Zondag 29/01/2023

Een kleinegrote jongen

'Ik ben geen schrijver. Ik ben geen dichter. Ik rotzooi maar wat aan en heb daar nog plezier in ook.' Rick de Leeuw over het tempo van de taal, de zachtheid van zijn Vlaanderen, de tieten van Angélique, de vingers van Jan Hautekiet, het bed van Bruno Wyndaele en, ondanks dat laatste, de aangename zinloosheid van het bestaan.

De ex-zanger van de Nederlandse ex-rockband de Tröckener Kecks ("We zochten voor onze band een naam die niet Engels of Nederlands mocht klinken. We vonden maar niets, en toen keken we naar het pakje droge biscuitjes in onze hand, en jawel, daar lag het wonder...") kreeg in ons land een nog grotere bekendheid toen hij ophield met zingen en zijn talent voor poëzie niet langer in liedjesteksten goot, maar opspaarde voor de bank op donderdagavond. Eerst mocht hij in Bruno Wyndaeles De laatste show blijk geven van zijn voordrachtkunst, daarna liet Mark Uytterhoeven hem graag dichterlijk aan het woord. Als 'Slimste mens' heeft 'Rickie' het vorige week niet verder dan een enkele aflevering geschopt, maar daar is het de klauweloze leeuw ook niet echt om te doen. Hij lijkt zich vooral te willen amuseren.

"Welbeschouwd is het toch eenvoudig? We brengen allemaal ongeveer zestig jaar op de wereld door. Als je die periode voor jezelf en je omgeving op een plezierige manier beleeft, doe je het toch al redelijk goed?" De afgelopen en ook de komende weken houdt De Leeuws plezierige tijdverdrijf vooral in dat hij, samen met Jan Hautekiet, de culturele centra van het land afschuimt. "Erps-Kwerps, Maldegem, Rumst, Oost-Rozebeke: noem mij een dorp in Vlaanderen en de kans is groot dat ik weet waar het ligt, hoe de spaghetti er smaakt en in welke zaal er optredens gegeven worden. Ik ben op veel plaatsen geweest. Vroeger met de Kecks, en nu met Jan." Op het podium geven de heerschappen naar eigen zeggen het beste van zichzelf prijs. En, aldus Rickie: 'Dat beste komt in Vlaanderen, zo lijkt het, altijd vanzelf.'

"Ik had al een boon voor Vlaanderen in de tijd dat we er met de Tröckener Kecks optraden. Die liefde is niet van de ene dag op de andere ontstaan. Het heeft even geduurd, maar dat is niet erg, sommige zaken kunnen best eventjes duren. Op een dag drong het dan toch tot me door dat een Vlaming 'misschien' zegt als hij 'neen' bedoelt. Dat besef kwam bij mij heel zacht aan. Vanaf dat moment is alles helemaal veranderd. Want ik begreep niet alleen de Vlaming ineens veel beter, ik kreeg plots ook zomaar een scherper inzicht in mezelf. Ik houd niet van 'neen'. Neen is zo hard, zo botweg 'gedaan ermee', 'stop', 'einde oefening'. Nederlanders kunnen gemakkelijk 'neen' zeggen. En een 'misschien' drukken ze zonder meer door tot het 'ja' wordt. Ik ben een voorstander van 'misschien'. In dat aarzelende woord gaat warmte en fijngevoeligheid schuil, het geeft voorzichtigheid aan, maar ook een wil om ergens te geraken. Die roep kun je er wel in aflezen.

"En ja, vandaag voel ik me in Vlaanderen beter thuis dan ooit, en daar geniet ik van. Het maakt me blij. In Nederland verloopt de liefde moeizamer. Het wordt me er bijvoorbeeld niet in dank afgenomen dat ik de rock voor poëzie en proza heb geruild. Een zanger, een ex-zanger, die besluit om gedichten te gaan schrijven, dat vindt men hier in Nederland al snel aanstellerig. In Vlaanderen gaat dat er anders toe. Kijk naar Luc De Vos van Gorki: die kan in Vlaanderen op veel bijval rekenen. Hetzelfde geldt voor Tom Barman. Dat een muzikant zich aan cinema waagt, wordt hier op applaus onthaald en aangemoedigd. Daarom ook voel ik me bevoorrecht wanneer iemand als Jan Hautekiet me belt met de vraag: 'Stap je met me mee op het podium?'. Op zo'n moment moet ik de neiging onderdrukken om het uit te schreeuwen: 'Ja, natuurlijk, Jan, heel, maar dan ook echt héél graag.' Jan is een schitterende muzikant, je moet zijn vingers eens over die piano zien dansen. Bovendien is hij een geweldige mens om mee samen te werken. Hij stelt zich dienstbaar op aan het geheel. Ik weet eerlijk gezegd niet waarom iedereen me zo schijnt te mogen, of waarom jij mij de ideale, totaal onschadelijke knuffel-Nederlander noemt. De mensen met wie ik mag samenwerken streven precies hetzelfde na als ik: we willen op een plezierige manier mooie dingen maken. Dat is dienstbaarheid, ik vind er geen ander woord voor. Heel vaak gaat het er dan zelfs niet om wat je gaat doen, maar wel met wie je iets gaat doen. Vertrouwen is daarbij een vereiste. Ik vind het dan ook veel prettiger om er, met mensen die elkaar vertrouwen, met de ogen dicht en de voeten vooruit in te springen, in plaats van een afwachtende houding aan te nemen. Het is behoorlijk onnozel om iets niet te durven, zeker als je weet dat iedereen zijn capaciteiten heeft en dat al die capaciteiten, vaak nog voor je het weet, tot een prachtig geheel kunnen leiden.

"Misschien ben ik ergens nog een kleine jongen, ja. Maar kleine jongens kunnen ook heel groot zijn. Ik was elf toen ik mijn moeder verloor. Het was 29 december 1971, een dag als een ander. Ik speelde voetbal op het straatplein in Haarlem en rende, hongerig van al het spelen, blij gezind naar huis. Daar wachtten mij, in tegenstelling tot alle vorige dagen, geen versgesmeerde boterhammen, maar mensen die me vertelden dat mijn moeder plots overleden was. Op de koffietafel na haar crematie kwam de serveerster met broodjes rond. Broodjes belegd met ham, met rond die ham zo'n dikke, witte vetrand die ik er altijd minutieus afschraapte omdat ik die niet lustte. Die namiddag na de crematie heb ik wel drie broodjes met ham opgegeten, alledrie met vetrand en al. Ik was me er wel degelijk van bewust dat er vanaf die dag een duidelijke cesuur in mijn leven opgetreden was. Ik begon het nieuwe jaar als een grote jongen. En zoals iedereen weet, halen grote jongens de vetrand niet van hun ham. Intussen ben ik gelukkig wijzer geworden en laat ik wat ik niet lekker vind, dus ook die vetrand, gewoon weer liggen.

"Mijn oudste zoon is vorige maand elf geworden. Hij heeft dezelfde leeftijd als ik toen mijn moeder stierf. Dat vind ik wel raar, en de gedachte houdt me bezig, want in 's hemelsnaam, op je elfde ben je nog zo ontzettend jong, nog zo kwetsbaar, nog zo'n kind, ja. Mijn vader was advocaat, maar daarnaast dronk hij voornamelijk heel veel. Hij was niet in staat om voor mijn twee zussen en mij te zorgen. Na de dood van mijn moeder heeft hij me naar een katholieke kostschool gestuurd. Want: 'Er moest een vaste oplossing voor Rick gevonden worden'. Als ik tijdens het weekend naar huis ging, wist ik nooit op voorhand waar en bij wie ik terecht zou komen. Ik had een resem logeeradressen, maar nergens een vaste stek. Ik herinner me ook niet meer dat, en of mijn moeder veel van mij hield. Mijn zussen zeggen van wel. Ze zeggen me ook dat mijn moeder hen altijd vertelde dat ze, als ik later groot zou zijn, met mij uit zou gaan. Dat ze me zou meenemen naar het theater, het café, de schouwburg. Ik denk geregeld aan haar, en ik vind het jammer dat ze geen graf heeft. Als ze een vaste plek zou hebben, zou ik er denk ik af en toe naartoe gaan. Mijn vader is overleden toen ik zestien was, maar contact had ik toen al niet meer met hem. Ook hij heeft geen graf. Over mijn moeder, ze heette Dymphna, heb ik wel een paar gedichten geschreven.

op schoot

gisteren moest ik plotseling

en daar had ik in geen jaren aan gedacht

denken aan de twee kleine moedervlekken

in de hals van mijn moeder

ooit, toen ik nog bij haar op schoot zat

vertrouwde bakens in een

te snel veranderende wereld

nu ben ik misschien de enige wel

op deze wereld

die nog heel soms aan ze denkt

of aan haar bezorgde stem waarmee ze

'jantje jantje' zei tegen mijn vader

als hij op het punt stond van weer iets roekeloos

"En dan moet je weten dat mijn vader Gerard heette. Misschien klopt dat inderdaad. Misschien vertoef ik daarom zo graag in een warm en goedgezind gezelschap, omdat ik het vroeger niet gehad heb. Ik vind die vraag ook niet zo belangrijk. Het ligt toch gewoon voor de hand dat een mens alles overheeft voor een betere wereld? En dat hij probeert om zo min mogelijk eenzaam te zijn? Bij mij houdt dat in dat ik aardig ben voor de anderen, en dat ik daar moeite voor doe. In een kleine moeite zit hem vaak het grote verschil. Neem de optredens van 'Hautekiet en De Leeuw'. Na zo'n voorstelling komen er vaak mensen zeggen dat ze een mooie avond hebben beleefd. Of ze zeggen dat ze de voorstelling 'warm en hoopgevend' vonden. Dat doet me deugd: dat ik warm en hoopgevend ben. Net zoals het me deugd doet dat die mensen de moeite doen om ons dat te komen vertellen. Voor hetzelfde geld houden ze die gedachte voor zichzelf en keren ze zwijgzaam huiswaarts.

"Het leven overkomt me. Dat komt omdat ik eigenlijk geen verwachtingen koester. Ik verwacht van niemand iets. En ik moet zeggen dat ik ook enorm blij ben dat het leven volstrekt zinloos is. Dat vind ik aangenaam. Alles wat er extra is, is daardoor bij voorbaat leuk. Als ik in België ben, slaap ik bijvoorbeeld zelden in een hotel. Er is altijd iemand die me zijn of haar bed aanbiedt. Tegenwoordig verblijf ik dus inderdaad veel in Huize Hautekiet, maar er was een tijd dat ik vooral bij Bruno logeerde. Onvergetelijke avonden, en allemaal zomaar extra. Weet je, zelfs vader-zijn houdt niets anders in dan dat ik mijn zonen zoveel en zo hartelijk mogelijk laat zien welke wegen ze in dit leven allemaal zouden kunnen bewandelen. De keuze moeten ze uiteindelijk zelf maken. Met andere woorden: voor de invulling moeten ze zelf zorgen. Dat is vrijheid, en vrijheid is een groot goed, in alles wat ik doe.

Vervolg op pagina 52

Er was een tijd dat we met de Tröckener Kecks veel succes oogstten en voor allerlei tv-programma's en shows werden gevraagd. Er werd van ons verlangd dat we playbackten. We stonden aan de top van ons kunnen, maar in de televisiestudio moesten we vooral doen 'alsof'. Compleet geschift. Dat wat we graag deden, dat wat ons een kick bezorgde, werd ons afgenomen. Een vervelende kwestie, die maar één adequate oplossing kende: alle playbackopdrachten systematisch weigeren. Om dezelfde reden vond ik de zes jaren op die strenge Nederlandse katholieke kostschool ondraaglijk. Elk gevoel van vrijheid werd er verstikt. Mijn leven was niets anders dan een jarenlange wandeling van studiezaal naar eetzaal naar slaapzaal en opnieuw, van studiezaal naar eetzaal naar slaapzaal. Leerkrachten en paters oefenden macht op ons uit, terwijl ze geen enkel natuurlijk gezag meer hadden. Ze onderwierpen ons op een kunstmatige manier aan regels, maar ze waren niet in staat om, op basis van hun persoonlijkheid, enige autoriteit af te dwingen. En dit kan ik je wel vertellen: als het gevecht om macht in het spel zit, gaat alles mis. Het is een van de eerste plechtige beloftes die ik aan mijn zonen heb gedaan: dat ze nooit of nooit naar een kostschool moeten.

"Een tijd geleden heb ik, voor een documentaire film, die kostschool trouwens opnieuw bezocht. Er zijn geen kostschoolgangers meer, dat is alvast een goede zaak. Maar het eten dat er 's middags opgediend werd, smaakte even vies als vroeger. Ook de geur die er hing, was nog altijd die van 'de bloemkool van gisteren'. De koks van meer dan twintig jaar geleden stonden er nog in de keuken. Ik heb met hen gesproken, met Hans en Ko, en ik kwam tot de slotsom dat het eigenlijk zeer aardige kerels waren. Nu, maar ook vroeger. Want ze wisten blijkbaar dat wij, jongens, 's nachts regelmatig de keuken overvielen. Ze hebben ons nooit verraden. Sterker zelfs, ze lieten de sleutel van de koelkasten altijd bewust op dezelfde gemakkelijk toegankelijke plek liggen. Op die manier hielpen ze ons in onze strijd tegen het culinaire onrecht. Ze hadden medelijden met ons, bevonden zich tussen de twee in en konden niet expliciet partij kiezen. Dat is toch mooi? Die goedheid is ontroerend, vind je niet? Alleen jammer misschien dat we dat toen niet doorhadden. In de tijd dat ik op de kostschool zat, was de wereld opgesplitst in 'zij' en 'wij'. En 'zij', dat waren niet alleen de paters en de priesters, maar iedereen die bij dat katholieke establishment hoorde. Er zijn erge dingen gebeurd op die kostschool. Ikzelf was een grote, stoere jongen met een grote mond. Van mij bleven ze af. Maar de schrale typetjes met een brilletje, die hadden het daar niet gemakkelijk."

"Ik was graag een talentrijke voetballer geworden. Als kind was ik redelijk idolaat van Johan Cruijf. Die bewondering heb ik in fictie gegoten: hij staat in mijn eerste roman, De laatste held, beschreven. Wel honderd keer heb ik naar de documentaire nr. 14 Johan Cruijf gekeken. De mooiste scène vond en vind ik nog altijd die waarin de internationaal gevierde topvoetballer zijn geboortewijk, Amsterdam-Betondorp, bezoekt en naar het veld en het plein gaat waar hij vroeger gevoetbald heeft. Bij dat plein staat een man in zijn tuintje te schoffelen. Het was de man die vroeger, toen Cruijf een knaapje was, altijd de bal stukstak als die weer eens in zijn prieel was beland. Er wordt vanuit vogelperspectief op hem ingezoomd, waardoor die grote, boze kerel van vroeger plots heel klein wordt, zielig. Samen met dat beeld komt ook dat besef: dat niet hij maar Cruijf destijds gelijk had. Toen die documentaire over mijn kostschool gemaakt werd, zinderde in mij datzelfde gevoel.

"Ik moet zeggen dat ik het altijd knap vind als mensen erin slagen een nadeel in een voordeel om te buigen. Je vraagt naar het litteken op mijn rechterwang, de inkerving die bij mijn ooghoek vertrekt en tot aan mijn kin loopt. Wel, dat heb ik onrechtstreeks aan het voetballen overgehouden. Met de voetbalploeg moesten we in Londen voetballen. Ik moet een jaar of zestien geweest zijn. De avond voor de match trokken enkele maten en ik de stad in. Zonder het te weten belandden we in een wijk die door een straatbende werd gedomineerd. Ze hebben ons helemaal in elkaar geslagen. De voetbalwedstrijd is niet meer doorgegaan: in plaats van achter de bal aan te hollen mochten we naar het ziekenhuis. Mijn hele gezicht lag open, kaak bloot, neus kapot. Mijn wang werd van boven tot beneden met haakjes aan elkaar genaaid. Toch zag ik daar een voordeel in. In die tijd - midden jaren zeventig - liep er op vrijdagavond namelijk een Franse serie op de Nederlandse televisie, Angélique. Heel mannelijk Nederland keek ernaar, en zeker de jongens van strenge, katholieke kostscholen zoals de mijne. Angélique was zo'n prachtige, wulpse, blonde Française, je weet wel, zoals alleen maar prachtige, wulpse, blonde Françaises kunnen zijn. Golvend lang haar, enorme tieten en een lijf dat zo opwindend was dat de gedachte eraan alleen al meer dan voldoende was om een jongensgeest in vuur en vlam te zetten. De serie speelde zich af in de zeventiende eeuw, en dus hoorden er edellieden bij, en moedige zwaardgevechten. Kort en bondig kwam het hierop neer: aan het eind van elke aflevering moest Angélique, wonderlijk gespeeld door Michèle Mercier, gered worden. Die redder was Joffrey de Peyrac, een edelman die weliswaar mankte maar ook een gigantisch verticaal litteken op zijn wang had. Veel fantasie had ik niet nodig. Mijn litteken had me veel dichter dan ooit bij Angélique en haar borsten gebracht. Mocht De Peyrac niet komen opdagen, dan kon de Franse schone nog altijd op haar tweede redder, Rick de Leeuw, rekenen."

"Binnenkort gaat in Antwerpen weer de Boekenbeurs van start. Signeren vind ik fijn, dat heb ik vorig jaar met veel plezier gedaan. Mijn dichtbundel Planeet Jeugd, waarin de gedichten uit De laatste show gebundeld zijn, verkoopt goed. Nu is Comeback uit, mijn tweede roman, over een vergeten rocker die over een comeback droomt. Ikzelf droom niet van een comeback. In plaats van kunstmatig terug te willen grijpen naar een succes dat je ooit hebt beleefd, werp ik me veel liever in iets nieuws, zoals het schrijven. Natuurlijk was ik als zanger en liedjesteksten ook met tekst bezig, maar dat is iets anders.

"Als ik signeer, ga ik nooit aan een tafel zitten. Als de ene zit en de andere staat, is de verhouding van meet af aan verkeerd. Dus sta ik recht en loop ik wat rond. Op die manier creëer ik ook altijd een vluchtweg voor mezelf. Altijd handig als je weet dat je kunt ontsnappen. En dan bedoel ik niet echt ontsnappen aan de mensen, maar bijvoorbeeld wel aan hun zeer expliciete vraag om die of die opdracht op die en die manier te schrijven. Als je staat, kun je dat allemaal wat meer ontspannen aanpakken. Niet dat iedereen hoeft te vinden dat ontspanning en literatuur samengaan, hoor, maar ik heb soms moeite met schrijvers die vinden dat een vergezochte zwaarmoedigheid onverbrekelijk bij de kunst hoort. Zwaarmoedigheid omzetten in humor is ook een kunst. Ik begrijp heel goed dat sommige schrijvers boos en misschien ook wel jaloers toezien hoe mijn boeken verkopen. Ik kan me goed voorstellen dat dat niet prettig is. Maar ik vind niet dat ze mij die gang van zaken kwalijk mogen nemen. Ik verkoop niet alleen maar omdat ik een bekende tv-kop ben geworden. De opstap naar commercieel succes is dankzij de televisie een stuk gemakkelijker, maar hoe je het ook draait, daarna moet je het wel blijven waarmaken. Je moet bewijzen dat je het waard bent.

"Datzelfde principe gaat trouwens op voor de voorstellingen die ik met Jan doe. De mensen die komen, geven ons op voorhand veel krediet. Ze hebben speciaal voor ons een kaartje gekocht, ze willen ons beleven. Wel, het is dan aan ons om ons best te doen en voor een geslaagde avond te zorgen. Het is overigens onzin te denken dat kunst en handel elkaars gedoemde tegengestelden zijn. Hoe denk je dat Shakespeare zich gedroeg? Hij was ook een publieke figuur, en hij wist heel goed zijn handel aan de man te brengen. Tussen niet onbelangrijke haakjes: ik heb niet de pretentie om me dichter of schrijver te noemen. Ik klooi maar wat aan en ik vind het nog leuk ook. Het zou onzin zijn als ik me naast grote schrijvers als Thomas Rosenboom, Arnon Grunberg of Leonard Ilja Pfeijffer zou plaatsen. Heb je Pfeijffers jongste roman, Het grote baggerboek, gelezen? Fenomenaal! Ongelooflijk.

"Als ik schrijf, denk ik in de eerste plaats aan hoe het zal klinken als ik het voorlees. De geschreven woorden zijn het vervoermiddel waarop ik mijn voordracht plaats. Ik gebruik ze om datgene te doen wat ik graag doe: voorlezen. Ik schrijf ook al voorlezende. De gedichten uit Planeet Jeugd heb ik allemaal in de trein geschreven. Maar niet in stilte, ik haalde het liefst de conducteur erbij. Ik droeg aan de pendelaars voor. Waarom zou ik schromen om mensen op straat aan te spreken en hen te vragen wat ze van mijn gedicht of van mijn zojuist geschreven passage vinden? Ze kunnen altijd 'neen' zeggen, als ze willen, of 'misschien', zoals in Vlaanderen. Voor wie schrijf en spreek ik anders? Voor wie leef ik anders? Voor de mensen, toch?"

Voor de agenda van de voorstellingen van Hautekiet en De Leeuw kunt u surfen naar www.hautekietdeleeuw.be. In de boekhandel is de voorstelling op dvd verkrijgbaar.

De boeken van Rick de Leeuw zijn uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar.

'Op een dag drong het tot me door dat een Vlaming 'misschien' zegt als hij 'neen' bedoelt. Dat besef kwam bij mij heel zacht aan. Ik houd niet van 'neen'. Nederlanders kunnen gemakkelijk 'neen' zeggen. Ik ben een voorstander van 'misschien''

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234