Vrijdag 21/02/2020

Een kunstenaar op klompen

Hij zou een figurant uit Jour de fête van Jacques Tati kunnen zijn, of een personage uit de romans van Raymond Queneau. Een boerke dat vreemde schilderijtjes borstelde. Een strandjutter op het droge, een zonderling die rommel en dood hout naar zijn hol sleepte om er kunst mee te maken. Wie kent nog Gaston Chaissac 'dit picasso de Bidonville', een van de eigenzinnigste artiesten die onze eeuw heeft voortgebracht - en meteen vergeten? In Charleroi werd een ontroerend retrospectief opgezet, met meer dan tweehonderd vriendelijke werken en bezoekers die vrolijk fluitend weer naar buiten wandelen. Zou Chaissac dan toch een groot kunstenaar geweest zijn?

Mannekens maken. Krabbelen, krassen, knippen en plakken. Een platgedrukte kookpot krijgt een gezicht, een steen wordt een silhouet. Kijk, Camille, het komt goed. Nog een alpinopet en een aardige grijns. Voilà, klaar. Het tafereel speelt zich af in Sainte-Florence-de-l'Oie, Vendée, Frankrijk. Een atelier is er niet. Gaston Chaissac (1910-1964) werkt aan de keukentafel of op de vloer van het klaslokaal, wanneer de kinderen de deur uit zijn. Zijn vrouw Camille is dorpsonderwijzeres; haar école laïque telt twee leerlingen, later vier. In het bigotte gat houden ze niet zo van de vrijgevochten vrouw en haar artiest die het huishouden bereddert en antiklerikale taal uitkraamt. Hij stalt zijn kladschilderijen wel eens uit op de stoep voor het huis - je weet maar nooit dat er een kunstliefhebber langskomt. De dorpelingen liggen in een deuk, hun kinderen roepen hem na. Zoo-ot. Chaissac beklaagt er zich over in een brief aan de burgemeester. Of die plagerijen alstublieft kunnen ophouden. Verblijf ik intussen met voorname hoogachting.

De rubriek 'signes particuliers' op Chaissacs identiteitskaart vermeldt nochtans 'néant', niets bijzonders. Misschien is het wel de schijn van normaliteit die van de man een mysterie heeft gemaakt. Wat kunnen gezonde landlieden aanvangen met een kerel die er prat op gaat dat hij twee linkerhanden heeft? Alles wat hij onderneemt, mislukt: hij was kokshulpje, loopjongen, zadelmaker, tuinman, schoenmaker zonder klanten. En wat moet de kunstgeschiedenis met een gewone man? Chaissac was geen geil bokje zoals Picasso, geen romantische Modigliani, geen zwakzinnige Van Gogh, geen heer van stand zoals Matisse, geen bohémien tout court. Dronk niet, rookte niet. Een zwakke gezondheid had hij wel, en hij wist ook wat armoede was: jarenlang sleepte hij zich van sanatorium naar armenhuis, leefde hij tussen zwervers en dronkaards in een 'cour des miracles' dat hem voor het leven zou tekenen - en inspireren: hij ging schrijven. Tuberculose, hoge bloeddruk, depressie. Stierf half verlamd, vierenvijftig jaar oud.

Ironie kan schoon zijn. In 1939 schrijft Chaissac in het sanatorium van Arnières een brief aan zijn vriend de schilder Albert Gleizes: de arts die hem behandelt, heeft hem daarnet officieel als kunstenaar erkend, 'par certificat médical'. De remedie? Hij moet voortaan het jachtige leven van een artiest leiden. Het is een ongeneeslijke ziekte. "Ik kan dingen doen die niemand anders kan; het is dus vrijwel onmogelijk om datgene te doen waar de rest van de mensheid goed in is." Schrijven kan hij, en goed ook. Hij stuurt wel eens een manuscript naar een uitgever. Chaissac kent als geen ander zijn beperkingen: te naïef, te bescheiden, onervaren, eerlijk als goud. Tekenen gaat hem wat beter af.

Twee jaar geleden heeft hij op een Parijse zolderkamer veel geleerd van zijn buren Otto Freundlich en diens vrouw Jeanne Kosnick-Kloss, die een kleine schilderacademie leidt. Ze stoppen de jongeman papier en potloden toe, zorgen voor wat goede raad, zelfvertrouwen en een eerste tentoonstelling. Chaissac verkoopt enkele schilderijen. De kubistische schilder en theoreticus Gleizes is één van zijn klanten; later zal hij de plaats van Otto Freundlich innemen en Chaissacs mentor worden. De Duitse jood en voormalig communist die door de nazi's werd beschouwd als één van de aanstokers van de Entartete Kunst werd in 1943 naar Polen gedeporteerd en in het kamp van Lublin-Majdanek vermoord. Chaissac heeft nauwelijks geweten wat er gaande was; hij had het te druk met kunstenaar te worden. Drie jaar eerder schreef hij Freundlich nog een vriendelijk kattebelletje om te melden dat hij echt niet kan tekenen en het ook niet wil leren; het is een ziekte waarvan hij nooit wil genezen 'et sans mon déséquilibre, je n'arriverais à rien.' Neen, gek is hij niet. Zijn genadeloze luciditeit zal hem blijven achtervolgen, van de ene depressie naar de andere. Maar om een echte artiest te worden is hij veel te nuchter, en hij weet het.

In 1942 verblijft Chaissac zes maanden lang bij Gleizes in Saint-Rémy-de-Provence. Hij ziet de meester aan het werk en steekt heel wat van hem op. In de bibliotheek ontdekt hij het werk van Braque en Van Gogh, die hem inspireert tot een schilderij als Ma chambre à St.-Rémy-de-Provence. De doeken van Matisse maken hem blij als een kind dat naar feestelijke lampjes kijkt. De kleuren van het zuiden sluipen in zijn werk binnen: oker, zand, baksteenrood, zacht groen, lavendel. Gleizes' salon is een grenspost waar de hele wereld samenkomt - of alleszins de Parijse intelligentsia die Chaissac in het kunstbedrijf introduceert. André Bloc stuurt Chaissacs krabbels naar de beste galerieën in de hoofdstad, maar de schoenmaker droomt vooral van een baan in een stoeterij waar rendement niet zo belangrijk is en de aanwezigheid van beesten goed voor de gezondheid. Ach, misschien is hij altijd wel een groot kind gebleven, "un gosse triste, qui depuis longtemps n'a rien eu pour l'amuser."

Gaston wordt vader en trouwt met Camille - in die volgorde. En hij schildert, tomeloos en mateloos. Ventjes die het midden houden tussen kindertekeningen en kubistische experimenten, harkerige krabbels en vlekken die vormen worden. Een criticus heeft lont geroken: hij vindt dat Jean Paulhan, één van de invloedrijkste Parijse pennen, dringend eens moet gaan kijken naar "die geschifte werken van een onbevangen Paul Klee" ('ces oeuvres un peu folles de ce Klee spontané'). Paulhan contacteert Chaissac. De schoenmaker zal gaan schrijven voor de Cahiers de la Pléiade en voor de prestigieuze Nouvelle Revue Française. Ook de behoorlijk geniale auteur Raymond Queneau, de geestelijke vader van Zazie dans le métro, Pierrot mon ami en Exercices de style maakt kennis met de zonderling die op klompen rondscharrelt en zich zo graag voordoet als een zwakbegaafde Beotiër. Chaissac heeft de schrijfmicrobe voorgoed te pakken. Hij stuurt brieven aan zijn Parijse vrienden en vijanden, aan de pastoor en de burgemeester, aan onbekenden die hij in het telefoonboek aantreft. Hij speelt zijn rol met overgave, maar zijn verhalen kraken onder het gewicht van de melancholie. Chaissac is een eenzaam man die niet goed kan volgen. De ironie is zijn laatste toevluchtsoord. In een brief aan Queneau plagieert hij de Heilige Theresa van Lisieux: "Ik zeg niet dat ik een kunstenaar of een poweet ben, maar ik voel mij wel kunstenaar en poweet. En boer. En spoorzoeker, gids. Leeuwentemmer en priester. Reiziger. En vooral: de toeschouwer van een toneelstuk waarin we allemaal onze eigen rol spelen. Een soldaat die voor de vrede vecht. Ik voel mij alles en iedereen." Zelfs de spelfouten lijken ingestudeerd: hij schrijft 'poëte' in plaats van 'poète' en 'oeils' waar hij 'yeux' bedoelt (jaren later zou de Franse communistenleider Georges Marchais met opzet taalfouten maken: ook wie het voor de arbeiders opneemt, moest krom praten). Is die Chaissac uit Sainte-Florence-de-l'Oie een faux naïf of een oprechte kerel die niet meer wist van welk hout pijlen te maken? Tot aan zijn dood speelde de schilder vakkundig verstoppertje. Het was pompen of verzuipen.

De kleine vriendelijke reus met de snor heeft zich wanhopig verzet tegen de boze wereld. Galeriehouders waren niet echt welkom, grote woorden konden hem gestolen worden. Chaissac werkte in de tuin (hij plantte al eens patatten in kringetjes) en cultiveerde zijn imago van onbehouwen landman, maar uit zijn literaire werk duikt het beeld op van een overgevoelig en belezen man die in een wijde boog om de officiële cenakels van de kunst heen liep. Camille moet hem af en toe naar Parijs drijven; hij blijft nog het liefst van al thuis. Zijn ironie komt hem te hulp. Met woorden jaagt hij de demonen op de vlucht. Zal hij naar een vernissage gaan? In een brief aan de organisatoren van de tentoonstelling vraagt hij zich af of hij wel op klompen mag langskomen: zijn nieuwe schoenen knellen en de oude zijn versleten. Hij vertrekt niet. En zijn al die pseudoniemen waarmee hij zijn brieven en werken signeert geen maskers waarachter de echte Chaissac zich verschuilt? De lijst lijkt eindeloos: G. Chaissac du Breuil de Laterrade de Soursac, Hyppolite Hippobosca (Hippoliet Paardenvlieg), Picasso op klompen, Gaston Chaissac de l'école des laids arts...

Hij verandert van voornaam, signeert ongewild met Chiassac. Hij zou zo graag samen met anderen aan hetzelfde schilderij werken - met Raymond Queneau bijvoorbeeld, en dan samen signeren als Quessac of Chaineau. Met schooljongens uit het dorp wil het wel eens lukken. En altijd is er de rode draad van het wantrouwen tegen de artiesten uit de hoofdstad en hun vazallen, de critici. Het zijn niet alleen de woeste, karikaturale krabbels die hij af en toe aan het papier toevertrouwt die aan het eigengereide jeugdwerk van een kunstenaar als James Ensor herinneren. Waar hebben we dit eerder gehoord: 'Jésus était un provincial qui fut crucifié par des pompiers arriérés à Jérusalem la capitale, où il était allé se mettre dans la gueule du loup' - de kunstenaar als 'Christus op de koude steen' die door achterlijke blaaskaken wordt beschimpt. Chaissac schrijft deze regels in 1948. Enkele jaren eerder is de 'dandy populaire' door Jean Dubuffet ingehaald als één van de kunstenaars die wonderwel passen in diens modieuze theorie van de art brut.

In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog vindt het artistieke bedrijf een nieuwe adem. Paris s'éveille. Chaissac exposeert er twee keer op de Salon des Indépendants. In 1946 draagt hij zelf zijn schilderijen naar de Salon des Réalités nouvelles. Dubuffet merkt zijn werk op en een lange vreemde vriendschap vangt aan. De beide mannen schrijven elkaar soms twee lange brieven op één dag, maar slechts drie keer hebben ze elkaar in levenden lijve ontmoet - het is telkens weer een ontgoocheling.

In 1945 was Dubuffet samen met Paulhan en Le Corbusier naar Zwitserland getrokken om er als een echte schattenjager naar nieuwe kunst te graven. Hij is in de ban van de schilderijtjes die geesteszieken en marginalen maken. De art brut wordt geboren en Dubuffet is haar profeet. Zijn ontmoeting met Chaissac is een godsgeschenk. Hij zal de mecenas zijn die tientallen werken aankoopt voor de verzameling van de Compagnie de l'Art brut en die de kunstenaar het harmonium toestuurt dat diens vrouw zo graag wilde hebben, en een fiets voor hun dochter. Dubuffet organiseert voor Chaissac een tentoonstelling en schrijft het voorwoord. De man uit de Vendée is nu eens op zijn hoede, dan weer blij als een kleuter. "Je suis le Dubuffet en sabots et tu es mon cousin de Paris," schrijft hij. Maar de argwaan wil niet wijken. Alhoewel Dubuffet erkent dat zijn beschermeling eigenlijk aan de rand van de art brut staat (hij is immers veel te goed geïnformeerd en weet perfect wat hij doet), voelt Chaissac zich een beetje misbruikt door zijn 'cher cousin' uit de hoofdstad.

Zelf noemt hij zijn kunst bij voorkeur "peinture rustique moderne", een elegante formule zoals alleen Chaissac ze kon bedenken (of Erik Satie misschien, maar dat is een ander verhaal). Hij is een dorpsschilder die, ver van het gewoel en de nouveautés in de grootstad, zijn eigen gezonde weg gaat, de weg van de vruchtbare grond onder zijn voeten Een mens aan de rand, en vooral: een volbloed ironicus. Chaissacs brieven, die in boekvorm werden gepubliceerd, zijn pareltjes van esprit. Ook in zijn grafische werk duiken teksten op. Ze vormen de armen, benen of het silhouet van vertederend lelijke figuurtjes. Wie goed toekijkt, ontcijfert provocerende woordspelingen ('vive la liberté d'inconscience') en pseudo-rustieke dagboekaantekeningen: "Maandag 20 maart 1950... Het regent en ik kan niets uitrichten in de tuin." Hij kon het niet laten. In zijn brieven schrijft Chaissac over Stendhal en Picasso, maar hij vertelt met evenveel verve dat hij gisteren tweehonderd preien heeft geplant en een toffe kerel ontmoet.

Enkele jaren voor zijn dood wordt de kunstenaar door prestigieuze galeriehouders voor de derde keer ontdekt. Enzo Pagani uit Milaan rijft Chaissacs beste werk binnen. In 1961 stouwt Iris Clert haar auto vol met kunst die ze in haar Parijse galerie presenteert en later zelfs naar New York of Minneapolis verscheept. Chaissacs felgekleurde totems (tot personages getransformeerde ruwe planken uit de nabije houtzagerij) maken furore. Ze hebben jarenlang in het tuintje van zijn laatste huis in Vix gestaan om de merels bij de aardbeien weg te houden. Hun geestelijke vader noteert trots dat hij de aanvoerder is van een leger van wel veertig stuks. Vandaag wonen ze in de fraaiste collecties van hedendaagse kunst.

Mannekens maken. Krabbelen, krassen, knippen en plakken. Een platgedrukte kookpot krijgt een gezicht, een steen wordt een silhouet. Chaissac schilderde zoals hij schreef - hij is een rapper avant la lettre. Zijn woorden stuiteren over het papier als het proza van een redacteur op speed uit de grote dagen van Libération, als graffiti in een pissoir. Heeft hij geen tekeningen gemaakt op de muren van de latrines in Camilles schooltje? Ruwe, brutale kunst is het. Ze eist het recht op om krom te praten en te schilderen, "le privilège de mal parler le français." Het rustiek-moderne schilderen is zijn dialect: als het niet klinkt, dan botst het maar. Geld voor schilderslinnen had Chaissac nauwelijks. Hij gebruikt afval: karton, oesterschelpen, boomstronken, het deksel van een valies, schoolschriften, een schoffel, mandjes, de deuren van een wandkast, krijt uit Camilles klas, pakpapier, leien, een oude helm, kranten, puin, behang, schillen van groente, gips, koemest. Met de inhoud van een kippenblaas kleurt hij tekeningen in. Het toeval mag een handje helpen: druppels inkt worden tot vormen geblazen, een natte dweil is een uitstekend hulpje. Waarom zou je een tekening niet mogen begraven en dan onderzoeken wat de tijd en de elementen uitrichten? Waarom niet met je mond schilderen? Waarom die vreemde nieuwe uitvinding, de viltstift, niet gebruiken? Zou je geen kind mogen zijn dat een gietertje of een paraplu tekent zoals alleen een kind een gietertje of een paraplu kan tekenen? En waarom zou je de kleuren van de wereld niet van je doeken laten knallen, gevat in vette randen en kringen? De kunstenaar die in het Paleis voor Schone Kunsten van Charleroi wordt getoond, is de héle Chaissac: van de aarzelende aanzet in de jaren dertig loopt het parcours langs de zelfbewuste werken die we met zijn naam associëren (Portrait sur fond rouge (1946), Composition à la Tête d'Oie (1956), Portrait d'Iris Clert (1961), tot het zotte geweld voorgoed losbarst op de eerste verdieping - in drie dimensies, met een alleraardigst ensemble van beschilderd vuilnis uit het midden van de jaren vijftig en de beroemde totems. Je denkt: Alechinsky, Corneille, Cobra, Miró, mail art, een kind van vijf, Kurt Schwitters. Mensen wandelen vrolijk pratend naar buiten. Chaissac in Charleroi is een onverwachte, ontroerende ervaring.

De tentoonstelling loopt tot 28 maart in het Paleis voor Schone Kunsten, Place du Manège te Charleroi (tel. 071/30.15.97). Ze is van dinsdag tot zondag geopend van 10 uur tot 18 uur (gesloten op maandagen en op dinsdag 16 februari). Toegangsprijs: 180 frank. De catalogus kost 1.000 frank, een Journal de l'Exposition 25 frank. De uitstekende documentaire film Gaston Chaissac, plante vivace, die permanent wordt vertoond, is ook beschikbaar op video en kost 750 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234