Woensdag 22/09/2021

een intrigerend land

Iraans dagboekWelgeteld tien kandidaten werden door de Iraanse Raad van Hoeders geselecteerd voor de presidentsverkiezingen van volgende week. Schrijvers Gaston Van Camp en Koen Vermeiren reisden de voorbije weken door het land. 'De geestelijken zijn machtswellustelingen en zakkenvullers! In time of shah was alles veel beter.'

Gaston Van Camp en Koen Vermeiren

"Snel, snel, het vliegtuig staat klaar om te vertrekken", zegt de ticketverkoper in de Domestic Airport van Teheran. We grabbelen onze rugzakken, spurten de ziel uit ons lijf, duikelen het vliegtuig in. Drie minuten later hangen we, nog nahijgend, boven het uitgestrekte moskeecomplex waar Khomeini begraven ligt.

Koen en ik zijn vorige nacht in Teheran aangekomen. Irans hoofdstad is een rotstad. Stinkend als een mesthoop, lawaaiig als een plaatslagerij, voller dan een sardienenblikje. Dus willen we er zo snel mogelijk uit weg. Pech: voor alle binnenlandse vluchten zijn er wachtlijsten, alleen Esfahan heeft nog net twee plaatsen vrij.

Het wordt dus Esfahan, het noodlottige Ispahaan uit 'De Tuinman en de Dood' van P.N. van Eyck. Als schooljongen moest ik het gedicht opdreunen en sindsdien draagt de stad voor mij een aureool van oosterse mystiek.

Esfahan is een droom van een stad, ze heeft alles wat Teheran mist. Het is een stad om verliefd op te worden, wat ik dan ook ter plekke doe.

Het Khomeini-plein is 's werelds tweede grootste plein, en naar mijn smaak ook 's werelds mooiste. Het wordt door arcaden omzoomd, zodat nergens de stad zichtbaar is. Er zijn grasveldjes, rozenperken, fonteinen, paardenkoetsjes voor de toeristen, souvenirshops. 's Avonds, als de (weinige) groepstoeristen verdwenen zijn, als het waanzinnige verkeer iets minder waanzinnig verloopt, als honderden lichtjes schitteren, als arcaden, minaretten, koepels en fonteinen feeëriek verlicht zijn, wordt het plein een romantisch plaatje uit duizend-en-een-nacht. Om er rotsentimenteel bij te worden. Wat ik dan ook meteen word.

De Bazaar is een doolhof van steegjes en opslagplaatsen waarin de ambachten in wijken zijn gegroepeerd. We drijven mee op de stroom van bezoekers. Wanneer we die willen filmen, kijken de vrouwen zedig opzij of verbergen ze hun gezicht achter de sluier van hun chador. Een smid, die met zware hamerslagen een stuk metaal bewerkt, wil wel graag in beeld komen. Met een tapijtverkoper onderhandelen we over een kleurige lap bedrukte stof. We slagen erin af te dingen tot juist boven de helft van wat hij vroeg. Natuurlijk betalen we nog te veel, maar dit spel van tegen elkaar opbieden hoort er hier nu eenmaal bij. Op het Khomeini-plein worden we aangeklampt door een jongen en 'zijn nichtje'. 'Belgium' kennen ze niet, 'Belgique' wel. Hij wil ons adres, zij onze handtekening. We voelen ons hier bijna BV's.

Een van de meest authentieke theehuizen bevindt zich in een gewelfde kelder waarin de zoete geur van waterpijpen ons bedwelmt. Een van de rokende bezoekers is een mollah (een lagere geestelijke). Iraniërs doen nooit suiker in hun thee. Ze klemmen een klontje tussen hun voortanden en zuigen de drank met kleine slokjes op.

Op de terugweg naar het hotel filmen we een blauwgroene moskeekoepel. Een piepjonge agent komt tevoorschijn uit een stacaravan die dienstdoet als politiekantoor. Of we even mee willen komen. Wat hebben we misdaan? In het kantoortje drukt een tweede politieman ons glimlachend de hand. Wat vinden we van zijn stad en haar bewoners? En of we geen problemen hebben gehad? Problemen? De mensen zijn hier alleen maar vriendelijk en behulpzaam! Dat wil hij ook zijn, want hij geeft ons een stadsplan en vertelt over wat er hier allemaal te zien is. Beleefd luisteren we naar zijn uitleg, waar geen eind aan lijkt te komen.

Na de middag bezoeken we het Chechel Sutun, of Het Paleis van de 40 Zuilen. Het zijn er slechts 20, maar dat is zonder de weerspiegeling in de vijver mee te rekenen. Het Safavidenpaleis heeft zwaar geleden onder Iraakse bombardementen, iets waarvan een fototentoonstelling op het overdekte terras getuigt. Rondom het gebouw loopt het vol schooljongens. Een paar van hen willen met ons op de foto. Overal horen we 'Welcome in Iran!', zelfs van enkele meisjes die het in het voorbijgaan vluchtig voor zich uit zeggen.

's Avonds is het Khomeini-plein prachtig verlicht en spuiten de fonteinen. Vanaf het terras van een theehuis hebben we een adembenemend uitzicht. Een gepensioneerde dokter spreekt ons aan. Ook zijn vrouw mengt zich in het gesprek, maar dan wel via haar zoon, want rechtstreeks het woord tot ons richten doet (mag?) ze niet. De zoon is elektronisch ingenieur en klaagt over de lage lonen in Iran. Zou er in België geen toekomst voor hem zijn? Met moeite overtuigen we hem van het tegendeel. Bij het afscheid drukken we iedereen de hand, behalve de moeder. In het openbaar is lijfelijk contact tussen mannen en vrouwen immers verboden.

Even buiten Esfahan staan twee 'Schuddende Minaretten'. Indrukwekkend of mooi zijn ze niet. Als je hard met de ene schudt, wiebelt nummer twee voorzichtig mee. Wat vrolijk applaus ontlokt aan een schoolreis Iraanse meisjes: jonge, leuke, frisse tieners, helaas weggemoffeld in afschuwelijke kraaienpakken. Ze zijn nieuwsgierig, giechelziek, communicatief: 'Howaarjoe? Weerjoefrom?' Dan stokt het gesprek bij gebrek aan meer Engels. Vrouwen in Iran lopen er verplicht als nonnen bij. De islamitische kledingvoorschriften laten alleen handen en (ongemaquilleerd) gezicht zichtbaar. Toch neemt de vestiaire subversie snel toe: lippen worden almaar roder, in de chador komen serieuze splitten, hoofddoeken krijgen aarzelend kleur, almaar meer vrouwen laten centimeters haar onder hun hoofddoek tevoorschijn piepen. Onder chador of lange regenjas vermoed ik verrassend modieuze kleren!

We wandelen onder een gewetenloze zon naar een oude Zoroastrische vuurtoren, hoog op een steenpuist van zand en rotsen. Het uitzicht is indrukwekkender dan de ruïne zelf: een eindeloze groene vlakte bezaaid met clusters stoffige huizen. Op de ene horizon de heiige skyline van Esfahan, de andere verdwijnt achter ruwe, okerkleurige bergmassieven.

Op de wekelijkse Heilige Dag zijn alle winkels dicht. Terwijl we in een theehuis op de bus wachten, die ons 500 kilometer verder naar het zuidelijke Shiraz moet brengen, worden we aangesproken door een jonge kelner die zijn hart wil luchten. Zoals zovelen heeft hij een universitair diploma maar geen passende job. Van de regering verwacht hij niets meer. Alleen Khatami vindt genade in zijn ogen, maar die heeft geen macht. De ayatollahs hebben van Iran een economische puinhoop gemaakt, meent hij. En het toerisme, zit daar geen toekomst in? Volgens hem niet. Iraniërs hebben in het buitenland het imago van terroristen, en dat raak je niet zomaar kwijt. We geven toe dat wij ook met enkele hardnekkige vooroordelen aan deze reis zijn begonnen. Maar bestaat er een vriendelijker volk dan dit hier?

Acht uur duurt de busreis, langs de rand van de Dashte-Kavir-woestijn en het Zagrosgebergte met zijn besneeuwde toppen. Driemaal stoppen we aan een controlepost, waar gewapende militairen de bus inspecteren. We ontmoeten een jonge dokter. Hij is naar Esfahan gereisd om er zijn 'fiancée' te zien, en nodigt ons uit om bij hem thuis te komen eten en kennis te maken met zijn vrouw. Zijn vrouw? Zijn 'fiancée' is blijkbaar zijn tweede echtgenote. Dat de islam bigamie toelaat, wisten we. Dat ze nog voorkomt niet.

Wanneer we 's avonds uitgeput onze rugzakken uit de laadruimte van de bus halen, staat ons een onaangename verrassing te wachten. Ze drijven in een kleverig goedje, dat vette yoghurt blijkt te zijn, afkomstig van een omgevallen vaatje.

Zwoel weer. De lucht is zuurstofarm. We zoeken koelte in de Vakil-moskee naast de Bazaar. De muren zijn overdekt met kleurige glazuurtegels vol gracieuze arabesken. Perzische kunstenaars brachten het ornament tot zijn artistieke finesse. Binnenin een woud van 48 monolithische, fraai gedraaide zuilen. Er zweeft een gezeefd amberkleurig licht dat het gebouw ontstoffelijkt. Perzische architecten zijn meesters in het spelen met lichteffecten.

Na de middag brengt taxichauffeur Morteza ons naar Persepolis, de pronkerige voorjaarsresidentie van de Perzische koningen. Het goed geconserveerde paleizencomplex (tijdgenoot van Athenes Acropolis) ligt op een platform met meerdere niveaus, door majestueuze trappen verbonden. Overal schitterend halfverheven beeldhouwwerk, zo verfijnd dat het met werktuigen van een goudsmid lijkt gebeiteld. Er is een klein museum, in antiekiserende stijl boven de harem gebouwd. Het mooiste ervan vind ik de deuromlijstingen, meer dan levensgrote personages in donkere steen. Helaas heeft een vandaal de gezichten weggebeiteld. In 331 voor Christus zette Alexander de Grote in een dronkemansbui het complex in lichterlaaie.

Volgens Morteza maakten de ayatollahs, toch al onverschillig voor pre-islamitisch erfgoed, na de revolutie van 1979 plannen om Persepolis af te breken. De Iraakse oorlog verhinderde dat.

Als toetje krijgen we een heerlijk kitscherige zonsondergang: ranke zuilen in tegenlicht, zilveren zonnestralen die door opbollende wolken breken, de donkerende vlakte tot heel ver aan de bergruggen, de resten van de feesttent die de sjah hier in 1971 neerplantte om 2.500 jaar Perzië te vieren (maar korte tijd later verhuisde zijn pauwentroon naar de archieven).

Voor 100 dollar krijgen we in de bank 1.150.000 rial. Even voelen we ons miljonairs. We gaan naar de Aramgage-Shahe-Cheraq-moskee, die binnenin met spiegels is versierd. Als bijen zoemen de gelovigen rond het schrijn met de stoffelijke resten van een heilige, dat wordt gestreeld en gekust. Een mollah leest hardop voor uit de koran voor een groepje jongeren, die aandachtig luisteren. Van een van hen krijgt hij nadien wat geld. De overgave waarmee hier wordt gebeden, doet ons weer twijfelen. Schuilt er onder hun vriendelijkheid dan toch een religieus fanatisme dat hun denken en doen stuurt? We voelen ons opeens indringers.

Op straat vraagt iemand of we cocaïne willen kopen. Veel werkloze jongeren hebben een drugsprobleem, horen we later van een Duitssprekende Iraniër. Het goedje wordt via Pakistan en Afghanistan het land binnengesmokkeld. Blijkbaar mét medeweten van de mollahs, die aan de trafiek geld verdienen door een oogje dicht te knijpen.

's Avonds bezoeken we het mausoleum van Hafez, een dichter uit de veertiende eeuw. Aan zijn graf staan meisjes prevelend zijn poëzie voor te lezen, alsof ze bidden. Een jongen barst in tranen uit. Het idee dat zoiets bij ons aan de laatste rustplaats van Gezelle zou gebeuren, is te gek voor woorden. Maar hier past het, vreemd genoeg, bij de oosters-romantische sfeer van de omgeving. In het openluchttheehuis genieten we van het weemoedige geluid van de ney (een Iraanse fluit) dat uit de luidsprekers weerklinkt.

Taxichauffeur Morteza is om vijf uur 's morgens op de afspraak. Hij brengt ons tegen een zacht prijsje naar Ahwaz, bijna 600 kilometer noordwestelijker. Een schitterende rit, ondanks paternosters vracht- en tankwagens die de weg onveilig maken. Eerst door het machtige Zagrosgebergte, daarna door de olierijke Khuzestanvlakte ten noorden van de Perzische Golf. Zwarte rookwolken en metershoge vlammen wijzen op intensieve olieboringen. Over het landschap hangt een indringende mazoutstank. De weg is uitstekend, hij is door de Italianen aangelegd 'in time of shah', zoals Morteza's geliefde uitdrukking luidt. Hij is een gezellige babbelaar en spaart zijn kritiek op het regime van de ayatollahs niet. "De geestelijken zijn machtswellustelingen en zakkenvullers! In time of shah was alles veel beter. Acht uur per dag werken en een redelijk loon. Nu komt een man met twee jobs nauwelijks rond. Het regime in time of shah was oké, de sjah zelf was een gek."

Hij levert ons na een rit van acht uur in Ahwaz af. De stad werd zwaar gebombardeerd tijdens de Iraakse oorlog. Ze is heet, lelijk, vuil en chaotisch. De voertaal is er Arabisch. We charteren meteen een taxi. Die brengt ons door een smoorhete vlakte naar Andimeshk. Van daaruit willen we een ziggoerat uit de tijd van de Trojaanse oorlog bezoeken.

Die ligt in Choqa Zambil, vlak bij de Iraakse grens, en wordt momenteel gerestaureerd. De tempeltoren ligt als een reusachtige molshoop te blakeren in de zon. Met een minibus rijden we naar het 200 kilometer verder gelegen Khoram Abad. Een moordende rit van vier uur, niet alleen door de hitte maar vooral omdat onze chauffeur zich als een kamikazepiloot gedraagt. De hotelkamer is goedkoop, maar ook scarabeeachtige kevers voelen zich er blijkbaar thuis.

Restaurants schijnt men hier niet te kennen. Cola wel. Die heet hier Zamzam en wordt met liters gedronken. De eigenaar van een kebabstalletje wil niet dat we betalen voor het eten. Natuurlijk doen we dat wel. In het hotel wordt ons een (illegaal) glas Duitse wijn aangeboden. We zijn te moe om op die invitatie in te gaan.

Khoram Abad is de hoofdstad van Lorestan, de streek waar professor Louis Vanden Berghe in de jaren zestig zijn beroemde Lorestan-bronzen ontdekte. Toeristen zijn hier rare vogels. Toch moet dit een paradijs voor rotsklimmers en avontuurlijke wandelaars zijn. Een straat oversteken vraagt ook hier geduld, snelheid, acrobatie en vooral veel doodsverachting.

Bezoek aan het arendsnest Falakol-Aflak, een middeleeuwse rotsburcht met hoog Disney-gehalte. Op de rotsige helling is een fraaie rozentuin aangelegd. De burcht bevat een leuk museumpje met enige Lorestan-bronzen. Er loopt een tentoonstelling van esthetiserende kleurenfoto's over het nomadenleven.

De meeste bewoners zijn Lors en Koerden die geen Farsi spreken, laat staan Engels. Krachtig getekende koppen met ruige snorren en stoppelbaarden, bossig haar, getaande huid, doordringende donkere blikken.

Van de rotsreliëfs ter ere van Darius I (522 v. Chr.), in Bisutun, blijft weinig over. De wand die ons vooral interesseert, gaat schuil achter metershoge stellingen. Daarachter zitten teksten waarmee de Engelsman Rawlinson in 1837 het Oud-Perzische spijkerschrift kon ontcijferen. Met een (gedeelde) taxi rijden we naar Taqe-Bustan. Bij onze aankomst eist de chauffeur het driedubbele van wat we hadden afgesproken. Er ontstaat een vinnige discussie, waarbij een oude man komt bemiddelen. De taxichauffeur druipt morrend af.

De Sassanidische reliëfs die we hier bekijken, zijn goed bewaard. Met de bus rijden we terug naar het hotel. Een kaartje kost, omgerekend, 75 centiem; een liter benzine 2 frank. In de overvolle bus biedt een oude man ons zijn zitplaats aan. Weigeren heeft geen zin. Is dit de omgekeerde wereld?

Hamadan, 1.800 meter hoog. Besneeuwde bergtoppen. Een groot, recent reclamepaneel: 'Israël must be destroid'. We passeren groepjes nomaden, hun hele huisraad op ezeltjes geladen (tapijten en stokken voor de weefgetouwen inclusief): een foto voor NGM. In Hamadan stierf in 1037 de beroemde geneesheer-wetenschapper-filosoof Avicenna. Boven zijn memorial annex museum prijkt een sobere geelgrijze gedenktoren.

Ik erger me aan de kleurenposters in de straatstalletjes: opzichtig gemaquilleerde meisjes van acht en negen jaar (die moeten zich van de ayatollahs nog niet onder chador en hoofddoek verstoppen) in nauwelijks verhulde pin-upposes met verleidelijke blikken. Pseudo-kinderporno.

Hamadan was in de Oudheid hoofdstad en koninklijke zomerresidentie. Een stuk braakland blijft over van de citadel van waaruit ooit het Perzische wereldrijk geregeerd werd. Niet meer dan een saaie chaos van putten en bulten, muurresten en steenhopen. Voor generaties archeologen ligt hier nog opgraafwerk.

Vanochtend uit Hamadan naar Teheran vertrokken. Een busrit van vijf uur. Onderweg alweer drie roadblocks. Terwijl we in het Shahr Park zitten uit te blazen, komt een man op ons toe. Hij is vijfentachtig en spreekt goed Engels. Vroeger was hij legerpiloot. Zijn opleiding kreeg hij van een Belg. Onder de sjah werkte hij bij de Anglo-Iranian Oil Company. En ook al was de sjah een zakkenvuller, toch had iedereen het toen beter, vindt hij. Nu telt alleen Allah. Sociale voorzieningen bestaan niet. Ooit bracht hij een stervende man naar het ziekenhuis, waar hij te horen kreeg dat hij hem maar moest laten creperen waar hij hem had gevonden. Toerisme wordt bewust afgeremd, want dat brengt slechte westerse invloed mee. De technische kennis om het land uit het slop te halen ontbreekt of wordt niet gebruikt. Men stimuleert alleen de landbouw, maar die brengt weinig op. Khatami, die onlangs heeft aangekondigd dat hij opnieuw presidentskandidaat is, heeft zijn sympathie, maar het is Khamenei die (voor het leven) de touwtjes in handen heeft.

Je hebt Teheran niet gezien als je het mausoleum van Khomeini niet gezien hebt. Niet dat het een architecturale beauty is, verre daarvan. Het complex moet het hebben van groots en volks. Het lijkt meer een kitscherig, te snel opgetrokken megawarenhuis dan een moskee. Een gouden koepel (te klein in verhouding met de andere gebouwen), storende overspanningen van zeildoek en golfplaten ondersteund door spinnenwebben van buisconstructies, enorme betonnen parkings. Het graf zelf is verrassend klein en sober. Het staat binnen een gesloten, witmetalen traliewerk waarin op ooghoogte een discrete gleuf zit: je kunt er muntstukken en bankbriefjes offeren. Mannen liggen languit op de chique marmervloer te slapen, kinderen spelen tikkertje, de lampen zoemen enerverend, Iraanse toeristen kuieren lachend en pratend rond.

Wel indruk maakt de militaire begraafplaats voor de gesneuvelden van de achtjarige oorlog tegen Irak, 'de ons opgedrongen oorlog'. Eindeloze rijen graven, de meeste dragen een foto. Een stilte die zich naar binnen keert. Zinloosheid die om antwoorden smeekt. Een vrouw stapt uit een taxi, voor een graf blijft ze roerloos staan. Een moeder die haar zoon verloor? Een vrouw die haar man verloor? Een geliefde die haar minnaar verloor? Ineens barst ze in snikken uit. Er is niemand om haar te troosten. Even verder staat een oudere man voor een graf, hij zingt een eindeloos klaaglied. Een vader die zijn zoon verloor? En elk graf, elke foto, is een geknakt leven, en vertegenwoordigt onnoemelijk veel verlies en verdriet.

Hoe mooi en intrigerend Iran ook is voor de vluchtige toerist, hoe gastvrij en behulpzaam de Iraniërs ook zijn, er blijft een groot deel onzichtbaar, verborgen achter stilzwijgen, onzekerheid, verdrongen verlangens, angst voor de toekomst. Verborgen ook, vrees ik, achter heel veel onverwerkte pijn.

De Bazaar van Teheran mag dan groter zijn dan die van Esfahan, mooier is hij niet. We nemen een kijkje op het Asadi-plein, waar de sjah een enorme triomfboog heeft laten bouwen. Terug in het hotel (het duurste van deze reis) stellen we vast dat er 60.000 rial uit onze rugzakken is gestolen. Een schoonheidsvlekje op een reis die verder rimpelloos is verlopen.

'Lippen worden almaar roder, in de chador komen serieuze splitten, hoofddoeken krijgen aarzelend kleur, steeds meer vrouwen laten centimeters haar onder hun hoofddoek tevoorschijn piepen' 'Op straat vraagt iemand of we cocaïne willen kopen. Veel werkloze jongeren hebben een drugsprobleem. Het goedje wordt via Pakistan en Afghanistan het land binnengesmokkeld'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234