Zaterdag 21/09/2019

Een kort geheugen

'Als journalist schrijven en spreken over vandaag vereist zicht op gisteren en eergisteren. Wie dat niet kan, wegens opgescheept met een te kort geheugen, loopt het risico om de waan van de dag als historisch te beschrijven'

Luc Huyse / Tekening Jan Vanriet

Veel politieke ontwikkelingen die nu als 'historisch' worden bestempeld zijn dat helemaal niet. Neem nu de inval in regering en parlement van dertigers en jonge veertigers. Nooit eerder gezien, zegt men. Maar in 1966 vormde Paul Vanden Boeynants een regering waarover politiek commentator Manu Ruys schreef: 'De nieuwe trein die de Wetstraat binnenreed, werd bemand door jonge mecaniciens, die zichzelf pragmatici en managers noemden.' En Wilfried Martens was op zijn drieënveertigste premier van een regering met heel wat dertigers en veertigers.

Een goede maand geleden word ik 's zondags opgebeld door een journaliste van De Morgen. Of ik commentaar wil geven op de verbale bananenschil waarop Patrick Janssens was uitgegleden. Had die nu toch wel beweerd dat mannen in de politiek beter geëquipeerd zijn dan vrouwen, omdat ze beschikken over performantere netwerken. Mijn eerste reactie is: daar kunt u toch het best een vrouw over aanspreken. Ik suggereer Rita Mulier, de grande dame van het Vlaamse feminisme, en Mieke Van Haegendoren, voormalig voorzitster van de Nederlandstalige Vrouwenraad. Nooit van gehoord, zegt de journaliste.

Een studie van de Gentse universiteit heeft het net uitgebracht: in Vlaanderen is de gemiddelde leeftijd van de beroepsjournalist 39 jaar. Er zijn journalisten die ouder zijn en weer anderen die veel jonger zijn, zo is dat met gemiddelden. De dame die mij opbelde, behoort, aan haar stem te horen, tot de laatste categorie. Neen, natuurlijk is jong zijn geen zonde. Je kunt er dezer dagen zelfs minister-president mee worden. Maar dat eerste cijfer, gemiddeld 39 jaar, leert me wel dat de helft van de journalisten na 1964 geboren is. Voor hen zijn de schoolstrijd van de jaren vijftig, de bittere winterstakingen van 1960, de snelle ontkerkelijking na 1965, de meirevolte van 1968, de eerste staatshervormingen, de machtsgreep van Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene in 1972, de seksuele revolutie, de oliecrisis, de doorbraak van het feminisme, de opmars en ondergang van Leo Tindemans, de invasie van de jonge Turken rond Karel Van Miert en Louis Tobback, de ontzuiling en nog zoveel meer volkomen voltooid verleden tijd. Toch wegen die ontwikkelingen nog volop op wat nu gebeurt.

Toegegeven, het tekort kan weggewerkt worden met een goede scholing, met verstandig lezen en via het contact met oudere collega's. Maar daar schuilt nu precies een deel van het probleem. Hoor ik niet voortdurend klagen over de opleiding van journalisten in Vlaanderen? En hebben mediamensen nog de tijd om ervaring op te doen? Enkele jaren geleden interviewde ik 33 Vlaamse journalisten die, toen Dutroux plots voor nieuws zorgde, over die zaak gingen berichten in de krant, op de radio of op de televisie. Slechts een minderheid had ooit aan gerechtsjournalistiek gedaan. Een van de journalisten zei me toen: "... overal deed iedereen plots het gerecht. Mensen die de sector nog nooit gevolgd hadden, schreven over het gerecht. Ze begrepen de werking niet, maakten fouten en leden aan paranoia door gebrek aan kennis. Dat leidde op de persconferenties van het parket tot eindeloos tijdsverlies omdat alles telkens opnieuw moest worden uitgelegd."

Door de vroege verbanning van vijftigers en jonge zestigers hebben nieuwkomers op een redactie ook minder schouders om op te leunen. Tegelijkertijd is het collectief geheugen van een krant of een zender verzwakt. Of wordt het stilaan vervangen door de zoeksite van Google? Er is evenwel goed nieuws. Het magazine van de Vlaamse Vereniging van Beroepsjournalisten meldde onlangs met terechte tevredenheid dat de Vlaamse regering 900.000 euro uittrekt voor de financiering van 'projecten tot valorisatie' van ervaren maar helaas oudere redacteurs.

Als journalist schrijven en spreken over vandaag vereist zicht op gisteren en eergisteren. Wie dat niet kan, wegens opgescheept met een te kort geheugen, loopt het risico om de waan van de dag als historisch te beschrijven, om tijdens een interview de verkeerde vragen te stellen of om bij gebrek aan relativering uit de bocht te gaan. Veel ontwikkelingen die nu als 'historisch' worden bestempeld zijn immers helemaal niet zo nieuw. Vaak zijn er in het verleden van dit land oudere exemplaren van te vinden.

Neem nu de opwinding over de inval in regering en parlement van dertigers en jonge veertigers. Bart Brinckman heeft het in De Standaard (7/6/2003) over de dictatuur van 'le jeunisme biologique'. Nooit eerder gezien, zegt men. Neen? In 1966 vormde Paul Vanden Boeynants een regering waarvan Manu Ruys wat later schreef: "De nieuwe trein die de Wetstraat binnenreed, was glimmend blauw en geel geplakt en werd bemand door jonge mecaniciens, die zichzelf pragmatici en managers noemden." Wilfried Martens was 36 jaar toen hij in 1972 aan het hoofd kwam van de Vlaamse CVP, toen verreweg de grootste partij. Hij was een eerste maal premier op zijn drieënveertigste. Zijn regering telde trouwens nogal wat dertigers en veertigers. Het verschil met toen is misschien wel dat politici nu sneller verslijten. Gaston Eyskens, een laatste keer eerste minister in 1971, draaide bijna veertig jaar lang rondjes in de politieke arena. Je ziet Steve Stevaert het hem niet nadoen. (Al lees ik in Knack van 7/9/1988, vijftien jaar geleden dus, dat Karel Van Miert na tien jaar politiek sleurwerk al te kampen had met het burn-outsyndroom.)

Er is ook heel wat te doen over de personeelswissels in de verschillende regeringen en parlementen. Journalisten hebben het wat smalend over een ongeëvenaarde stoelendans. (Een metafoor op haar kop eigenlijk, want in het desbetreffende spel hoort er bij elke ronde een stoel en dus een deelnemer te verdwijnen.) Ook duikt een ouder scheldwoord weer op: het geschuifel met ministeriële en andere stoelen is een uiting van particratie. Het 'changez'-signaal komt van de partijvoorzitters en van niemand anders, schijnt het. Maar die geluiden waren evengoed te horen tijdens de jaren tachtig. Vooral de aangekondigde hink-stapsprongen van sommige toppolitici wekten ergernis. Ook toen speelden overwegingen van behoorlijk openbaar bestuur geen rol. De drijfveer was louter van partijpolitieke aard. Een minister die op Wetenschapsbeleid zat, was in de herfst van 1988 van plan te verhuizen naar Binnenlandse Zaken zodra de huidige titularis van dat departement in zijn partij de voorzitterszetel zou beklimmen. Ook een geplande aflossing van de wacht aan het hoofd van de CVP en de SP zorgde voor geschuifel. Frank Swaelen, president van de Christelijke Volkspartij, wilde wel gaan, maar nog niet direct. Dus hield Theo Kelchtermans in de Senaat de voorzitterszetel zolang voor hem warm. In de SP zat voorzitter Karel Van Miert al op de rand van zijn stoel, maar Louis Tobback, zijn opvolger, bleef nog even minister van Binnenlandse Zaken.

Recenter, tussen 1994 en 1999, is een zo mogelijk nog grotere 'trading places' te zien geweest. Alleen was er een nog minder aantrekkelijke aanleiding. De posities van vice-premier, gewestminister en federaal minister hebben toen herhaaldelijk een nieuwe bemanning gekregen omdat de vice-premiers Frank Vandenbroucke, Guy Coëme, Johan Vande Lanotte, Louis Tobback en de ministers Jean-Louis Thys, Jean-Pierre Grafé, Leo Delcroix, Stefaan De Clerck, Karel Pinxten en Marcel Colla in een ware crisissfeer ontslag namen of moesten nemen. Ondertussen waren ook de voorzitters van de Vlaamse Raad en van het Waals Parlement noodgedwongen vervangen. Dat was pas plaatsje-ruilen.

Toch is er wellicht iets nieuws aan de hand. Over de Belgische politiek is lange tijd gezegd dat ze naaste familie is van de Italiaanse. In beide landen kwamen en gingen regeringen in een wel erg snel tempo. Dat was hier bij ons vooral zo tussen 1944 en 1961. De gemiddelde levensduur van een coalitie was toen een jaar en drie maanden. Maar tegelijkertijd waren de zittende ministers stoelvaster, stabieler dan de regeringen. De dertien kabinetten uit die periode telden slechts vier verschillende ministers van Buitenlandse Zaken, zes van Landbouw en zeven van Financiën. Dat is veranderd. Nu zingen regeringen het een hele legislatuur uit maar blijven de portefeuilles niet lang in dezelfde handen. In de Vlaamse regering is het departement Sociale Huisvesting in vier jaar tijd aan zijn vijfde titularis toe. En zo zijn er nog van die toestanden.

Het is vandaag bon ton om te zeggen dat het vertrouwen in de politiek nog nooit eerder zo zwak is geweest. Wantrouwen, zegt men dan, is een zuur dat de democratie geleidelijk aanvreet. De studies van Mark Elchardus hebben die mening gevoed. Alleen wankelt die analyse zodra je een wat ruimer tijdsperspectief aanneemt. Dan blijkt dat onverschilligheid en achterdocht eigenlijk een constante zijn. Zij waren er zelfs tijdens de wilde jaren zestig, toen de zucht naar inspraak en participatie schijnbaar voor een ongekende politieke mobilisatie zorgde. In 1964 heb ik zo'n 450 mannen en vrouwen uit Ukkel, Gent, Charleroi, Nijvel, Diest, Kortrijk-Dutsel en Opprebais gevraagd wat ze dachten over de politiek. De studie was een direct gevolg van een toen fel verspreide bezorgdheid over de politieke apathie van zovele burgers. (Het verslag is later verschenen onder de titel 'De niet-aanwezige staatsburger'.) Niet eens de helft van hen dacht dat politici over het algemeen bekwame mensen zijn. Even weinig mensen vonden dat er een politieke partij was die hun belangen verdedigde. In 1968 bleek uit een opiniepeiling, besteld door de RTBF en Le Soir, dat van de 1.900 geïnterviewde jongeren slechts één op de zeven politieke belangstelling vertoonde. Andere antwoorden waren: 'politiek is ridicuul' (18 procent), 'vervelend' (10 procent), 'deprimerend' (6 procent), 'irritant' (13 procent) of 'het laat me onverschillig' (32 procent). Mijn map met krantenknipsels vertelt me dat klagen over de geringe waardering voor de politiek sindsdien niet is stilgevallen. Vermoedelijk is het wantrouwen alleen beter in kaart gebracht, door sociologen scherper in cijfers gevangen en van commentaar voorzien.

Wat nieuw lijkt en in die termen beschreven wordt, is het vaak juist niet. Dat nogal wat journalisten gezien hun jonge leeftijd een kort geheugen hebben, verklaart veel. Maar niet alles. Ik heb de indruk dat directies en hoofdredacties van kranten en zenders 'nieuw' als kwalificatie van een politieke ontwikkeling niet ongenegen zijn. Nieuw is nieuws. Dat prikkelt lezers, luisteraars en kijkers. Verjonging van een redactie is daarom een aantrekkelijke strategie. Wie pas aantreedt, kijkt met een onbevangen, niet door historisch inzicht vertroebelde blik naar wat er in de politiek gebeurt. En ziet alles als nieuw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234