Zondag 05/07/2020

Een land op zoek naar zijn roots

In het kader van een uitwisselingsprogramma tussen Het beschrijf en het Estonian Literature Information Centre verbleef de jonge Vlaamse schrijver David Nolens een maand lang in het Writers' House in Käsmu, gelegen aan de Baltische zee. Voor Uitgelezen doet hij zijn verhaal, over licht en duister, over vrijheid en wodka.

Het dorp Käsmu bestaat uit enkele straten van prachtige, houten huizen. De Baltische zee ligt op vijftig meter wandelen, lijkt veeleer op een meer, met bijna stilstaand water. Het is hier dagelijks ongeveer dertig graden warm, wat uitzonderlijk is voor deze streek. Het wordt maar een halfuur donker, tussen 1 en 1.30 uur 's nachts. Dat is onwezenlijk. Dag en nacht zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Dat geeft energie - en hoewel ik had gedacht dat het beangstigend zou zijn, maakt het me vrij rustig.

Er zijn hier twee schrijvers: de Est Jan Kaus en de Deen Kasper Nørgård Thomson, beiden van mijn leeftijd. Kasper (34) is een enkeling. Hij wil erg graag weg uit Kopenhagen, maar het lukt hem niet, zegt hij. Hij reist veel. Laatst was hij in Albanië. Na zijn verblijf hier zal hij de grens oversteken naar Rusland. Een bijzondere en onrustige kerel. We zijn even oud en hebben elk twee boeken gepubliceerd.

Zonet heb ik in het nabijgelegen dorpje Võsu gegeten met Ilvi Liive, een Estse vertaalster die perfect Nederlands spreekt. Zij is mijn contactpersoon en medeverantwoordelijk voor dit schrijvershuis. Ze is een mooie, levendige vrouw. Ilvi werkt aan een anthologie van Vlaamse poëzie. Ik maakte één fout. Ik las de menukaart en zei spontaan hoe goedkoop het eten en de drank wel zijn. Ze antwoordde: "Ja, voor jou wel." Omdat we Nederlands spraken, had ik uit het oog verloren dat Ilvi Ests is.

Met Jan Kaus praat ik over de geschiedenis van Estland. De Sovjettijd tot 1991, de onafhankelijkheid, het lidmaatschap van de EU in 2004, de armoede vroeger en de plotselinge welvaart vandaag, de onhandige omgang met het kapitalisme. De argwaan tegenover Poetin, nog steeds de angst om opnieuw bezet te worden. Over de zwijgzaamheid van de Esten. Jan Kaus: "We moeten leren praten tegen buitenlanders. Dat zijn we niet gewend." Ook over zijn schrijverschap. Hoe is het om te schrijven voor minder dan één miljoen mensen die Ests spreken? Jan Kaus: "Er is geen andere keuze. Schrijven doe je immers in je moedertaal." Kasper schrijft voor zes miljoen mensen. Ik ben de winnaar met twintig miljoen mensen. Ze kennen geen enkele Vlaamse schrijver. Erg relativerend, zelfs bevrijdend...

Het plan was dat in 2007 de euro zou worden ingevoerd in de Baltische staten. Maar dat is uitgesteld. Ilvi vertelde waarom: "De Esten hebben nog maar sinds kort hun eigen Estse kroon. Hun identiteit is met de nationale munt verknoopt." Beter zou zijn te zeggen dat ze heel hard op zoek zijn naar hun identiteit, denk ik. Om een idee te geven. In Vlaanderen en Nederland zegden critici lange tijd dat het maar eens afgelopen moest zijn met die oorlogsromans. Hier in Estland krijgt Jan Kaus (36) van de critici het verwijt dat zijn laatste roman níét over de Sovjettijd handelt, maar over het hedendaagse, onafhankelijke Estland. De wereld op zijn kop, of misschien toch niet. Zijn roman beleeft net een derde druk. Een bestseller in Estland betekent 10.000 verkochte exemplaren. Dat is de absolute top.

Hier vlakbij is een zomerkamp voor kinderen. De jeugd heeft drie maanden zomervakantie, van juni tot en met augustus. Ze moeten in die maanden als het ware het licht vangen, spelen en zich in de zon wentelen. Daarna begint de lange, donkere, ijskoude winter. Het kan tot dertig graden vriezen.

Kasper en ik zaten er op een bankje in de zon. Een kind van negen kwam naar Kasper toe. Het vroeg: "Where are you from?" Kasper vertelde dat hij Deens is en vroeg hoe het kind kon weten dat hij geen Est is. Het kind antwoordde: "Omdat je er niet Ests uitziet." Engels is nu de tweede taal op school. Voor Jan Kaus was dat nog Russisch. Uiteindelijk zal de bezetting uit de lijven groeien. Deze kinderen spreken geen woord Russisch en zullen minder bang zijn van hun "grote, naaste en gevaarlijke buur", dixit Jan Kaus. Ze zullen ook veel opener staan tegenover buitenlanders. Dat bleek. Jan zegt dat het Westen de psychologie van Poetin, van Rusland niet begrijpt. Het Westen is naïef en onderschat het Russische gevaar. Jan heeft te lijden onder zijn jeugd die zich afspeelde in de wijk van de metaalindustrie in Tallinn. "We waren arm, zoals iedereen, en het stonk er." Hij vertelt nog over zijn grootouders, Siberië en de concentratiekampen. "Het Westen heeft het altijd over het fascisme, alsof het communisme daarvoor moet onderdoen."

In Käsmu zijn geen winkels. We moeten naar een winkel in Võsu, vijf kilometer fietsen door het woud, een écht woud dat ruikt naar échte dennen of sparren. Ik heb geen verstand van de natuur, maar proef wel de gezonde lucht. Sinds gisteren mag er nu ook niet meer in Estse cafés worden gerookt. Dat is de vooruitgang. Kasper ging naar een café en raakte aan de praat met bonkige Esten die gekleed gingen in dierenhuiden en -koppen. De één was een vogel, de ander een zwijn, enzovoort. Uiteindelijk kwam het erop neer dat hij van een van de dieren een vuistslag kreeg. Hoe dat zo kwam, vertel ik niet.

We fietsen naar Võsu op een loodzwaar gevaarte uit de Tweede Wereldoorlog. Na de bezetting door de Russen in 1944 vluchtten heel wat Esten de wouden in. Sommigen van hen leefden meer dan twintig jaar in kleine gemeenschappen in het woud. Estland is iets groter dan Nederland. Met een bevolking van 1,4 miljoen mensen (van wie er 400.000 in Tallinn wonen) is er ruimte zat. Het cliché klopt trouwens: Esten drinken veel; ik zie vooral oude mannen in heel oude kostuums; uit hun broekzak piept een wodkafles. Ze richten hun blik op het verleden.

Ik begin te vermoeden dat het onderscheid tussen dag en nacht onbelangrijk wordt. Het is nu 23 uur en het voelt alsof het vijf uur 's middags is. Ik kan me voorstellen dat wonen in dit noorden een leven is dat kantelt van manie (zomer) naar depressie (winter). Jan vertelde me dat Esten in de zomer heel weinig slapen. Ze hebben immers tijd in te halen.

Het onderscheid tussen dag en nacht bestaat wel zeker. Langzaam krijg ik oog voor de subtiliteit van het veranderende licht. En ook mijn angst bestaat. Dagelijks overvalt me even een verlangen naar het donker van de zuiderse nacht, als de enige plaats of tijd waar het hoofd rust vindt. Daarom oefen ik me nu in het lezen van het licht: de dag is blauw en de nacht is wit. Tussen twaalf en één 's nachts wordt het wit grijs, alsof het zwerk slordig wordt ingekleurd met houtskool. Na één uur krijgen het wit en het grijs gezelschap van het rood. Tussen twee en drie klaart het op.

De momentane angst voor het licht wordt afgewisseld met explosieve, euforische periodes. Komt dat door dit eeuwige licht? Want in België ken ik ze niet, toch niet op deze manier. Kasper kent ook die euforie. Uiteraard hebben we overwogen of de wodka verantwoordelijk is. Maar nee, het is het licht en daarmee uit.

Ik ben gestopt met het drinken van wodka.

De Estse taal maakt geen onderscheid tussen de seksen, tussen 'hij' en 'zij', en ook heeft deze taal, werkwoordelijk, geen toekomstige tijd. Daarom zei Jan: "Wij hebben geen toekomst en geen seks." Maar toen ik doorvroeg, na "de taal is gans het volk" te hebben uitgesproken, zei hij dat 'feminisme' in Estland een loos woord is. De gelijkwaardigheid van man en vrouw is zoals in hun taal in hun denken gebakken. Zijn vrouw zat naast hem en knikte, terwijl ze me niet durfde aan te kijken.

Met één miljoen potentiële lezers is het voor uitgevers niet rendabel om boeken te publiceren. Daarom wordt elke uitgave gesubsidieerd. De overheid maakt het de auteurs erg makkelijk. Het lijkt voldoende om een werkplan in te dienen. Een commissie van zeven leden beslist of het plan een publicatie verdient. De auteur hoeft niet eens aan een uitgeverij te zijn verbonden. Hij mag met het geld het boek in eigen beheer uitgeven. Op die manier publiceerde Jan zijn eerste boek, dat erg goed werd onthaald. Het gevolg van deze subsidiecultuur is ook dat er heel veel rotzooi verschijnt. Elke bundel gedichten, elke autobiografie wordt hier gepubliceerd. Jan zegt dat het zo niet verder kan. Gisteravond hebben we gevierd dat Jan een stipendium krijgt, ongeveer 12.000 euro, wat een hele eer blijkt.

Zowat elk gesprek met Jan eindigt in zijn uitgesproken verlangen naar wortels (roots). De Esten zijn het noorden kwijt; het kapitalisme verzandt in apathie; vrijheid betekent ook verantwoordelijkheid; het materialisme ontsluit de grenzen van de hebzucht én tegelijk de grenzen van het individualisme; iedereen denkt alles te mogen en te kunnen; het bekende verhaal. Volgens een betrouwbare studie is Estland het meest seculiere land van Europa, een gevolg van het Sovjetregime.

We ontmoeten twee dronken Finnen die ons uitnodigen om met hun zeilboot naar Helsinki te varen. Maar ze vertrekken al om zes uur 's ochtends, over enkele uren. Dat halen we nooit. Ik zeg dat ze de eerste Finnen zijn die ik ontmoet. We schudden elkaar de hand. De meest spraakzame heet Heìkkì. Ze bezigen een absurde, donkere humor. Ze zingen hikkend van het lachen: "What shall we do with the drunken sailors..."

Kasper was verdwenen en is nu terecht. Hij was vanochtend thuisgekomen, helemaal te voet van Võsu naar hier. De prachtige legerfiets is gestolen. De volgende dag zien we iemand op de fiets rijden. Kasper gaat naar hem toe, wijst naar de fiets en krijgt hem terug, zonder enige woordenwisseling. Scène 1: Kasper en ik roken in de plaatselijke discotheek, terwijl we weten dat dat verboden is. Een Est kijkt me aan en roept kwaad dat ik de sigaret moet doven. Harde ogen, grimas. Ik doof de sigaret. Hij blijft roepen. Ik zeg hem dat we onze sigaret hebben gedoofd. Hij blijft roepen. "Kijk dan toch", zeg ik nu iets harder, "onze sigaretten liggen op de grond, gedoofd." Hij blijft roepen en zal zo meteen slaan. Kasper trekt me net op tijd weg. Scène 2: Kasper praat in de discotheek met een vrouw. Het lijkt een aangenaam gesprek. Er komt een man naar hen toe. De vrouw zegt: "Dit is mijn echtgenoot." De man trapt Kasper hard in het kruis. Het koppel gaat weg. Scène 3: Ik bestel aan de bar twee whisky's. Ik vraag eerst welke merken ze hebben. De barman begint te schelden. Hij neemt een drankkaart en gooit die naar mijn hoofd. "Twee Jim Bean, alstublieft." Scène 4: Ik ga buiten een sigaret roken. Ik wil terug naar de discotheek. De portier vraagt me opnieuw te betalen, omgerekend ongeveer acht euro. Ik zeg dat ik reeds heb betaald, toon het gele toegangsticket. Hij roept: "Je moet opnieuw betalen!" Ik weiger. Drie buitenwippers keilen me op straat. Ik zoek de fiets. Die is opnieuw gestolen! Ik wandel de vijf kilometer naar Käsmu, om vier uur 's ochtends, door het woud. Ik val. Bloot vlees op handen en knieën. Kasper kreeg een lift van vier Russen. De fles wodka ging van hand tot hand.

De volgende middag voorzichtige analyse door Jan Kaus. (Niet veralgemenen, nooit veralgemenen!) Over de Esten die op vakantie zijn in Võsu: ze hebben geen opleiding; ze zijn bang van buitenlanders; ze spuwen op intellectuelen en brildragers; ze gedragen zich volgens een agressieve groepsdynamiek; ze rijden met de allernieuwste en duurste wagens, maar hun koelkast is leeg; ze luisteren naar afschuwelijke hardcore muziek; ze vechten zonder enige reden; ga niet naar plaatsen waar wodka wordt gedronken!

Analyse door Kasper en mij: het ontbreekt hun aan empathie; ze kennen geen praatcultuur en vechten uit onmacht; de mannen zijn soldaten, breedgeschouderd en kaalgeschoren; de vrouwen zijn objecten, kortgerokt (eindeloze benen), zwaar opgemaakt en geblondeerd; ze moeten dringend gaan reizen, de wereld verkennen; ze zijn gevaarlijk, zowel de mannen als de vrouwen van Võsu; we zullen voortaan op een veilige afstand blijven.

Jung schreef: "In de meest rationele staten is ook het onderscheid tussen de geslachten het meest afgenomen." Moet ik hieruit afleiden dat rationaliteit hier ver te zoeken is? Een mogelijk antwoord is dat deze mannen zich, vanwege hun geschiedenis, nog te veel identificeren met een collectiviteit en dat hun individualiteit hen angstig maakt, zodat ze zich terugtrekken in de groepsdynamiek. Dus als Jan waarschuwt voor het toenemende individualisme van de Esten, zou ik moeten antwoorden dat het individualisme geen gevaar vormt, maar dat het zich integendeel verder moet ontwikkelen, dat het moet worden gefinetuned, zodat het meer diepgang en polariteit kan verdragen.

Vandaag lopen Kasper en ik wat angstig rond. We besluiten morgen een auto te huren en naar Riga te rijden, de meest West-Europese stad van de Baltische staten, 300 kilometer hiervandaan. Er wonen 700.000 mensen, van wie een derde Russen. We zullen er enkele dagen blijven.

De man van Jans uitgeefster, wiens naam ik niet verstond, is van opleiding theoloog en van beroep schrijnwerker. Daarom heeft hij schouderlang haar, borstelige wenkbrauwen, handen als kolenschoppen en een contemplatieve inborst. Ik vroeg hem naar zijn geloof. Ja, hij is een van de weinige Esten die staan ingeschreven in een kerkregister. Hij vroeg of ik gelovig ben. Ik haalde mijn schouders op, een leeg gebaar. Hij vroeg of ik dan niet de ervaring ken dat "alles één is". Ik antwoordde: "Dan toch niet op mijn nuchtere maag." Ik verontschuldigde me, maar hij antwoordde dat ik het ook niet kan helpen; dat ik de ervaring dat alles één is niet ken. Het lijkt me makkelijker om die eenheid te ervaren, als je wordt ingesloten door donkerte, door wouden en de zee.

Kasper is vertrokken. Ik ben vannacht alleen in het huis. Kasper keert terug naar Riga voor enkele dagen en reist dan door naar Moskou. Zijn eerste tekstbericht: "My nerves are fucked." De volgende dag zijn tweede tekstbericht: "I am learning about Riga, a divided city with the old quarter as the place for the young and chic, surrounded by a desert of vodka." Kasper is gefascineerd door wat hij noemt "vodkafaces": diepgebruinde, uitgedroogde, ingevallen gezichten van mensen die voortstrompelen op zoek naar de volgende fles, een treurig beeld, maar zo droef dat het soms mooi wordt. Dikwijls leven ze in groep: enkele mannen en vrouwen die mekaar letterlijk ondersteunen.

Riga is een prachtige stad, waarvan het oude centrum erg zuiders aandoet, maar dat tevens een plek voor sekstoerisme lijkt geworden, met jonge Britten als belangrijkste consumenten. In Riga wonen misschien wel de mooiste vrouwen van Europa. We hebben drie dagen op het terras van Café Nostalgija doorgebracht, een oud etablissement, we voelden ons echte gentlemen. Kaspers laatste tekstbericht: "Riga kills the last gentleman." Maar het is natuurlijk de gentleman zelf die degenereert. Volgehouden hoffelijkheid barst.

Het is bijna onmogelijk een open gesprek te voeren over de tweespalt tussen de Esten en de Russen. Die laatste groep, een derde van de inwoners, is sinds de onafhankelijkheid van eerste klasse naar tweede klasse gesukkeld, of anders gezegd: de meester is knecht geworden. Een deel van die Russen weigert om de Estse taal te leren en verliest daardoor het recht op een identiteit. Ze hebben grijze paspoorten. Ze hebben het moeilijk om werk te vinden of om te reizen. Die mensen zijn gefrustreerd. De Esten die ik sprak, waren onverbiddelijk: "Ze moeten Ests leren om een Ests paspoort te krijgen. En het is wel duidelijk waarom ze niet naar Rusland willen terugkeren. Daar zijn hun levensomstandigheden nog slechter." Dat begrijp ik wel. En verder moet ik elk oordeel opschorten, wegens incompetent om de geschiedenis na te voelen. De situatie lijkt zorgwekkend. Nadat een Russisch oorlogsmonument in Tallinn werd verplaatst, gebruikt Rusland alle mogelijke propaganda om de Russen tegen de Esten op te zetten. De Russen hier kijken naar hun eigen Russische televisie en worden opgestookt, beweren de Esten. Rusland valt nu ook Estse servers aan, zodat het internetverkeer platligt. De schrik voor een etnisch conflict zit er diep in. Dat Estland lid is van de EU, is blijkbaar geen garantie. Dat lidmaatschap geeft immers geen veilig gevoel met een kolos als Rusland naast de deur. Hoe moet het dan verder? Daar heb ik geen duidelijk antwoord op gekregen. Praten jullie met de Russen? "Nee." Hebben jullie een hekel aan hen? "Bof, ze leven in hun eigen getto's, spreken onze taal niet, gaan naar hun eigen winkels." Maar wat nu? "Poetin moet worden gestopt! Hij is het grote gevaar. Europa begrijpt dat niet." Maar Estland is toch ook Europa? Ze halen hun schouders op, zijn niet overtuigd. Dat verleden van de Sovjetbezetting valt voor een buitenstaander niet na te voelen.

Tijdens mijn laatste dagen in Käsmu ben ik verstild. Eén keer nog ben ik 's ochtends met de bus naar Tallinn gereisd, wanhopig op zoek naar de energie van de stad. 's Avonds kreeg ik een lift van Doris Kareva (°1958), die ook in Käsmu verblijft. Zij is een van de belangrijkste Estse dichters en verblijft in de kamer hiernaast, waar ook Kasper logeerde. Een beminnelijke vrouw, maar het contrast met de razernij van Kasper Nørgård Thomson en mij, onze nachtelijke gesprekken en escapades, is te groot. Maar het is goed dat hij vertrok. Op het laatst sprak ik Deens Engels en hij Vlaams Engels. We reikten op hetzelfde moment naar ons glas, staken tegelijk een sigaret op. Zijn laatste tekstbericht uit Moskou: "Kiss the house of Käsmu." Dat doe ik.

Dagelijks overvalt me even een verlangen naar het donker van de zuiderse nacht, als de enige plaats of tijd waar het hoofd rust vindt

De Estse taal maakt geen onderscheid tussen de seksen, tussen 'hij' en 'zij', en ook heeft deze taal, werkwoordelijk, geen toekomstige tijd

De Estse schrijver Jan Kaus: 'Het Westen heeft het altijd over het fascisme, alsof het communisme daarvoor moet onderdoen'

In oktober ontvangt Het beschrijf Tônu Õnnepalu, een van de meest vooraanstaande en veelvuldig vertaalde auteurs uit Estland. Hij zal voor enkele weken verblijven in Villa Hellebosch in Vollezele.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234