gekleed en met een revolver. Een Duitser liet hem oppakken. Hij had mooi zeggen dat hij deed alsof, twee dagen voor de première van het blijspel Twaalf seconden liefde, moest ik de rol overnemen. Het werd een succes, de zaal gierde van het lachen. Gust Maes temperde ons enthousiasme: 'Rustig aan jongens', zei hij, 'er zijn er nog die dat kunnen, er valt nog veel te leren.' Hij hield op tijd en stond ons kopje naar beneden, maar wat hij ook zei, het was evangelie. Niet alleen voor mij hoor, ook voor de anderen.

"Daarna kreeg ik door de omstandigheden vaak de hoofdrol, meestal was ik er eigenlijk nog niet tegen opgewassen. Als het al eens een kleine rol werd, was ik blij dat ik wat op adem kon komen, maar ik heb er nooit mijn voeten aan geveegd. Ook met kleine rollen kun je succes hebben. Er is overigens een spreekwoord dat zegt: 'Er zijn geen kleine rollen, alleen kleine acteurs.' Dat is eigenlijk ook zo.

"Ik leerde ook veel van de oudere acteurs in het gezelschap. Als zij speelden, stond ik in de coulissen te kijken en probeerde ik te onthouden op welke manier ze een repliek de zaal in kregen of hoe ze hun timing beheersten. En zij vonden het prettig met die jonge mensen erbij, ze zeiden al eens: 'Je moet het niet zo doen mijne jongen, maar zo.' En dan antwoordde je beleefd: ah ja, dank u mevrouw Verschueren of mevrouw Cabanier of meneer Maes. Wij vonden het normaal om hen zo aan te spreken. Om te beginnen waren ze veel ouder dan wij, maar we hadden ook respect voor hen. Ze speelden toch maar iedere week een ander stuk, sommigen zelfs vier verschillende rollen in vijf weken. We werkten wel met een souffleur, moet ik zeggen. Die zat in die halve oester vooraan. Zolang hij of zij er niet was, ging niemand de scène op! En je bleef er zo dicht mogelijk bij, want de souffleur volgde alles. Niet alleen je tekst maar ook waar je moest gaan staan of welke handeling je moest uitvoeren. En was je rol niet goed gelukt, dan had je gewoon geen tijd om er echt spijt van te hebben. De week erop probeerde je het weer in te halen. Je kunt het je nu niet voorstellen, maar dat was een glorieuze periode. Ik heb zelfs nooit de tijd gehad om mij af te vragen: zou ik nu niet liever een ander beroep hebben?"

'Het enige probleem was - enfin probleem, voor ons beginnende acteurs, was het ook dankbaar - dat we van alles moesten spelen. Klassieke rollen, komedies, jonge rollen, een vader of een grootvader. We schminkten, plakten een valse neus, trokken met een crayon een paar wallijnen onder onze ogen en gingen de scène op. Ik heb daar nog foto's van liggen thuis, niet te geloven. Zo was het ook voor het beruchte Schipper naast Mathilde waar ik een gepensioneerde speel, terwijl ik 34 was! 'Schminken, hè', had Bert Janssens gezegd, de toenmalige artistieke directeur van de televisie toen ik vroeg hoe ik dat moest doen. Zo vanzelfsprekend was dat in die tijd. Als ik er nu soms fragmenten uit zie, denk ik: gooi dat weg! Maar ja, het hoort nu eenmaal tot de geschiedenis van het begin van de televisie en het feuilleton werd een enorm succes. Goeie God! In de jaren vijftig waren er in Vlaanderen maar drie theaters: in Gent, Antwerpen en Brussel. Het publiek kende alleen maar die acteurs, er was onderling geen uitwisseling. We kenden elkáár zelfs niet. Met de komst van de televisie gingen overal de deuren en de ogen open. Plotseling was je in heel Vlaanderen bekend. Er werd ons soms gevraagd of de familie zich hier of daar in het land niet eens kwam voorstellen. Daar gingen we graag op in en dan deelden we handtekeningen uit. Het was telkens een overrompeling. Acht jaar heeft dat geduurd. Om de veertien dagen een uitzending die live werd uitgezonden. Ook dat nog. We zeiden tegen elkaar: 'Als ik maar in mijnen tekst zit, anders ziet heel Vlaanderen dat ook!'"

"Intussen was ik getrouwd en vader, maar mijn eerste huwelijk heeft niet zo lang geduurd. Dat gebeurt in het leven. Toch heeft die scheiding mij het meest verdriet gedaan in mijn leven. Niet zozeer voor die vrouw, maar mijn dochter was toen zeven jaar. Er komt ruzie in het huishouden en zo'n gezin valt in duigen. Dat vond ik wel erg. Maar God, ja, dat overkomt je. Werken was op dat moment een hulp om niet de hele dag met die problemen in mijn hoofd te zitten. Theater is goed voor een boel dingen! "Na de scheiding ben ik een beetje op de dool geweest, tot ik op mijn huidige wederhelft, Chris Lomme, ben gevallen. Liefde op het eerste gezicht kon je het niet noemen. Chris was gedurende korte tijd mijn leerling geweest in het conservatorium en ook in Schipper terechtgekomen. Je werkt samen, gaat een glaasje drinken en van het een komt eens het ander. We verschillen veel in leeftijd, dat is zo, maar er is een wisselwerking tussen ons. Chris heeft misschien een beetje kunnen meepikken van mijn ervaringen in het beroep en zij zorgt er nu voor dat ik niet te lang in mijn zetel ga liggen. Het verschil verkleint ook met het ouder worden.

"Ik kan niet zeggen wat mij in haar aantrok. Het gebeurde gewoon. Alles gebeurt. Het zal wel haar karakter geweest zijn. Chris blijft niet bij de pakken zitten, ze vliegt erin en is met alles tegelijk bezig. Ik word er doodmoe van, maar zij doet het al spelende. Soms dachten we weleens, ieder van zijn kant: wat zijn we begonnen? Maar het bloeide voort en op een bepaald moment besef je: dit is het eigenlijk. Nu zijn we veertig jaar samen. Vorig jaar zijn we getrouwd. We dachten altijd: het gaat zo toch ook? Veronderstel dat er tussen ons iets misloopt, dan zit je weer met scheidingen. Maar toen hebben we beslist om toch maar een paar documenten op te maken.

"In al die jaren hebben wij ook misverstanden gehad, zoals in elk huwelijk, maar ze zijn altijd weer uit de weg geruimd. Dat ligt waarschijnlijk aan ons allebei. Je moet elkaar waarderen en iedereen moet de vrijheid hebben om te zijn wie hij is. Van bij het begin hebben we gezegd: 'Jij hebt jouw carrière, en ik heb de mijne. We bemoeien ons niet met wat de ander beslist.' Dat wil niet zeggen dat we thuis niet over theater of televisie praten, maar ik kan niet de criticus voor Chris spelen en zij ook niet voor mij. Wij vragen wel aan mekaar hoe de ander het vond, maar verder gaat het niet. Ik kan wel trots zijn op Chris als ze een mooie theaterprestatie heeft geleverd. 'Dat is de mijne hé', kijk ik dan glunderend rond. Let op: niet ván mij, want niemand is van iemand, maar dat ze bij mij hoort, wil ik dan wel geweten hebben.

"Passie? Dat is een groot woord, hé. Passie houdt ook verband met een boel stommiteiten en een mens moet toch met zijn twee voetjes op de grond blijven.

"Ik heb misschien wel eens stommiteiten gedaan in mijn leven, maar ik heb al vroeg rond mij mensen gehad die mij goede raad gaven. Dan dacht ik: ja, die zal het wel weten want die heeft het allemaal meegemaakt, maar niemand kan je voor alle desillusies behoeden. Toch denk ik dat het ook een beetje in je natuur moet zitten om zo nuchter te zijn als ik ben en de leeftijd helpt ook. Je maakt in al die jaren zoveel mee dat je sneller denkt: het zal wel koelen zonder blazen. We gaan gewoon bij mekaar zitten, spreken er eens over en dan komt het wel in orde. Ik spreek dus liever van graag doen dan van passie. Mijn stiel, lekker eten. Gelukkig houdt Chris daar ook van en ze kookt schitterend. Het moet niet veel zijn, maar wel heel lekker. Nu ik meer tijd heb, zou ik het zelf kunnen leren, heeft ze al eens gesuggereerd. Een terrine, denk ik soms, dat zou ik kunnen proberen en de dag waarop dat me lukt, zal ik pas heel trots zijn op mezelf."

'In 1972 was ik 49 en al 43 jaar in het theater. Ik speelde toen nog om de veertien dagen een ander stuk, gemiddeld vijftien rollen per jaar. Dat kan niemand blijven volhouden hé. Ik dacht: als die van hier boven op een dag zegt: het is genoeg geweest of als het publiek op mij uitgekeken geraakt, wat dan? Toen ik hoorde dat Vic de Ruyter, die een grote meneer was als directeur van de KVS, er na veertien jaar mee ophield, wilde ik het riskeren om mijn kandidatuur te stellen. Ik had toen al een fameuze naam, ook in Brussel, en ik werd tot directeur benoemd. Toen kwam het erop aan mijn broek er niet aan te scheuren. Een directeur baatte een theater uit en als je met tekorten zat van een paar miljoen, mocht je ze zelf bijpassen. Dat is pas vier jaar later veranderd, met het grote theaterdecreet. Dat schafte de uitbating van het theater - onder ons gezegd: de uitbuiting - definitief af, de directies werden meestal aangesteld door de plaatselijke schepen van Cultuur en de subsidies werden veel groter. Maar ook weer niet zo groot dat je niet meer op je centen moest letten. Je moest nog altijd zorgen dat je rondkwam en dus zette ik nog altijd komedies op het programma om publiek te trekken. Dat zorgde voor enorm veel kritiek bij de recensenten. Zij wilden een nieuw soort theater, waar ze waarschijnlijk gelijk in hadden. Zo gaat het immers altijd: een nieuwe generatie brengt nieuwe ideeën en mensen mee, niks blijft bij het oude. Maar ja, dat was allemaal gemakkelijk gezegd. We probéérden andere stukken te brengen, waarvoor we dan goede kritieken kregen, maar dan volgde het publiek niet meer. Met elk stuk wisten we van te voren: in die krant zullen we ervan langs krijgen en ook op de radio, maar we zullen publiek hebben. En als we lazen of hoorden dat de critici het goed vonden, hielden we ons hart vast, dan kwam er niemand. Maar dat is ook zo oud als het theater en dat zal zo blijven zolang het theater bestaat.

"Het zat mij zeker af en toe dwars, maar toen had ik al geleerd om te relativeren. Als het niet lukt, moeten we de zaak maar sluiten, dacht ik. Wat helpt het als ik er ziek van word? Is het dan opgelost? Maar het doet natuurlijk geen plezier als je theater de reputatie krijgt dat er altijd dezelfde ouwe rommel opgevoerd wordt. Er is ook niks zo gemakkelijk als kritiek als je er zelf niet aan blootstaat. Maar ik kon niet anders dan ze begrijpen. Je kunt niet op tegen een nieuwe strekking.

"Het spelen miste ik niet. Af en toe moest ik nog een rol invullen omdat ik er niemand voor had, maar die grote blokken tekst waren voor mij niet meer nodig. Het was genoeg geweest. Een jaar of vijf geleden heb ik het eens uitgerekend en ik kwam met televisie en film erbij, rond de 1.400 rollen! Ik heb nooit in mijn leven iets anders gelezen dan brochures van stukken en scenario's. Behalve jeune premier, waarvoor je lang moest zijn, heb ik alles gespeeld. Dat die rol niet voor mij weggelegd was, vond ik niet zo erg. Het zou nooit in mij opgekomen zijn om een Hamlet te spelen, dat is niks voor mij. Ik zou mij belachelijk gemaakt hebben, ik hoorde de kritiek al: 'Daar loopt het heldje.' Ik moest me houden bij alle soorten zotte personages en triestigaards. Maar dat vond ik niet erg. Een acteur spreekt tenslotte de taal die iemand anders voor hem heeft bedacht, bevindt zich in situaties waarin hij in het echte leven nooit terechtkomt. Het is maar theater, hé."

'De magie is dat de vonk overspringt van het toneel naar de zaal. Dat heb ik altijd een feest gevonden en daarom hield ik van blijspelen. In het theater kun je geen lachband opzetten, met een komedie weet je dus veel vlugger of je juist zit of niet. Met drama weet je het tot het einde niet en zijn er twee mogelijkheden: of ze zitten in spanning naar je te kijken, of ze zitten half in slaap op hun stoel. Dat verschil voel je wel een béétje aan, maar zodra er plotseling een paar een verkoudheid beginnen te krijgen en hoesten, denk je: ai, we zitten hier verkeerd. Dan zou je liever je jas aandoen, zeggen: het is prettig geweest u te ontmoeten en naar huis gaan. Maar zo werkt het niet, je moet doorgaan. Je went er natuurlijk wel aan dat het ene publiek het andere niet is, maar het heeft onvermijdelijk een invloed op je als acteur omdat je je niet safe voelt. En soms komt er dan toch, als het doek valt, veel applaus. Dan heeft het publiek het geweldig geapprecieerd wat je deed, maar het niet laten blijken. Begrijpe wie kan.

"Ik heb het geluk gehad dat ik nogal vlug de goedkeuring kreeg van het publiek, dat was al half gewonnen. Voor wie doe je het anders? Natuurlijk ook wel voor jezelf, een mens wordt graag gezien. Maar voor mij blijft het een samenwerking. Als er geen publiek is, kun je niet spelen. Het is gevaarlijk om zoiets te zeggen. Critici reageren meteen met: 'Ja, dan moet het goedkoop amusement zijn.' En dat is niet waar. Ook het publiek verandert met de generaties. Soms vragen ze weleens: waarom spelen jullie dat oude stuk niet meer waar we zoveel plezier aan beleefd hebben? In bepaalde theaters proberen ze dat wel - met enige bewerking -, maar lukt het altijd? Met oude stukken loop je ook desillusies op, hoor, hoe sterk die ook gemaakt zijn. Dat zal het eeuwige probleem van theater blijven. Over twintig, dertig jaar zal men hetzelfde van de hedendaagse stukken zeggen. Auteurs schrijven immers het liefst voor hun generatie. Dat is trouwens ook de reden waarom er voor een acteur een moment komt dat de rollen op zijn. Dat word je gewoon. Het is alleen maar grappig dat net nu ik mijn leeftijd kan spelen, er niets meer te spelen valt. Behalve dan rollen waarin ik sterf en daarin ben ik de laatste tijd dan ook goed geoefend. Als het zover is, zal ik dus weten waar het om gaat!"

"Tachtig is een cijfer en de dood een deel van het geboren worden. Het is de eindrekening die gepresenteerd wordt, daar is niks aan te doen. Gisteren is voorbij, we leven vandaag en hopelijk morgen en overmorgen ook nog. Ik ben er mij daarom helemaal niet van bewust hoe ik twintig of nog maar tien jaar geleden was. Het interesseert mij niet. Oud worden hangt af van hoe je je voelt en ik heb nog geen zin om thuis in een canapé te liggen verroesten. Daarom speel ik graag nog enkele rollen per jaar, meer om bezig te blijven. Zolang mijn hoofd nog wil meedoen, is het goed, maar op een bepaalde leeftijd is het bijna onvermijdelijk dat je geheugen achteruitgaat. Ik doe er nu al langer over om een tekst van buiten te leren dan vroeger. Maar daarvoor dienen toch ook de repetities, dus dat lukt nog wel. Er zijn andere dingen die ik eerder vergeet: titels, namen, plaatsen, data. Volgens mij is dat gewild: in mijn hoofd moet ik plaatsmaken voor teksten, de rest is van minder belang en duw ik weg. Hoewel, die houding is niet altijd gemakkelijk als ik iemand op straat tegenkom: 'Godverdomme, hier zie', en dan denk ik: maar hoe heet die nu weer? Ik los dat wel op, hoor, maar hoe wil ik niet zeggen, anders weten ze het de volgende keer!"

Nand Buyl speelt op maandag 10 maart om 20.15 uur in de Arenbergschouwburg in Antwerpen de 100ste voorstelling van 'Visiting Mr. Green'. Info en reservering 070/22.21.92 of www.ticketantwerpen.be.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234