Woensdag 21/04/2021

Een knieval voor Bacchus

Pralines, waterzooi, Vlaamse frieten - ze zijn trendy in de Verenigde Staten. Maar de waardering voor de Belgische wonderbieren overtreft alles. Ze worden geassocieerd met begrippen als ambachtelijk en waardig. En volgens de Broeders van Burp Castle in New York is het drinken van Belgisch kloosterbier een religieuze ervaring: 'Deze bieren helpen iemand de nobele kanten in zichzelf te ontwikkelen.' Burp!

Rudie Kagie Foto Dana LixenbergAmerika in de ban van belgië

Stofdeeltjes dwarrelen neer op het gebloemde beddengoed. De zes buiken die onder het textiel opbollen, deinen mee op het ritme van een diepe slaap. Diverse verkreukelde pijen hangen achteloos gedrapeerd over een brits; het grofbruine weefsel is veel te wollig voor de tijd van het jaar. Een rolgordijn filtert de stralen van de zon, die op dit uur loodrecht boven het hart van New York brandt. Buiten snerpen zonder ophouden sirenes (er is in deze buurt altijd wel een politiewagen onderweg), maar de monniken die de vorige avond slecht van het bier konden afblijven, laten zich door nog geen tien kerkklokken uit hun stapelbedden beieren. Totdat Brother Jerry het welletjes vindt. Om kwart over twaalf 's middags rukt hij de deur van de kamer open om zijn confraters met een knetterende groet wakker te maken: "Vstavajte, lentaï!" Wat, naar hij even later in het aangrenzende dranklokaal trouwhartig uitlegt, betekent dat dit stelletje luie lapzwansen onderhand gerust uit de veren mag komen.

Een halfuur later verschijnt Brother Roman met een stofzuiger in de deuropening. IJverig gaat hij aan de slag. Brother Vasyl volgt met een emmer met sop en begint de vloer te schrobben. Brother Bohdan takelt via een mechaniek, dat onder een luik achter de bar schuilgaat, biervaten omhoog. De monniken moeten in ruil voor kost en inwoning hun handen laten wapperen. Ze komen allemaal uit de Oekraïne, waar het volk nog van aanpoten weet. De parate kennis van de Engelse taal is misschien wat beperkt, maar voor een brewist monk volstaat het om de namen te kennen van de zeshonderdvijftig verschillende, bijna uitsluitend Belgische, bieren die in het Burp Castle worden geschonken.

Een bord in gotische belettering aan de buitengevel verbiedt personen beneden de vijfentwintig jaar de toegang tot deze 'Holy Temple of Beer Worship'. Binnen wijzen vastgeschroefde wandplateaus erop dat 'hard praten' niet is toegestaan. 'Whispering only'. Het geluidssysteem produceert onafgebroken gregoriaanse gezangen. Uit een nis cirkelt wierook omhoog.

"Hoppa!" roept Brother Jerry, terwijl hij met professionele souplesse twee ambachtelijk gebrouwen Lucifer-biertjes van hun kroondoppen verlost. Een vorstelijke schuimkraag vult de bokalen. We brengen een toast uit op Bacchus en Brother Jerry klopt wat sigarenas van zijn habijt. Hij beklaagt zich over het massieve onbegrip dat zijn goede bedoelingen bij buitenstaanders oproepen. Echt, het is hem niet om bier begonnen. Bier is bijzaak. En als het geld het belangrijkste was, had hij er verstandiger aan gedaan om computerprogrammeur te blijven, het vak dat hij uitoefende toen hij nog Svyatoslav Kuziw heette.

Een 'bijna-doodervaring' na een auto-ongeluk in 1991 maakte abrupt een einde aan een 'heel oppervlakkig' leven; hij táálde domweg niet naar bier. In het ziekenhuis verliet zijn ziel het comateuze lichaam. Er keerde een andere persoonlijkheid voor terug, die bij nadere introspectie de incarnatie bleek te zijn van een monnik die aan het einde van de veertiende eeuw van de wereld werd weggerukt "omdat hij iets verkeerds had gedaan".

Vanaf het moment dat dit inzicht doorbrak, werd Brother Jerry door een onzichtbare hand geleid. Daarna ging het eigenlijk allemaal vanzelf.

In een impuls huurde hij het onderstuk van een gebouw aan East 7th Street, midden in een wijk waar veel immigranten uit de Oekraïne komen. Zijn ouders komen daar vandaan, maar Brother Jerry groeide vanaf zijn geboorte, tweeënveertig jaar geleden, tweetalig op in New York.

"Dit hier was een leegstaande boekwinkel", wijst hij om zich heen, "maar ik had geen idee wat ik met deze ruimte moest aanvangen. Daar zat ik over na te denken toen er ineens: knock, knock, een oude bekende op de deur bonkte. Hij vertelde me dat de Godham Building aan West 34th Street werd verbouwd. Er werden mahoniehouten panelen, antieke vloeren en monumentale ornamenten uitgesloopt. Als niemand er belangstelling voor had, zou alles in de container belanden. Dat zou doodzonde zijn; ik mocht het spul gratis komen ophalen. Dat heb ik gedaan en daar zat ik, eenzaam in een kale winkel die in een houtmagazijn was veranderd. Ik had nog steeds geen idee wat ik ermee moest beginnen. Ik wachtte af, vol vertrouwen dat me vanzelf iets te binnen zou schieten."

Behoedzaam veegt Brother Jerry met de rug van zijn hand een wit snorretje weg dat het kwaliteitsbier boven zijn mond achterliet.

"Terwijl ik eenzaam zat te mijmeren", gaat hij verder, "hoorde ik opnieuw: knock, knock. Ik zag een mij onbekende man die een bruine literfles onder de arm geklemd hield. Hij vertelde me dat hij voor een drankimporteur werkte, dit was hun nieuwe product. Bier uit België. Dat moest ik maar eens proeven; als het me beviel, kon ik het misschien gaan verkopen in de winkel waar ik een bestemming voor zocht. Die avond dronk ik mijn allereerste tripel uit het klooster van Chimay. Wérkelijk, het was alsof ik God zelf recht in de ogen keek."

Maar het licht zag Brother Jerry toen hij, zittend tussen antieke panelen en een half gevulde krat Duvel, uit zijn mijmeringen werd opgeschrikt. Knock, knock! En wéér stond er iemand voor zijn deur, een jonge kunstschilder dit keer, die werk zocht. Hij had ervaring in het maken van wandschilderingen.

"Alles was gestuurd door hogerhand. Ik zag geen weg terug; ik moest en zou hier een klooster beginnen. Ik had een pand, ik had contacten in de bierwereld en er was een kunstenaar die de muren voor mij ging schilderen. Hij zette mijn visioen om in een gigantische afbeelding van de brewist monks die hun goddelijke drank naar de Nieuwe Wereld brengen."

Brother Jerry bespeurt ook een hogere macht in de manier waarop de werving van het personeel verliep. Waar haalde hij zo gauw zes obers vandaan die bereid waren in abdijkleding rond te lopen? Alles viel samen. De val van het Sovjet-blok stelde aan het begin van de jaren negentig niet alleen de neven van Brother Jerry, maar ook diens achterneven en hun vrienden in staat hun Amerikaanse droom te verwezenlijken. In de Oekraïne waren ze al gewend zich met beperkt comfort te behelpen, dus de mannen vonden het niet erg om met z'n zessen een kamertje van twaalf vierkante meter te delen. De enige externe kracht was Brother Patrick, een broodmagere, aan lager wal geraakte acteur van Ierse origine, die op grond van zijn markante verschijning geknipt was om voorbijgangers naar binnen te praten. In maart van dit jaar overleed hij, vier-enzeventig jaar oud, aan een leverkwaal die mogelijk mede voortkwam uit een bovenmatige belangstelling voor uitheemse biersoorten. De nagedachtenis van Brother Patrick leeft voort doordat zijn portret staat afgebeeld op de souvenirs die de clientèle van het Burp Castle zich ter plekke kan aanschaffen: T-shirts, luciferdoosjes, balpennen, asbakken, bierviltjes, aanstekers.

"Hij zat altijd boordevol plannen en daar gaan we er binnenkort een paar van verwezenlijken", kondigt Brother Jerry aan. In de kelder komt een klein museum met prenten en voorwerpen die laten zien hoe monniken vroeger voor hun zonden werden gestraft. Maar meer dan een aardigheidje voor de liefhebbers is dat niet, voegt Brother Jerry er haastig aan toe. "Deze fantastische bieren stellen de mens in staat om één te worden met hun soul en hun spirit", vervolgt hij. "Bij ons hoeft niemand bang te zijn. Als een klant aarzelt om bijvoorbeeld eens een tripel van Affligem te proberen, houden we zijn hand vast. We begeleiden hem, er zal hem niets overkomen. Bij ons is hij veilig. Het drinken van Belgisch kloosterbier staat hier gelijk met het ondergaan van een religieuze ervaring. We zien het als een instrument, ook om mensen uit de buurt te houden van genotmiddelen die schadelijk zijn voor de gezondheid zoals crack, cocaïne en heroïne. Ik ben ervan overtuigd dat deze bieren iemand kunnen helpen de nobele kanten in zichzelf te ontwikkelen."

De concurrentie is moordend aan het worden. Aan Lafayette Street, op vijf minuten lopen van het Burp Castle, zit sinds begin dit jaar 'Belgo Nieuw York', een witgepleisterde pijpenla met tweehonderdvijftig stoelen. Het menu voorziet in Gentse waterzooi, mosselen en authentieke, dubbelgebakken Vlaamse frieten. Wijn wordt er niet geschonken, maar dat wordt gecompenseerd door een lijst met honderdzes-tig Belgische biersoorten. Het is er zó trendy, dat het bedienend personeel de bestellingen per portofoon aan de keuken doorgeeft. Maar ze dragen wél allemaal een monnikspij - ook het vrouwelijk personeel.

"Dat kan natuurlijk niet", vindt Brother Jerry. "Het is rampzalig wat daar gebeurt. Ze verlagen de waardigheid die Belgische bieren omringt tot een platte karikatuur. Ik ben één keer bij Belgo geweest en ik heb er geen spoor van diepere gedachten kunnen ontdekken. Die lui zijn niet spiritueel bezig. Volgens mij willen ze gewoon in korte tijd zoveel mogelijk geld verdienen."

De uitbater van Belgo blijkt een zevenendertigjarige ondernemer uit Quebec, die eerder in hoog tempo drie Belgo-restaurants in Engeland opende. (Niet één in België, trouwens). "Ik heb me laten inspireren door het idee van de Britse of Duitse bierhal", zegt eigenaar Dennis Blais. "Het bier dat we schenken heeft de prijs en de kwaliteit van een goede wijnsoort. Onze maaltijden behoren niet tot de haute cuisine, maar door de entourage krijgt het cachet." The New York Times had anderhalve pagina nodig voor een beschrijving van de Belgiumphilia die de Verenigde Staten in het algemeen en de stad New York in het bijzonder in de greep houdt. De met mierzoete vruchtensaus overgoten Luikse wafel verwierf sinds de New York World Fair in 1964 een plaats op de ontbijtkaart van Amerika. De kleine natie, waarover hier onmiddellijk als veelbetekenend detail wordt gemeld dat ze 'nauwelijks groter is dan New Jersey', deed in 1969 nog even van zich spreken via de komische speelfilm If It's Tuesday, This Must Be Belgium. Een breed publiek herkende zich in de lotgevallen van het groepje toeristen dat per bus door Europa scheurt en na vier dagen Kopenhagen, Venetië en Brussel met elkaar verwart.

Maar tegenwoordig worden pralines vereenzelvigd met goede smaak. Geen land ter wereld exporteert meer fijne bonbons naar de Verenigde Staten dan België. Vervolgens werd de Belgische keuken ontdekt. De buurt rond het zeventien jaar oude Café de Bruxelles aan Greenwich Avenue werd het afgelopen jaar door The New York Times benoemd tot 'Little Belgium'; Petite Abeille kwam erbij en daarna Waterloo Brasserie.

De puntzak met vettige Vlaamse frieten drong door tot het straatbeeld van de stad waar smakelijke exotica tot voor kort uitsluitend aansloegen als er low cholesterol op stond. Suzanne Levinson begon ze in 1997 te bakken en inmiddels telt haar firma Pommes Frites drie filialen. Skel Islamaj volgde met B. Frites en Sham Sul Miah breidde zijn Le Frite Kot aan West 4th Street onlangs uit met een bar waar louter Belgisch bier over de toonbank gaat.

De statistieken van het American Beer Institution bewijzen het: de export van Belgische bieren naar de Verenigde Staten was vorig jaar verdubbeld ten opzichte van 1996. Het gaat om zeshonderdduizend kratten of tweeënhalf miljoen liter. Maar het is nog altijd weinig in vergelijking met de bierimport uit Mexico (ruim vijfhonderd miljoen liter) of het door Heineken aangevoerde Nederland (435 miljoen liter). Niettemin voltrok zich hier een klein wonder. De Amerikaanse consument associeert bier met hete zomerdagen, als een alcoholische onderbreking uitsluitend wordt verwelkomd wanneer die ijs- en ijskoud is. Budweiser, Coors, Rolling Rock of Corona worden zelden in een glas geserveerd; rechtstreeks uit het flesje vinden de meeste mensen nu eenmaal veel lekkerder.

Het zou van een barbaarse inborst getuigen om de exquise tripel- en dubbelbieren uit de kloosters van Vlaanderen en Wallonië op die manier naar binnen te klokken. IJskoud valt evenmin aan te raden: de aanbevolen temperatuur schommelt tussen de twaalf en zestien graden.

Het was, kortom, a hell of a job om een gat in de Amerikaanse markt op te sporen. Pessimisten verzekerden dat er vergeefs naar een niche werd gezocht. Belukus Marketing in Texas, dat twaalf jaar geleden een béétje omzet draaide met de import van Orval, Lindemans en Chimay, voorzag grootse perspectieven voor Duvel, maar dan moest wél eerst het alcoholpercentage met de helft omlaag. Het bier was te zwaar voor de hete Amerikaanse zomers. Bovendien verschilt het toegestane maximum alcoholpercentage in het bier per staat. Het diepe zuiden en sommige staten in het westen verbieden bier waar meer dan vijf procent alcohol in zit. Florida doet daar niet moeilijk over, maar daar schrijft de wet weer voor dat bierflessen exact twaalf ounces inhoud moeten hebben - net iets meer dan de 33 centiliter (11,2 ounces) die in bijna elk bierflesje uit België past. En dan is er nog een probleem met Manneken Pis White Ale. In Pennsylvania en North Carolina mag het bier niet worden verkocht vanwege het etiket waarop het standbeeld van het urinerende jochie staat afgebeeld.

In de Verenigde Staten valt alles te verkopen, mits het op een slimme manier onder de aandacht wordt gebracht. Er hoort een verhaal bij dat tot de verbeelding spreekt. Nou, dat was het echtpaar Don Feinberg en Wendy Littefield wel toevertrouwd. Na hun afstuderen in de communicatiewetenschap aan de vooraanstaande universiteit van Yale, werkten ze drie jaar als reclame-adviseurs in Brussel. Ze hadden het er reusachtig naar hun zin en keerden in 1982 geheel betoverd door de charmes van het kleine land, terug naar de Verenigde Staten. Daar stelden ze zich tot doel om Belgische wonderbieren te propageren en nationwide tot een succes te maken. Dat bleek lastiger dan ze gedacht hadden; de tijd was er nog niet rijp voor. De import-exportfirma, die ze er naast hun andere werk bij deden, was meer een dure liefhebberij - met de prettige bijkomstigheid dat uitstapjes naar het geliefde België voortaan fiscaal aftrekbaar waren. In de Verenigde Staten was de belangstelling voor Duvel en Chimay even minimaal als die voor Lone Star-bier in Europa. Dat verkeer in beide richtingen werkte niet en het echtpaar staakte de export. Na langdurig geploeter in de marge begon de mini-onderneming ergens op te lijken. Belgisch bier raakte geleidelijk in de mode, maar pas anderhalf jaar geleden werd het uithoudingsvermogen beloond. Don Feinberg en Wendy Littefield konden hun banen opzeggen en zich fulltime aan hun passie wijden. Ze pakten het grondig aan. Hun onderneming noemden ze Vanberg & De Wulf, een verzonnen naam die bloedbanden met authentieke Vlaamse kwaliteit suggereert. (Dat mag; meneer Haägen-Dasz bestaat ook niet.)

De kopie van een zeventiende-eeuwse Vlaamse boerenhoeve die het echtpaar tussen de glooiende heuvels bij Cooperstown liet bouwen, ligt vijf uur met de auto boven New York. 'Sinds 1594', bluft een opschrift boven de koepelpoort die uitkomt op de binnenplaats. Achter een zijdeur blinken de glimmende ketels waar brouwerij Ommegang het gerstenat ambachtelijk tot gisting laat komen.

Een deel van het grote geld dat nodig was om dit moois uit de grond te stampen, komt van Belgische kapitaalverschaffers. Een joint venture van drie Belgische brouwers - waaronder Duvelgigant Moortgat uit Antwerpen - rook een unieke kans om definitief een positie op de Amerikaanse markt te verwerven. Met gemiddeld honderd bezoekers per dag groeide de brouwerij uit tot een toeristische attractie. Uit luidsprekers kabbelt rustgevende monnikenzang in de gregoriaanse traditie. We zijn er onderhand aan gewend geraakt. De gewijde minimal music uit de hoogtijdagen van het rijke roomse leven gaat in Amerika heel goed samen met het geurige boeket van een trappistenbier. Een mollige werkstudente gidst de dagjesmensen langs de bezienswaardigheden: antieke prenten, graanmonsters, kruidenrekjes en ingewikkelde fermenteerapparaten. De bijbehorende winkel verkoopt behalve bier ook boeken, T-shirts, honkbalpetjes, posters, vloerkleden, serviesgoed en onderzetters met de afbeelding van de stripheld Kuifje. In een plakkaat aan de muur verontschuldigt de directie van de brouwerij zich voor de wettelijke bepaling dat op dit adres uitsluitend bier mag worden verkocht als daar een excursie aan voorafgaat. "Desgewenst is een zeer korte rondleiding beschikbaar voor klanten met haast."

Die avond vertelt Wendy Littlefield onder het bladerdak van een perenboom achter haar huis wat brouwerij Ommegang allemaal doet om van Cooperstown een stad te maken die bekend staat als de nationale bakermat van Belgisch bier. Het Ommegang-festival, dat naar analogie van de gelijknamige processie in Brussel dit jaar voor het eerst gehouden werd, moet een terugkerende traditie worden. De Belgische ambassade stelde kostuums uit de zestiende eeuw voor de optocht beschikbaar. Senator Daniel Moynihan was er. Gouverneur George Pataki werd met een puntzak Vlaamse frieten gesignaleerd. De burgemeester sprak vanaf een zeepkist de menigte toe. Hoogtepunt van de dag was de herrijzenis van de Belgische koning Charles V, die voor de gelegenheid z'n goeie goed had aangetrokken. De vorst trok zijn zwaard en verzocht Don Feinberg en Wendy Littlefield voor hem neer te knielen. Met een symbolisch tikje op de rechterschouder verhief hij het tweetal tot Ridder in de Orde der Belgische Bieren.

Dat hadden ze na al die jaren best verdiend.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234