Zondag 25/10/2020

Een journalist zonder engagement is een triestige vent

Nee, alles heeft hij niet opgeschreven, want dan zou hij mensen hebben moeten kwetsen, te intieme en schrijnende details hebben moeten prijsgeven, en zoiets doet Hugo De Ridder niet, omdat zijn aangeboren hoofsheid hem dat verbiedt. Maar het is wel een lezenswaardig boek geworden, ontluisterend eerlijk zelfs, omdat hij voor het eerst beschrijft - en tegelijk verdedigt - hoe diep de osmose tussen journalist en politicus destijds wel was. Hoe hij deel uitmaakte van zijn hoogstpersoonlijke Poupehan, een clubje rond Leo Tindemans, een decennialang draaiend netwerkje waarin De Ridder campagnemaker, speechwriter, adviseur en vooral vriend was. Het kon niet anders, vindt hij, en eigenlijk is hij er best trots op.

Yves Desmet, Foto Filip Claus

Iedere journalist is ijdel, het is het enige middel om de schroom te overwinnen en de pretentie op te brengen je naam in druk te zien staan. Maar Hugo De Ridder is met meer dan ruime voorsprong de ijdelste van ons allen. Een van de voetnoten achter aan zijn nieuwste boek Geen blad voor de mond beslaat liefst - voor een voetnoot! - zeven pagina's. Het is de integrale promotietekst van de uitgeverij Lannoo over hun succesauteur Hugo De Ridder, een stukje proza dat stijf staat van de lof en de wierook. "Ach, in de inleiding schrijf ik al dat ik de naam heb een ongelooflijke egotist te zijn", zegt hij, "dan kan ik er maar beter meteen aan toegeven."

Op debatavonden heeft ondergetekende een favoriete oneliner, telkens als iemand uit het publiek sputtert dat "de journalistiek vroeger toch veel beter was". Ik haal dan telkens het voorbeeld aan "van een journalist wiens naam ik niet zal noemen, die eerst een speech schreef voor een kandidaat-partijvoorzitter, zich vervolgens naar de congreszaal begaf waar die kandidaat zijn speech voorlas, om dan naar de krant terug te keren en te noteren dat de kandidaat een historische speech had uitgesproken". Die journalist was Hugo De Ridder, de kandidaat Leo Tindemans. In zijn boek zet De Ridder de puntjes op de i. Hij had wel een speech voorbereid, was ook samen met Tindemans naar Brussel gereden, maar een improviserende Tindemans heeft in het vuur van zijn betoog in de Magdalenazaal De Ridders tekst niet gebruikt, op uitzondering van de beruchte laatste zin: "Als het uw wens is dat ik onze partij zou leiden doorheen de moeilijke periode die zich aankondigt, ben ik daartoe bereid." Een zin die hem, tot groot ongenoegen van andere partijtenoren, onder wie Jean-Luc Dehaene, het partijvoorzitterschap opleverde. Maar naast die nuancering geeft De Ridder het onbeschroomd toe: "Ik ga hier wat dieper in op de lotgevallen van vijf vrienden die in de jaren zestig kingmakers waren binnen de Antwerpse CVP, maar die ook een toonaangevende rol konden spelen en vele beslissingen beïnvloeden in de nationale politiek tijdens de periode 1968-'85. De kern bestond en bestaat nog steeds uit: Leo Tindemans, Frank Swaelen, Petrus Thys, Jan Huyghebaert en mezelf. We kwamen bijeen ten huize van Leo Tindemans, in de flat van Jan Huyghebaert, in mijn buitenverblijf in Halle, of aan zee in Oostduinkerke en later Nieuwpoort." (pagina 189)

Zijn hoogstpersoonlijke Poupehan. Een dikke twintig jaar met de regelmaat van de klok inside-informatie, debatten, strategieën uitstippelen, campagnes bedenken, aan politieke agendasetting doen. Ooit schreef hij dat een journalist zonder engagement een triestige vent was, een stelling die ik moeiteloos kon onderschrijven, maar is dit niet van het goede een beetje te veel?

"Nee", zegt hij, "ik vind mijn leven zinvol. Er zijn wel enkele dingen die ik betreur, maar al bij al is een journalistenleven boeiend en vervullend, op voorwaarde dat er een zeker engagement bij is. Je kunt niet communiceren in het wilde weg, je moet een eigen levensstijl hebben, een eigen maatschappijmodel. Vergeef me als ik ouderwets klink, maar een journalist moet een visie hebben op de samenleving."

Da's nog iets anders dan je gedragen als Mitspieler, zo intens deel uitmaken van een milieu dat je geacht wordt afstandelijk te beschrijven, werp ik tegen. Daar heeft hij een uitleg voor. "Misschien, maar ik pleit onschuldig, want het is nu eenmaal toevallig zo gegroeid. Ik heb Tindemans leren kennen toen hij een eenvoudige bestuurssecretaris op Landbouw was, Swaelen toen hij pas afgestudeerd was. Samen pendelden we naar Brussel, die treinwagon is een beetje mijn politieke universiteit geweest. Petrus Thys was destijds een voortstuderende onderwijzer, Jan Huyghebaert was een actieve CVP-jongere, en niet meer dan dat. En hoe gaat dat? We worden vrienden, we komen bijeen, we zijn op elkaars huwelijksfeest, de vrouwen gaan samen winkelen, we babysitten op elkaars kinderen. Een vriendenclub, zoals er ontelbare in Vlaanderen organisch gegroeid zijn. De carrières zijn pas een stuk later gekomen. Moest ik wegens een beroepskeuze mijn vrienden opgeven? Ik was inmiddels secretaris van Tindemans geworden, die de overstap naar de CVP had gemaakt, maar ik zag dat anderen succes hadden met de teksten die ik schreef, en dus zag ik wel wat in de journalistiek. Senator Houben begreep dat niet: je lotsvervulling zien in het met een notitieboekje aan de uitgang van vergaderingen staan. Ik dacht toen: als het zo onbetekenend is, waarom wordt dan het eerste halfuur van elke vergadering besteed aan het minachten of bewieroken van journalisten? En toch heb ik daarbij altijd mijn eigen deontologie in acht genomen. Ik ben bijvoorbeeld altijd veel meer een sociaal dan politiek journalist geweest: drie vierde van mijn stukken ging over sociale zaken, artsen-ziekenfondsen, de problematiek van de sociaal verzekerden, allemaal zaken waar de vriendenclub zich niet mee bezighield. Echt politiek journalist ben ik eigenlijk pas geworden nadat ik de krant verlaten heb, en politieke reconstructies ben beginnen schrijven."

Hij ziet mijn lachje.

"Nee, echt waar. Ik heb nooit een van mijn vrienden geïnterviewd, ik stuurde daar altijd iemand anders naartoe. Ik heb samen met Sus Verleyen Tindemans één keer geïnterviewd, en dat was dan meer een portret dan een actualiteitsgesprek. Ik ben nooit op het kabinet van premier Tindemans geweest, nooit. Ten tijde van Martens sliep ik daar bij wijze van spreken, en ook bij Dehaene liep ik binnen en buiten, bij Leo nooit. Al geef ik toe dat het ten tijde van het faillissement van De Standaard af en toe nuttig was dat ik het rechtstreekse nummer van Tindemans op de Wetstraat 16 had. Maar voor de rest heb ik daar nooit gebruik of misbruik van gemaakt, dat zou gewrongen hebben. Misschien zijn er een paar kleinigheden waarover ik me minder kan verantwoorden, maar heel die periode heb ik geen enkel gevoel van onrust of schuld gehad. Voor mezelf heb ik nooit het gevoel gehad op deontologisch glad ijs te staan."

Het is niet alleen de vriendenclub, zeg ik. De Standaard zelf leek in die periode wel een soort CVP-VU-studiedienst. Politici kwamen er op audiëntie, hielden er vergaderingen met de politieke redactie over hoe ze bepaalde zaken gingen aanpakken, er werd zonder schroom aan agendasetting voor de Wetstraat gedaan. De krant was geen krant, het was een politieke denktank, en een machtsinstrument.

Hij twijfelt even, en besluit dat de aanval de beste verdediging is.

"Ik heb de indruk dat de rol die De Standaard onder de CVP-regeringen speelde, twintig jaar lang, als huis van invloed, waar gepraat werd met politici, waar ideeën werden gelanceerd, waar beslissingen werden beïnvloed, vandaag bij paars is overgenomen door De Persgroep. Dat de symbiose tussen De Persgroep en de Vlaamse regering bijna even groot is als de symbiose die vroeger bestond tussen De Standaard en de CVP-kabinetten. Hoe verklaar je anders dat de agenda van De Persgroep zo mooi uitgevoerd wordt?"

Daarom heeft de VRT het mooiste beheerscontract sinds decennia, geef ik toe, daarom is iedere overnamepoging van De Persgroep op een veto van katholieke zuilbelangen gebotst. Daarom is alles wat De Persgroep heeft, steen voor steen zelf opgebouwd. Daarom is mediaminister Dirk Van Mechelen van één ding doodsbang: dat iemand hem favoritisme ten voordele van De Persgroep verwijt. Daarom komt er al jarenlang geen enkele politicus op bezoek bij De Morgen. Daarom staat er een Berlijnse muur tussen alle redacties van de Persgroep-ondernemingen. Daarom...

Hij heft de handen bezwerend: "Oké, oké, ik trek mijn woorden in. Of laat me ze tenminste anders formuleren. Op uitzondering van Het Volk, dat de pure spreekbuis van het ACV was, waren de andere katholieke kranten echt geen partijpolitieke vazallen, die braaf opschreven wat ze ons vertelden. De Standaard was inderdaad een soort denktank, waar veel ideeën rijpten die nadien door CVP en VU overgenomen zijn. Daar werden niet alleen artikels geschreven, maar ook politieke nota's. Manu Ruys heeft, lang voor de Volksunie en de CVP, gesteld dat de Vlaams-Waalse problematiek geen taal- maar een staatsrechtelijk probleem was, en dat de oplossing ervan dus niet lag in nog meer taalwetten, maar wel in het herdenken van het institutionele kader waarbinnen die groepen moesten samenleven. Op dat ogenblik deed de Volksunie niets anders dan kaakslagen tellen en de grieventrommel vullen, en zei De Saeger in de CVP dat federalisme een vluchtmisdrijf was. De Standaard heeft toen een intellectueel klimaat geschapen waarin die dingen bespreekbaar en later realiseerbaar werden. Wel, ik stel vast dat vandaag De Morgen die rol heeft overgenomen, en veel zwaarder op paars weegt dan De Standaard. Omdat jullie voor een stuk al het paarse ideeëngoed verdedigden toen er van paars nog geen sprake was, en omdat men jullie bijgevolg als een beter referentiepunt beschouwt. En ik merk hoe thema's die jullie aanbrengen een tijdje later opduiken op de regeringstafel, iets waar De Standaard vandaag steeds minder in slaagt. Er zijn toch heel wat politici die hun voedsel halen uit je krant? Wat is daar verkeerd aan? Jullie vertrekken toch ook vanuit een engagement, een maatschappijmodel? Wel, als je dat systematisch en onderbouwd blijft doen, dan heeft dat altijd invloed. Dat is de grote kracht van krantenjournalistiek. Dat is niet alleen het nieuws waarin de dag nadien de aardappelschillen weggegooid worden, het is ook de dagelijkse druppel die het sterkste marmer op den duur doet eroderen. Een consequente journalistieke lijn, dat heeft gevolgen, in de één of in de andere richting. Mij valt het trouwens op dat de opkomst van het Blok samenvalt met een periode in de journalistiek waarin een journalist absoluut geen mening mocht hebben, en zich diende te beperken tot pure verslaggeving. Volgens mij is het samenvallen van die twee fenomenen geen toeval. Dus nee, ik schaam mij niet voor mijn engagement, en ja, ik geef toe dat ik gezien mijn vrienden in een gepriviligieerde situatie zat. Maar wat moest ik doen? Mijn vriendschappen verloochenen omdat de ene eerste minister wordt en de andere voorzitter van de senaat? En toegegeven, die vriendschap tussen ons zal er waarschijnlijk toe bijgedragen hebben dat iedereen zijn carrière wat beter heeft kunnen opbouwen. Als een van ons in de put zat, probeerden de anderen hem wat op te peppen. Maar daar hield het op. Ik heb die contacten nooit gebruikt om voor mijn kinderen een job te regelen, wat ik andere Wetstraatcollega's wel heb zien doen. Ik begrijp die schroom niet. Toen ik de vriendenclub van Poupehan onthulde, waren ze eerst met zijn allen oprecht trots op wat ze daar verwezenlijkt hadden, vonden ze het verhaal een ode aan hun vriendschap, wat het ook was. Maar toen Poupehan plots, en door anderen gestuurd, synoniem werd voor besloten canapépolitiek, voor een zogenaamde parallelle besluitvorming, was ik plots de gebeten hond. Maar nu, na al die jaren, zijn ze er opnieuw blij mee. Wie zou weten wie Hubert De Tremmerie is tenzij dankzij het verhaal van Poupehan? Wel, ik heb mijn vrienden ons verhaal ook vooraf laten lezen, er was ook die huivering, maar tenslotte hebben ze geen bezwaar gemaakt tegen een verslag over wat de mooiste periodes in ons leven waren."

In een ander hoofdstuk onthult De Ridder ook wat de echte redenen voor zijn ontslag waren. Eigenlijk was het een nota van het directiecomité. De Ridder: "De Standaard stond voor iets: de sociaal gecorrigeerde vrije markt, de rechtmatige belangen van het Vlaamse volk, een aantal christelijke beginselen: die behartigen door informatie en commentaar was onze opdracht. Toen ontdekte ik nota's die ze voor ons verborgen probeerden te houden, met onder meer die gruwelijke zin: voortaan is de lezer hoofdredacteur. Alleen de interesses en behoeftes van de markt moesten de inhoud van de krant bepalen, niet langer een maatschappelijk engagement. Ik veroordeel dat niet, dat is misschien een behartigenswaardig project geweest, zeker vanuit commerciëel oogpunt, maar het is niet mijn project. Dat is niet het project waar we voor gingen na het faillissement van 1976, en waar de aandeelhouders zeker geen slechte zaak aan hebben gedaan. (De Ridder becijferde dat voor een reële inleg van 25 miljoen sinds het faillissement inmiddels 1,268 miljoen dividenden werden uitgekeerd, YD) De rol van de commentator-editorialist werd prompt gedevalueerd: veertig jaar was die man nummer één in het organigram geweest, nu werd ik verbannen naar de negende plaats. Ik heb dat een tijdje geslikt, zolang ik mijn engagement maar verder mocht belijden. Maar toen werd beslist dat de redactie, bij hoofdelijke stemming bijna, kon gaan bepalen waar ik het over moest hebben. De druppel kwam op 1 maart. Ik kwam terug van een familieraad, haastte me naar de krant om nog een 'hoofdje' te schrijven, en kreeg te horen dat het niet meer hoefde. Een andere redacteur had het al gedaan, over abortus, nauwelijks rekening houdend met de stellingen die ik daarover al weken had ingenomen. Vijf dagen later werd bekend dat het 'hoofdje', dat altijd op de voorpagina had gestaan, naar binnen moest, op een opiniepagina. Die dag heb ik een vertrekregeling gevraagd."

Misschien is dat het grootste verschil tussen zijn generatie en de mijne, opper ik. Jullie dachten dat een krant alleen een maatschappelijk project was, terwijl wij maatschappelijk relevante kranten proberen te maken die ook nog eens boeiend en leesbaar zijn, en waarbij je, als het enigszins kan, niet in slaap valt van saaiheid.

Daar is hij het niet mee eens : "Kijk, Ruys en ik waren het volkomen eens dat de 'hoofdjes' en de politieke stukken in Het Nieuwsblad en De Standaard identiek moesten zijn. Dat belette Het Nieuwsblad niet toen marktleider te zijn, en De Standaard in die periode te laten stijgen van veertig- naar zestigduizend. Dus zo saai zal het dan toch ook niet geweest zijn. Af en toe waren die berichtjes misschien wel saai, maar het politieke leven is nu eenmaal niet altijd even swingend, en voor ons was de inhoud belangrijker dan de show. Je kunt toch niet zo ver meedrijven met het populisme dat je je bijna gaat prostitueren? Het moet waarschijnlijk allemaal wel kunnen, maar ik heb er problemen mee dat Jean-Luc Dehaene 's ochtends staatsman is en ons op de televisie komt vertellen dat de aanslag in Manhattan niet tot paniek moet leiden, en dan 's avonds even gaat meedoen op de VRT in een spelletje dat peilt naar zijn seksleven. Ik heb het er moeilijk mee dat een gewezen NAVO-secretaris-generaal in het middagnieuws de draagwijdte van artikel 5 uitlegt, om vervolgens op tournee te vertrekken met Koen Crucke. Zie jij Lubbers of Van Agt zoiets doen, of Chirac? Nee toch? Da's een rare paradox: hoe meer ze zich inspannen om gewoon en populair te zijn, hoe groter de kloof tussen burger en politiek wordt. Terwijl er in de tijd van de afstandelijke politici, genre vader Eyskens, van een kloof geen sprake was. Maar die generatie zat 's avonds wel in de gilden-en volkshuizen bierkaartjes vol te schrijven."

Een andere anekdote is inmiddels vakkundig publicitair uitgespeeld: de opmerking van koning Boudewijn tijdens een audiëntie dat voorbehoedsmiddelen onvermijdelijk tot abortus zouden leiden. Maar ook De Ridder komt conservatiever uit de hoek dan ik van hem gewoon ben: "Als ik sommigen bezig zie en hoor moet ik besluiten dat zij een samenleving met 25 procent geaborteerde geboortes, met 25 procent ontbonden huwelijken, met 25 procent medisch begeleide levensbeëindigingen en 25 procent gewaardeerde en erkende holebi's beter, humaner, gelukkiger en vredevoller achten dan de huidige. 'Moet kunnen' is hun waardepatroon. Ik wens dit experiment echter niet toe aan mijn kinderen en begrijp moeilijk dat de christen-democratie haar historische rol (...) om tegen deze ontwikkeling in te gaan, zo gemakkelijk opgeeft." (pagina 268)

Zo'n karikatuur zou ik niet eens durven te maken, verwijt ik hem.

Hij pruttelt tegen: "Nee, je moet de dingen goed lezen. Ik stoor me aan dat gebrek aan maatschappijmodel, aan voorbeeldfuncties, waarbij alles goed gevonden moet worden, waarbij alles mag, alles moet kunnen. Dat is mijn samenleving niet."

Ach kom, u hebt euthanasie bestudeerd. Dat gaat maximum over 5 procent van de terminaal zieken.

"Er zijn ook enquêtes geweest waaruit blijkt dat 10 tot 15 procent van de overlijdens medisch geassisteerd wordt."

In Vlaanderen ja, waar geen euthanasiewetgeving is.

Het dovemansgesprek kabbelt enkele minuten voort. Tot hij zegt : "Ach, misschien heeft het ook met leeftijd te maken, met dingen waar ik niet meer bij kan. Waarom ben ik zo tegen de drugsnota? Vlak na De Standaard heb ik een project rond het gevangeniswezen gedaan voor de Koning Boudewijnstichting. Ik heb toen een aantal drugsdealers gesproken, heel rustige jongens overigens, die me zegden: wat jij niet begrijpt, is dat wij de ogen van arenden hebben. Wanneer wij naar een schoolpoort kijken, zien wij totaal andere dingen dan jij. Wij zoeken niet naar de rijke jongens, maar naar de jongens die zich wat verlaten voelen, die geïsoleerd en onzeker lijken. Die geven we drugs, want we weten dat die ooit vaste klanten zullen worden. Kijk, en dan denk ik dat de wet er is om de zwakken te beschermen, niet om de vrijheid van de sterken te garanderen. En bij jou op de redactie, en op die van De Standaard, en op het kabinet van minister Aelvoet, zitten er vermoedelijk heel wat betere verdieners die mentaal sterk genoeg zijn om probleemloos met cannabis om te gaan, mensen voor wie dat een eenvoudig roesmiddel is, te vergelijken met een borrel. En die vragen zich af waarom ze voor hun joint gecriminaliseerd moeten worden. Maar ik denk aan de geïsoleerde, onzekere jongen die de arenden in het vizier gekregen hebben, en die nu ook nog eens het signaal krijgt dat het vanaf nu ook allemaal mag. En dan weet ik ook wel dat er nauwelijks een verschil is tussen de paarse drugsnota en de nota van Tony Van Parijs, maar de communicatie is totaal anders geweest: de boodschap is sterk, te sterk uitgezonden dat het vanaf nu allemaal toegelaten is, zodat onderwijsmensen en ouders machteloos zijn komen te staan.

"Ik denk dat de hele politiek zich te veel is gaan richten naar de goed opgeleide, stressbestendige, beter verdienende, creatieve mensen. Op het ogenblik dat ik politiek mondig werd, in de kabinetten rondkeek, waren het daar allemaal mensen die sociale school hadden gelopen, uit zeer bescheiden milieus kwamen, mensen die met hun twee voeten in de arbeidswereld en soms in de armoede stonden, de uitsluiting rondom zich zagen, en hun inkomen was niet vel hoger dan het inkomen van de mensen voor wie ze moesten zorgen. Placide De Paepe, minister van Sociale Zekerheid, woonde in een arbeidershuisje, en toen ik hem ging interviewen stond zijn vrouw met krulspelden in het haar de ramen te lappen. Maar tien jaar geleden zijn al die kabinetten en studiediensten van politici, zuilen en vakbonden plots overspoeld met mensen die honderdduizend frank per maand verdienden of tenminste de aspiratie hadden om dat ooit te verdienen. Ik denk dat toen de kloof met de burger is ontstaan. Mensen die dat verdienen, weten niet meer wat er in het reële leven van anderen gebeurt, die moeten daarover studies laten maken. Er zijn veel Vlaamse professoren de laatste decennia rijk geworden aan studies over armoede, terwijl vroeger de beleidsmakers en hun medewerkers er met twee voeten in stonden."

We besluiten een hapje te gaan eten op de Linkeroever, waar hij nu woont en ondervoorzitter is van de lokale bewonersactiegroep. Trots vertelt hij me dat zijn grootste realisatie tot nu toe is geweest om er de integratie van een asielcentrum zogoed als probleemloos te laten verlopen. Bij het buitengaan overschouwen we nog even de collectie cartoons die ooit over hem zijn gemaakt, en die alle mooi ingekaderd in zijn bureau hangen. En vanzelfsprekend ook allemaal in het boek voorkomen. IJdeltuit, denk ik. Maar ik kan een glimlach niet onderdrukken.

Hugo De Ridder, 'Geen blad voor de mond'. Uitgeverij Lannoo, 805 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234