Zaterdag 28/01/2023

'Een Kapitein Haddock op speed'

Het Ensor-jaar is uitgewoed; de laatste tentoonstellingen die de vijftigste verjaardag van het overlijden van de Oostendse kunstenaar herdachten, hebben de deuren gesloten. Behalve catalogi en kijkboeken vol schilderijen en tekeningen blijven ook Ensors geschriften over als tastbare sporen van het feest. De baron was immers ook een beetje een schrijver. In drie dikke boeken, goed voor meer dan 1.500 bladzijden, werden zijn toespraken, scheldkanonnades, kritieken en een karrenvracht brieven gebundeld. We spraken met Xavier Tricot, samensteller van Lettres, het vuistdikke en erudiete werk dat ons 'de Zwarte Madam', zoals Ensor door zijn stadsgenoten werd genoemd, als onvermoeibaar brievenschrijver leert kennen.

Er bestaat geen betere plek voor een rendez-vous met Tricot dan de brasserie van het Hôtel du Parc. Het café in art deco heeft iets van de charme van het oude Oostende bewaard. Terwijl de ober een café filtre brengt en de tramsporen van het plantsoen in de eerste lentezon een nieuwe bedding krijgen, trekt Tricot van leer tegen de afbraakwoede in de stad. Het is zaterdag 1 april; vanochtend werd het huis waar James Ensor van 1876 tot 1916 zijn atelier had gevestigd, tegen de vlakte gegooid.

Xavier Tricot: "Als aprilgrap kan dat tellen. Ik heb nog geprobeerd het gebouw te redden. Baron Dries Vanden Abeele van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen was wel begaan met het pand, maar het stadsbestuur wilde er absoluut geen geld of energie in steken. Oostende heeft al een Ensor-museum en dat kan wel volstaan, zeker? Vandaag lees ik in de krant dat een woning in Nieuw Amsterdam, waar Vincent van Gogh nauwelijks twee maanden van zijn leven heeft doorgebracht, gerestaureerd wordt. Op de zolder van het huis op de hoek van de Vlaanderenhelling en de Van Iseghemlaan heeft Ensor De intocht van Christus, De daken van Oostende en zijn andere meesterwerken geschilderd. Al in het interbellum werd er een gedenksteen in de gevel aangebracht en waren er plannen om het huis te beschermen. Toevallig werden vanmorgen de ontwerpen voor de restauratie van het casino van architect Léon Stijnen gepresenteerd, een noodzakelijke en verstandige ingreep die heel veel geld gaat kosten. Terwijl dat gebouw eindelijk opgeknapt wordt, gaat Ensors zolder eraan. C'est l'ironie du sort... of beter: een vorm van cynisme.

"Het hoekhuis was eigendom van een projectontwikkelaar. Ik heb aan Aimé Desimpel en een handvol firma's voorgesteld om de plek te bewaren en er een Ensor-centrum van te maken, niet vanwege de architecturale kwaliteiten van het gebouw maar meer als een lieu de mémoire. De ruimte van het atelier kon nog in haar oorspronkelijke staat hersteld worden. Eerder dan een kitscherige reconstructie met slechte reproducties van schilderijen had ik een lege plek voor ogen waar hedendaagse kunstenaars kleine interventies zouden kunnen realiseren, dichtbij het raam van waaruit de schilder naar de stad keek. Het heeft niet mogen zijn. De filosoof Walter Benjamin besluit zijn essay Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid met de spreuk 'Fiat ars - pereat mundus' (de kunst moet haar loop hebben, al vergaat de wereld erbij, een variant van het fiat iustitia - pereat mundus van keizer Ferdinand I, EM). Bij Benjamin heeft die uitspraak wel een aparte bijklank, want hij schrijft over het fascisme en het communisme. Toch denk ik vaak aan dat motto wanneer ik zie wat er hier gebeurt."

Was James Ensor al niet even bezorgd over de ontmanteling van zijn geliefde stad? In talloze boze brieven en giftige krantenstukken trok hij van leer tegen vandalen, speculanten, 'ingénieurs bourgmestrés' en nieuwlichters die de duinen, de dokken en de historische binnensteden door hun ambitieuze plannen naar de duivel hielpen. "Le grand cadre des bassins (de Oostendse dokken, waarvan het Mercatordok een laatste overblijfsel is, EM) forme un décor majestueux de ligne et de couleur, d'élégance et d'ampleur. Un outrage à la dune est irréparable, la dune est immuable et unique et quel charme d'exception elle offre à nos visiteurs. (1931). Ensor startte een petitie en verzamelde meer dan duizend handtekeningen.

Overal waar ijzingwekkend naakte gevelpartijen oprezen en derrières van gewapend beton hem het zicht beletten, vinden we de brutaal briesende baron terug. Te wapen! 'Canonniers de l'art, à vos pièces'. Was de nieuwe 'Swimming-Pool' die voor het Kursaal moest verrijzen geen 'Zwynen-Boel en ostendais', een plek voor parvenu's? Zelfs met de zolders, de schatkamers van onze kinderjaren, gingen de architecten van de nieuwe lichting aan de haal; ze braken de oude af en zetten er geen nieuwe voor in de plaats. Had de goedmenende Ensor geen uitgesproken conservatief en zelfs reactionair programma, of bloedde zijn melancholische kunstenaarshart bij het zien van zoveel razernij?

Tricot: "Ensor ijverde voor het behoud van de natuur en de bestaande architectuur toen hij al naam als schilder had gemaakt. Hij kreeg meer en meer belangstelling voor andere kunstvormen en met het ballet La Gamme d'Amour (1911), waarvoor hij het libretto, de muziek en de decors leverde, werkte hij zijn eigen kleine gesamtkunstwerk uit. Wanneer hij zich met de urbanisatie van Oostende begint te bemoeien, steekt er zeker een conservatief trekje de kop op: blijf er af, laat alsjeblieft staan wat oud en dus waardevol is. Moderne architectuur kon hem gestolen worden. Hij was een groene jongen avant la lettre die fulmineerde tegen de verkaveling van de duinen en het dempen van de dokken. Toch kregen we er met het nieuwe stadhuis, gebouwd op een van de gedempte bassins, een fraai werk van Victor Bourgeois bij; het interieur werd nadien wel grondig verknoeid, maar dat is een ander verhaal. Dankzij Ensor is twee derde van de dokken gered. De stadssnelweg die vandaag de autostrade verbindt met het plein voor het casino kon hij niet tegenhouden, maar deze ingreep heeft wel een mooi perspectief opgeleverd. Hij leverde een ambigue strijd."

In zijn voorwoord tot het brievenboek noemt Tricot Ensors worsteling met de taal 'une nécessité quotidienne' van dezelfde orde als het tekenen of schetsen. Kunnen we al zijn geschriften samen lezen als het dagboek dat hij nooit heeft bijgehouden, of was het medium in die tijd gewoon iets als een telefoongesprek? Tricot: "Ensor wilde contacten met kunstenaars en intellectuelen uit binnen- en buitenland onderhouden. Op die manier kon hij even uit zijn ivoren toren treden. Brieven waren in die tijd inderdaad een populair communicatiemiddel, maar Ensor wist ook wel dat zijn geschriften belangrijke 'bewijsstukken' waren; hij kopieerde zelfs zijn beste brieven.

"De stijl evolueert. In de jaren negentig schrijft hij laconiek, zonder fiorituren. Hoe ouder en beroemder de kunstenaar, hoe barokker zijn taalgebruik: neologismen, opsommingen en alliteraties tieren welig, de beeldspraak woekert. Als het hek van de dam is, staat er geen maat op de vrijwel onvertaalbare woordenvloed; als een vroege Kapitein Haddock op speed gaat hij af en toe scheldend uit de bol: 'Zwijnsvloed van poelekesknijpers. Pens in barensnood. Sabbelsausje van zwijmelaars. Slaaf van de goede smaak. Zuchtmachine. Kwalafval. Spraakgestoorde knevelaar. Veelkleurige arrivist. Sainte-Routine.'"

De dichter Franz Hellens stelde vast dat Ensor schreef zoals hij schilderde. Er bestaat een duidelijke analogie tussen de metaforen in zijn schilderkunst en die in zijn schriftuur. Hij schraapte de inkt gewoon van zijn schilderspalet. Weg met de belegen, logge woorden, de maren, de indiens en de wanten, de hulpwerkwoorden die toch maar in de weg lopen en de vervelende voltooid verleden tijd. Ensor schuimt, briest en koert. Taalt. Ejaculeert. Voor iemand die zich met valse bescheidenheid een "vieux peintre soi-disant malicieux" (een oude, zogenaamd spitse schilder) en een "écrivain aux heures perdues néologiste à la fortune du mot" (een zondagsschrijver die toevallig enkele nieuwe woorden heeft uitgebroed) noemde, kan dat tellen.

Hoe schizofreen was 'de paus van de duinen'? Wie zijn brieven, toespraken en artikels leest, ontkomt niet aan de gespletenheid van het personage. Ensor klinkt baldadig, gesloten, gekwetst en gekweld, afstandelijk, miskend, stuurs, zelfingenomen, aarzelend, timide, klagerig, charmant, vulgair, ingehouden en uitgelaten, woest en teder - en bij voorkeur alles tegelijk. Was hij een eenzame man die niet alleen kon zijn, een overgevoelige estheet die een gore grap niet versmaadde?

Tricot: "Klopt. De man in de ivoren toren was, vreemd genoeg, ook een vrolijke kerel. De eeuwwisseling vormt echter een scharniermoment in zijn leven. Zodra hij aanvaard en gewaardeerd wordt door een invloedrijke kliek van collega's, begint hij zich socialer te gedragen. Hij voelt zich stilaan op zijn gemak en kan ook zijn kwetsbare kantjes laten zien. Voordien was hij altijd op zijn qui-vive, argwanend en zelfs vijandig. Hij trok zich hautain terug, zette zijn stekels op.

"De jonge Ensor heeft enorm veel geleden onder het onbegrip van de kunstkritiek. Zijn vader waardeerde zijn werk, maar stierf jong. James leefde voortaan tussen een handvol vrouwen: moeder, zus, tante, grootmoeder, groottante; allemaal mensen die niets met zijn oeuvre te maken hadden. Je zou voor minder agressief worden. Die bitterheid zocht een uitweg in zijn schilderijen. Ensor keerde zich nooit af van zijn verleden, trok niet naar Brussel of Parijs. Na een korte episode aan de Brusselse academie slofte hij met hangende pootjes terug naar zijn atelier en bleef zijn hele leven in de buurt rondhangen.

"Toen hij uiteindelijk beroemd werd, was hij vastgeroest in Oostende, waar zijn gestalte tot het vertrouwde straatbeeld ging behoren. Gehuld in de eeuwige zwarte mantel, met zijn hoed en zijn grijze baard leek hij wel een monument dat over de zeedijk flaneerde; en dat was ook de bedoeling. De fotograaf Edouard Hannon schreef in een brief aan zijn zus over James de alchemist, die schrale pestkop die padden gaar kookt en de huid van pasgeborenen afstroopt, banvloeken in het rond slingert en een graag geziene gast is op de heksensabbat. De schilder zal het wel heerlijk gevonden hebben."

"Moi, je travaille et suis assez content de ma peinture", noteert hij opgelucht in 1907. Overmoedig ondertekent de oude baas in 1939 een brief met 'James Ensor, peintre heureux devant la mer'. Het lijkt wel alsof, samen met de roem, ook de tevredenheid en de verveling toeslaan, terwijl de inspiratie de wijk neemt. Had hij weerstand nodig om zijn tanden in de materie te zetten, eens te laten zien wat hij allemaal kon?

Tricot: "Ik denk het wel. Na 1900 heeft Ensor echt nog wel interessant werk afgeleverd, maar alles zou voortaan anders zijn: de schilderijen ogen soms zeemzoet, naïef en charmant, maar ze missen de kracht van het subversieve die ze vroeger wel hadden. De belgitude die we ook bij Magritte of Broodthaers vinden, is dan naar de achtergrond verdwenen."

De schilder was zich heel goed bewust van de waarde van biografische weetjes over kunstenaars. In zijn brieven vertelde hij graag en gretig over zijn kinderjaren, over zijn ouders, over zijn geliefde auteurs en invloeden, over zijn dubbelzinnige relatie met de kunstenaars van Les XX en La Libre Esthétique, over de kleine kwaaltjes van de ouderdom. Onbeschaamd spoorde hij schrijvers en bewonderaars aan om zijn levensverhaal te schrijven. Af en toe voerde hij zichzelf op in de derde persoon enkelvoud, als een personage over wie heel wat interessants te melden valt ("C'est dans la nature morte que l'artiste se montre parfait coloriste"). Hij stuurde zijn biografen bij, corrigeerde hun foutjes. Het lijkt wel alsof de eeuwigheid over zijn schouder meekijkt.

Tricot: "In brieven aan kunstcritici als André De Ridder of Jules Du Jardin beschrijft hij zijn jeugd, vertelt hij waar en hoe hij zijn schilderijen heeft gemaakt. Zelfs een plannetje van zijn atelier wordt meegestuurd. Later cultiveerde hij zorgvuldig zijn eigen mythe. Het is onbegrijpelijk dat al de brieven die hij ooit ontving en waar hij terecht trots op was - brieven van Kandinsky, De Vlaminck, Maeterlinck of Verhaeren - verloren zijn gegaan. Zijn ze ooit bij het oud papier terechtgekomen? Niemand weet het. Ensor bevond zich op het artistieke kruispunt van zijn tijd. De jonge kunstenaar moet echt wel een artiste maudit geweest zijn, wiens werk alleen bij enkele ingewijden aansloeg, niet bij de rijke verzamelaars en al helemaal niet bij de burgerij. Dat was het drama van het negentiende-eeuwse kunstbedrijf: er waren nauwelijks interessante kunstenaars die konden werken in opdracht van de bourgeoisie.

"Toch was hij nog geen veertig jaar oud toen hij mocht tentoonstellen op een prestigieuze Salon in Parijs. In 1898 schreef al wie een naam had een essay over Ensor en zijn werk in een speciaal nummer van La Plume: Maeterlinck, Verhaeren, Lemonnier... de halve Belgische intelligentsia en een groot deel van de Franse. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen kunstenaars van Die Brücke als Heckel en Nolde, die aan het front gelegerd waren, op bezoek in zijn atelier. Later ontmoette hij Kandinsky en Albert Einstein. Ik heb er ooit van gedroomd om een imaginaire dialoog tussen Ensor en Einstein te schrijven en te laten opvoeren."

Tal van grote namen bevolken het brievenboek: Jules Destrée, Octave Maus, Edgar en Edmond Picard, Henri Van Cutsem, kunstenaars als Spilliaert, Rassenfosse en Toorop. De correspondentie met Emma Lambotte, dichteres, mecenas en notoire aanbidster van de schilder werd zelfs in een afzonderlijk boek verzameld. Xavier Tricot denkt ook nog aan een eigen, wetenschappelijke uitgave van Mes Ecrits, de verzameling toespraken en essays van Ensor waarvan momenteel slechts een vrij amateuristisch samengestelde editie bestaat. Er is nog veel werk, maar we mogen gerust zijn. De schaduw van de Zwarte Madam zweeft over de jongeman die van zijn café filtre nipt, over de gelagzaal van het Hôtel du Parc en over de "Tentaculaire stad! Het overaardse. Geheim en wezen samen. Waarom kunnen wij niet aan de roep van deze stad weerstaan? Waarom willen wij niet? (...) Waarom schouwen in dit berouw uw maskers dieper dan het diepe masker van de dood? (Paul van Ostaijen, James Ensor).

James Ensor, Lettres (samengesteld, geannoteerd en ingeleid door Xavier Tricot), Uitgeverij Labor, Brussel, 848 p. James Ensor, Mes Ecrits ou les suffisances matamoresques (samengesteld en ingeleid door Hugo Martin, Uitgeverij Labor, Brussel, 344 p. James Ensor, Lettres à Emma Lambotte 1904-1914 (samengesteld, geannoteerd en ingeleid door Danielle Derrey-Capon), Uitgeverij La Renaissance du Livre, Tournai, 380 p., 995 frank.

'Terwijl het casino van architect Léon Stijnen eindelijk opgeknapt wordt, gaat Ensors zolder eraan'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234