Dinsdag 30/11/2021

‘Een kaart is net als een verhaal’

Volwassenheid is geen zaak van leeftijd, maar wel van attitude”, aldus Reif Larsen, de auteur van De verzamelde werken van T.S. Spivet. “Kinderen kijken naar de wereld en zijn nieuwsgierig. Waarom is de stoel zacht en de tafel hard, vragen ze zich oprecht af. Volwassenen kijken niet meer. Voor hen is alles vanzelfsprekend geworden. Natuurlijk is een tafel hard, wat zou ze anders moeten zijn? Mijn vader doceerde kunst aan Harvard. Zijn job, zo zei hij altijd, was zijn studenten van een klif leren springen en risico’s nemen. Het moesten weer kinderen worden die de veilige paden verlieten en hun grenzen opzochten. Tijdens het schrijven van mijn boek heb ik daar vaak aan gedacht. Misschien ben ik nog steeds niet volwassen, maar wel een kind van eind de twintig.” Larsens debuutroman zindert inderdaad van het kinderlijk enthousiasme. De twaalfjarige T.S., wat staat voor Tecumseh, naar de grote Shawneekrijger en Spreeuw omdat zo’n vogel zich tegen het keukenraam doodvloog toen hij ter wereld kwam, woont op de ouderlijke ranch in Montana. Zijn vader waant zich een stoere cowboy die hele dagen op het land werkt, af en toe de huiskamer binnenkomt om een enigmatische uitspraak te doen in de zin van “Je krijgt een krekel niet op de kast”, alvorens weer tussen zijn koeien te gaan zitten. Moeder is een afwezige entomologe die al haar hele leven op zoek is naar de onvindbare tijgermonnikskever. En dan is er Gracie, zijn oudere zus, die het gezin rechthoudt en vreest achter te zullen blijven als een ouwe vrijster. Tot voor kort was er ook nog zijn twee jaar jongere broertje Layton, maar die kwam om tijdens een experiment met een geweer. Om met dit alles om te kunnen heeft T.S. zo zijn eigen manier bedacht, hij maakt er kaarten van. Niet alleen van zijn omgeving, maar ook van Gracie die maïskolven pelt, van de manier waarop bepaalde gevoelens een bijpassende gelaatsuitdrukking opleveren, van het drinkpatroon van zijn vader en zelfs van de dertig meter lange telefoonkabel die door het huis kronkelt. Maar het liefst van al tekent hij dieren. Heel precies gaat hij daarbij te werk en soms is hij wel maandenlang bezig aan een enkele set, die hij dan opstuurt naar Science of Nature. Op een ochtend krijgt T.S. een telefoontje van het beroemde Smithsonian Institute met de melding dat hij de jaarlijkse Bairdprijs gewonnen heeft voor de beste wetenschappelijke illustratie en dat hij die onderscheiding een dag of vier later in Washington in ontvangst mag nemen. De jongen twijfelt, maar na een dagje grachten baggeren met zijn vader staat zijn besluit vast. Zonder zijn ouders of zus iets te zeggen zal hij naar Washington reizen en daar iedereen versteld doen staan. De verzamelde werken is het verslag van zijn reis, in een campingcar die op een goederenwagon staat, rijkelijk geïllustreerd met ingenieuze kaarten uit de honderden notitieboekjes van T.S.Wanneer je Larsens boek leest merk je dat dit over meer gaat dan over een jongetje dat met de trein rijdt. Daarvoor zitten er te veel verwijzingen naar de Amerikaanse populaire cultuur in. Niet toevallig woont T.S. in Montana en maakt hij van daaruit de trek naar het oosten. In Montana is immers de cowboy zowat uitgevonden, en als er nu één figuur typisch is voor het Wilde Westen zal hij het wel zijn. “De cowboy is inderdaad het Amerikaanse cliché bij uitstek”, lacht Larsen, “en dan meer bepaald een heel specifiek type cowboy. Ook vandaag bestaat hij nog, maar wanneer wij aan cowboys denken zien we mannen op een paard met een stetson op en een lederen broek aan. Het zijn de cowboys die het vee uit Texas hoedden en het naar Kansas dreven. Daar lagen de grote koeiensteden, waar de dieren op treinen gezet werden om ze naar het oosten te vervoeren. Dat zien we in alle grote westerns, maar bestond in feite slechts van 1850 tot 1875. Toen werd de schrikdraad uitgevonden en raakten de Amerikanen geobsedeerd door privébezit. Vanaf dat moment trokken de cowboys er niet meer op uit, maar woonden ze op een ranch. Overal ter wereld is de cowboy een geliefd personage, ook in Europa, waar mensen binnen duidelijke grenzen leven, wat helemaal niet gold voor die cowboys zelf. Misschien is net daardoor wel hun succes te verklaren trouwens. De grenzeloosheid van de cowboys spreekt in die landen tot de verbeelding. Neem nu de film The Hunt for Red October, die over een Russische atoomonderzeeër gaat waarvan de bemanning overloopt naar het Westen. Sean Connery speelt de kapitein en hij zegt tegen Sam Neil, de tweede in rang, in zijn sappig Schots, alsof dat doodnormaal is voor een Russisch officier: ‘Zo, wat denk je te gaan doen wanneer je in de VS bent?’, waarop Neil antwoordt, dit keer wel in een soort Amerikaans Russisch: ‘O, ik wil naar Montana trekken om er konijnen te kweken, samen met een goede Amerikaanse vrouw.’ Montana was dus zelfs voor deze Rus een soort droomland. Op het einde van de film komt Neil daar trouwens op terug, wanneer hij neergeschoten wordt, ligt te sterven in de armen van Connery en de beroemde laatste woorden uitspreekt: ‘God, wat had ik graag Montana gezien.’ Het Westen sleept dus een karrenvracht connotaties met zich mee en ik was er me van bewust dat ik door mijn boek in dat Westen te plaatsen daarmee zou moeten afrekenen. Maar daar maalde ik niet om, want cowboys fascineren me. Ik heb meegewerkt aan een documentaire over Texaanse cowboys. We gingen met die mensen spreken om te weten te komen wat ze ervan dachten dat zij in feite gebruikt werden door Bush als zijn achtergrondkoortjeszal niet gaan partner, ik ben bezig.’”

Is dat ook de reden waarom T.S. naar Washington reist in een vrachttrein? Het Wilde Westen is toch veroverd via het spoor?

“Een van de grootste gebeurtenissen uit de Amerikaanse geschiedenis is de verbinding van de twee kusten via het spoor, niet lang na de burgeroorlog, in 1869. Het beeld van het ijzeren paard dat door de eindeloze vlakten stoomt hoort er inderdaad bij, net zoals dat van de landloper die gratis meerijdt in goederenwagons en nergens heen reist. Ik heb in mijn boek nog meer Amerikaanse clichépersonages gebruikt, maar ik heb ze iedere keer wel een draaitje gegeven, zoals de indiaanse landloper die weg is van de reactionaire haatspeeches van Rush Limbaugh, of de predikant die zo gek als een achterdeur blijkt en in feite een moordenaar is. Dat zijn versies van heel bekende Amerikaanse personages, die ik gebruikte om van mijn boek een soort Huckleberry Finnachtige ontwikkelingsroman te maken.”

Een van de thema’s in uw roman is de tegenstelling tussen stad en platteland. T.S. is nog nooit in een stad geweest en hij vindt de inwoners van Chicago en Washington heel eenzaam en hypocriet.

“Zelf hou ik enorm van de natuur. Ik woon nu in Brooklyn, wat heel aangenaam is aangezien er altijd wel iets te doen is op het culturele vlak, maar ooit hoop ik terug naar de wilde natuur te kunnen gaan. Ik wil bergen zien wanneer ik uit het raam kijk, en die zijn er natuurlijk niet in New York. Pas wanneer ik buiten ben, tussen die bergen, voel ik me een volledig mens. Het is moeilijk te omschrijven wat die emotionele band met de natuur precies zo sterk maakt. Ik schrijf trouwens ook veel makkelijker wanneer ik in de natuur zit. Er is te veel afleiding in de stad. Mensen hebben nogal eens een romantisch idee over schrijvers, dat ze aan hun tafel gaan zitten en dat het er vanzelf allemaal uitrolt, maar zo gaat dat niet. Meestal is het gewoon verdomd hard zwoegen, net als in iedere andere job.“

In feite is uw boek ook een essay over cartografie, en over de manier waarop je als kaartenmaker altijd mislukt. Je kunt immers nooit de wereld weergeven zoals hij werkelijk is.

“En dat geldt voor alle kunst. Ook een foto of een roman is altijd gedoemd te mislukken. Maar misschien is het wel een interessante en leerrijke mislukking. Degene die de roman leest of de foto of de kaart bekijkt, moet dus ook iets doen. Hij moet invullen hetgeen ontbreekt. De reden waarom kaarten zo goed zijn, is hun selectiviteit. Ze vertellen nooit alles. In die zin is een kaart net als een verhaal. Ook dat komt pas tot leven wanneer het gelezen wordt. De kaarten die T.S. tekent zijn dus meer dan alleen maar landkaarten. Hij rekt het begrip op tot iets sensibels. Wanneer je naar een kaart kijkt kom je immers ook veel te weten over de kaartenmaker. Sommige kaarten staan op een servetje, andere op de muur, en ze zeggen iets over de cultuur waarin ze gemaakt zijn. Kaarten zijn dus bijzonder machtige dingen. Als kind kon ik urenlang naar een kaart van een verre, exotische plek zitten kijken. Ik begon dan te fantaseren en verhalen te verzinnen bij die kaart, omdat ze precies genoeg informatie gaf. Er stond een schaal op, namen van plaatsen en rivieren, hoogteverschillen ook, en ik kon me dan voorstellen wie er door dat land trok en de bergen beklom. Het leek wel alsof de kaart me smeekte om verteld te worden. Helemaal interessant zijn natuurlijk de witte vlekken op een kaart, waarvan je niet weet wat er achter zit, welke begroeiing je er aantreft en of er ook mensen leven. Maar ook andere vragen borrelen bij me op wanneer ik naar een kaart kijk. Wat is het verband tussen die kaart en de werkelijkheid, bijvoorbeeld. T.S. wordt pas echt filosofisch wanneer hij beweert dat we geboren worden met een kaart van het complete universum in ons hoofd. Dat is een boeddhistisch idee, dat we van nature complete wezens zijn en dat we het grootste deel van ons bestaan moeten zoeken hoe we die compleetheid van weleer opnieuw kunnen bereiken.”

T.S. tekent kaarten om zekerheid te krijgen over de wereld, zo blijkt. Het is zijn manier om het bedreigende en onbekende op een afstand te houden.

“Ja, maar daar zit een dubbel gevoel achter. Enerzijds kun je jezelf wel geruststellen door een kaart van je wereld te tekenen en te zeggen dat daarmee de kous af is, maar anderzijds weet je ook dat er altijd zaken onvermeld blijven. De chaos en de pijn en het verlangen krijg je niet getekend. En zulke zaken lees je ook af van een kaart. Je ziet dat ze niet af is, en daar putten we troost uit. Niets is perfect, een kaart net zo min als het leven zelf. Je zult nooit precies weten hoe smerig de wereld werkelijk is, maar je weet wel dat hij het is.”

En toch zijn er figuren die ervan dromen om de perfecte kaart te tekenen en daarop alles te vermelden wat we weten.

“Alexander Von Humboldt was wat dat betreft een heel belangrijke figuur. Hij reisde naar Zuid-Amerika en probeerde het continent helemaal te beschrijven in een kolossale reeks boeken. Hij was heel invloedrijk in de VS. Op het moment dat in Europa de evolutietheorie werd uitgedacht, hielden de Amerikaanse wetenschappers zich bezig met het verzamelen en meten van de wereld. Ze keken tegen het enorm grote Westen aan, wisten niet wat ze zagen en probeerden op ieder onbekend object de juiste naam te plakken. Het waren in feite romantici die dachten dat wanneer ze alles konden benoemen en opmeten ze ook alles zouden weten. Maar zo werkt dat natuurlijk niet. Het is zoiets als de vrouw die denkt dat haar man haar niet zal verlaten als ze haar huis maar netjes houdt.”

Is uw schrijven ook een manier om het onbekende op een afstand te houden en orde te scheppen in de chaos?

“Ik denk dat ik eerder schrijf om op het onbekende te wijzen. Er is immers iets magisch wat je als schrijver nooit echt kunt vatten en waar je dus altijd omheen moet blijven cirkelen. Je schrijft er omheen en laat de lezer de kern zelf invullen. Dat is waarom we lezen en verhalen vertellen. Schrijven is gebaren maken in het donker, en dat donker zal er altijd zijn. Misschien worden we uiteindelijk wel een beetje wijzer, maar we zitten nog steeds in de duisternis.”

U vermeldde de evolutietheorie al en u laat T.S. een prijs krijgen voor de kaarten die hij gemaakt heeft voor een tentoonstelling die gewijd is aan de strijd tussen evolutietheorie en intelligent design. U lijkt bezorgd te zijn dat de wetenschap het onderspit zal moeten delven tegen het geloof.

“Amerikanen zijn rare mensen, weet je. Zij geloven in een heleboel gekke zaken, maar tegelijk moet je toegeven dat het verhaal van intelligent design heel verleidelijk is. Het geeft antwoorden. Weten dat de wereld gecompliceerd in elkaar steekt omdat hij zo gemaakt is door een groot en oppermachtig wezen, schenkt immers troost en vertrouwen. Het is zoals geloven in buitenaardse wezens. Als kind geloof je daar graag in omdat het heel wat vraagtekens wegneemt, maar tegelijk weet je ook dat je vader gewoon je vader is en geen replica daar neergezet door een stel aliens. Ik vind intelligent design fascinerend omdat het zo’n succesvol en verleidelijk verhaal is. Au fond zijn we immers allemaal verhalenvertellers. Op die manier geven we betekenis aan de wereld. In onze snelle en oppervlakkige samenleving wordt er jammer genoeg het grootste geloof gehecht aan de luidste en eenvoudigste verhalen. Wanneer je voor de dag komt met een gecompliceerd verhaal over de manier waarop de evolutie werkelijk plaatsvindt en je moet toegeven dat je niet alles precies kunt verklaren maak je dus geen kans tegen het snip-snap-oplossingen-voor-alles-verhaal van intelligent design. Persoonlijk denk ik trouwens dat geloof en evolutietheorie elkaar niet hoeven uit te sluiten. De evolutietheorie kan immers niet verklaren waarom er leven is, of waarom er überhaupt iets is, waardoor er best plaats is voor religie. Alleen wanneer de evolutie zelf ontkend wordt, men ieder fossiel bewijs van de hand doet als irrelevant en beweert dat de aarde 6.000 jaar geleden geschapen is, wordt het gevaarlijk. Dan hebben we immers niet meer met geloof te maken, maar met krankzinnigheid.”

De wetenschap moet dus gewoon een beter verhaal vertellen?

“In feite wel. Net zoals de moeder van T.S. zijn de meeste wetenschappers zo gespecialiseerd geraakt dat ze geen overzicht meer hebben en gewoon verwarde mannen met een baard en een witte laboratoriumjas lijken. Zij overtuigen niet. De wetenschap moet dus dringend aan haar pr beginnen werken. Wetenschap moet weer cool worden. Waarom heeft intelligent design zo’n succes? Omdat de mensen erachter veel tijd en moeite steken in de presentatie van hun ideeën. Ze hebben filmpjes, displays, pamfletten en bijzonder gladde jongens en meisjes die er de boer mee opgaan. Zet daar een wereldvreemde wetenschapper tegenover die geen vijf woorden kan zeggen zonder dat er twee in het Latijn zijn en je ziet meteen wie er het meeste succes zal hebben. Als er zich door mijn boek een aantal mensen gaan verdiepen in de evolutietheorie vind ik dat ik geslaagd ben in mijn opzet. Uiteindelijk draait wetenschap immers om nieuwsgierigheid, ontdekking en de wereld bekijken op een nieuwe manier, net als kunst. Voor mij zijn kunst en wetenschap dan ook niet zo verschillend. Ze zitten op parallelle sporen. Kijk, je kunt best een roman schrijven over de moeilijkheden in onze multiculturele samenleving, maar ook dat is wetenschap, want ras is pigment en pigment is alleen maar iets oppervlakkigs. Het is de wetenschap die ons leert hoe dit pigment werkt, waarom er verschillende huidskleuren voorkomen en dat we uiteindelijk toch allemaal exemplaren van dezelfde soort zijn.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234