Maandag 21/06/2021

Een hoofd vol muziek

'Die ego's van zangers! Altijd weer moet je hen bevestigen, zeggen hoe mooi het is wat ze doen. Iedereen wil geliefd zijn, maar bij zangers is het soms toch wat overdreven''Ik kan niet verdragen dat een publiek niet gul is met zijn applaus als ik het een goede uitvoering vond''Met die barokmuziek zal ik de wereld niet veranderen. Maar zonder muziek is het ook niet leefbaar''Mijn vrouw was niet mijn eerste liefde, maar ze is wel mijn grote liefde, daar ben ik zeker van'

Tot zijn grote vreugde werkt dirigent en contratenor René Jacobs aan de voorbereiding van de onbekende barokopera Eliogabalo van Cavalli, die hij volgend jaar in de Munt zal uitvoeren. Daarnaast heeft hij zijn contract als artistiek directeur van het festival voor oude muziek in Innsbruck verlengd tot in 2009 en zijn er plannen voor platen, concerttournees en drie opera's van Mozart. Het is middag als het gesprek in zijn Parijse appartement is afgelopen. Beneden aan de poort wacht ik op een taxi. Hij komt zingend de trap af, muts op, sjaal rond de kwetsbare hals. Vrolijk loopt hij langs me heen de straat op, het hoofd vol muziek.

Foto Filip Claus

'Van mijn ouders was mijn moeder de meest muzikale. We kregen pianolessen thuis, 'René had een mooie stem' en moest altijd zingen. Mijn moeder heeft me ook meegesleurd naar de Gentse opera, maar dat vond ik verschrikkelijk. De eerste opera die ik ooit heb gezien, verfoei ik nog altijd: Cavalleria Rusticana van Mascagni. Het bezorgde mij een grote afkeer van de opera. Maar ik zong wel graag en op school kregen we zangles. De schoolmeester deelde aan de dirigent van het jongenskoor van de Sint-Baafskathedraal mee wie van zijn klas het beste zong. Er waren twee versies van dat knapenkoor: een groot koor, dat op de kerkelijke hoogdagen meerstemmige polyfonie zong, en de Schola Cantorum, die iedere zondag fantastische gregoriaanse muziek zong. In dat elitekoor werd ik opgenomen. We hadden iedere dag twee repetities, dat kun je je vandaag onmogelijk nog voorstellen. We gaven ook een imitatie van de concerten van de Wiener Sängerknaben, met af en toe eens een jeugdig solistje, en daar was ik er een van.

"De dirigent, priester Noël van Wambeke, heeft in mijn leven een grote rol gespeeld. Dankzij hem ben ik muzikant geworden. Er was niet alleen dat koor, hij gaf me ook orgelles en ik werd organist van het college. Ik heb ongelooflijk vaak vierhandig piano met hem gespeeld, onder andere een bewerking van de negen symfonieën van Beethoven. Dat was moeilijk, maar ook als ik fouten maakte, wilde hij dat ik verder speelde. Daardoor heb ik spelenderwijs goed en vlug muziek leren lezen. Op een dag kwam hij bij ons thuis aanzetten met Schubert-liederen en een plaat van de bariton Dietrich Fischer-Dieskau. Er ging een wereld voor mij open. Fischer-Dieskau werd mijn idool. Met mijn jongensmezzosopraan zong ik die liederen zelf, daar circuleren nog privé-opnamen van. Daar komt mijn liefde voor het Duits vandaan, een taal die ik door de liederen al sprak nog voor ik er les in kreeg in het college.

"Toen kwam Noël Van Wambeke om in een verkeersongeval. Het was het wrangste afscheid door de dood dat ik heb meegemaakt. Ik was zestien en hij had me net de raad gegeven om een jaar niet te zingen. Dat ik dat zolang in het jongenskoor had kunnen doen, was in onze tijd veeleer uitzonderlijk. Anders dan in de tijd van Bach, toen zestien een normale leeftijd was, komen kinderen nu veel vroeger in contact met seksualiteit en verandert hun stem eerder. In mijn geval was mijn stem in de puberteit niet echt gebroken, ze is langzaam naar beneden gegaan. Er zijn verschillende soorten mutaties van de stem, maar twee komen het meest voor: heel hoge sopraanstemmen die in bassen muteren en lagere jongensstemmen zoals de mijne, die trager evolueren naar een hogere mannenstem. Maar ik had de leeftijdsgrens bereikt en moest weg uit het jongenskoor. 'Zwijg maar een jaar', had Noël Van Wambeke gezegd, en dat is een goede raad gebleken.

"Een van de grote evenementen van het koor was de jaarlijkse uitvoering in de Gentse kathedraal van de Mattheüspassion van Bach. Het was een gigantische, romantische uitvoering, en voor de eerste keer hoorde ik zangers zingen met een orkest. In mij ontstond de droom om zelf zanger te worden, maar mijn ouders hadden die typisch voorzichtige Vlaamse ingesteldheid: eerst een diploma. En zoals je weet gold een muziekdiploma niet als een echt diploma. Ik koos voor klassieke filologie. Ik hield van Grieks en Latijn en de hele klassieke cultuur, en omdat ik parallel toch ook nog muziek studeerde, leek die opleiding mij de meest algemene vorming die ik kon volgen.

"Op een dag kwam de Britse contratenor Alfred Deller naar Gent om de Fairy Queen van Purcell uit te voeren. Ik zong in het koor en was in de ban van zijn bijna buitenaardse stem, die met geen enkele andere stem te vergelijken is. Ik kende het bestaan zelfs niet van een contratenor. Later hoorde ik dat die falsetstem in Engeland nog wel in de koren zat - daar was die traditie niet verloren gegaan zoals elders in de wereld - maar Deller was de eerste die er sedert de barok als solist mee naar voren kwam, hij was echt een pionier. Het moet voor hem absoluut niet gemakkelijk geweest zijn. Hij vertelde dat hij ooit een recital gaf in de kleine zaal van het Concertgebouw in Amsterdam en dat hij ermee dreigde niet verder te zingen als het publiek bleef lachen. Er werd over hem verteld dat hij zijn mannelijkheid verloren zou hebben of dat hij gecastreerd was. Daarom placht hij zichzelf voor te stellen als: 'Alfred Deller, four children' en liet hij zijn baard groeien. Die problemen hebben contratenoren nu nog weinig, maar toen ik voor het eerst de altpartij zong in de Matheüspassion in een kerk in Groningen gingen bij mijn eerste recitatief toch ook alle hoofden in verwondering naar omhoog."

'Nu zijn barokopera's weer populair en wordt de contratenor ook gebruikt als surrogaat voor de castraatstem, maar dat is toch niet altijd ideaal. Ik begrijp de regisseurs wel, die hebben graag dat mannenlichaam waaruit dan die onaardse stem komt, maar zuiver muzikaal zijn er slechts enkele contratenoren die aanvaardbaar zijn in sopraancastratenrollen. De meeste falsetstemmen zijn in dat hoge register te schril en hebben te weinig volume in de laagte en in de recitatieven. Het hedendaagse ideaal om die rollen te bezetten bestaat dus niet. De beste oplossing is die rollen door vrouwen te laten zingen, en dat gebeurde vroeger ook. Het androgyne was en vogue in de barok. Zo is in de kleine opera van Hasse Marc'Antonio e Cleopatra de rol van Cleopatra geschreven voor de zeventienjarige sopraancastraat Farinelli. Het was zijn debuut en hij zag er op dat moment, zoals alle jonge castraten, erg meisjesachtig uit. In het begin van hun carrière werden zij dan ook vaak gevraagd voor vrouwenrollen. Antonio was geschreven voor de nog tamelijk jonge Victoria Tesi, die alleen maar mannenrollen zong in een sonore, viriele borststem met virtuoze coloratuur.

"Door Deller ontdekte ik dat ik dat falsetregister ook in mijn stem had. Ik bewonderde hem, terwijl mijn schoolvriendjes fans waren van de Beatles. Popmuziek was voor mij geen optie, ik kan het nu meer appreciëren dan toen. Dat kwam ook omdat ik mij, vooral in mijn jeugd, sterk afzette tegen alles wat mode was, en ik zie dat mijn kinderen dat ook hebben. Dat isoleerde mij, ja. Er zijn momenten geweest waarop ik op de speelplaats van de school uitgelachen werd. Ik heb het overleefd, maar het was triest. Toch bleef ik standvastig: ik wilde zingen zoals Deller.

"Door mijn stem kwam ik dus vanzelf in de barokmuziek terecht, maar het was zeker niet mijn eerste liefde. Dat was Schubert, en hij is nog steeds mijn grote liefde. Onlangs ben ik naar hem teruggekeerd: ik heb een symfonie van hem gedirigeerd in Salzburg en dat was heel bijzonder. Schubert is zo'n ongelooflijke componist. Hij komt op mij heel sympathiek over omdat hij nooit tevreden was over zichzelf. Hij had een natuurlijk talent om liederen te schrijven, maar hij had een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van Beethoven en Haydn. Er bestaan zoveel fragmenten van symfonieën die hij daarom nooit verder heeft uitgewerkt maar die zeer interessant zijn. Die drang naar perfectie herken ik ook, daarom wil ik mij zo verdiepen in de stukken die ik breng. Helaas is de perfectie niet te bereiken, zeker niet bij een operaopvoering. Maar een goede productie waar de persoonlijkheid van regisseur en dirigent en zangers harmoniëren, is een fantastisch plezier. En dan moet er een groot applaus komen! Daar hou ik van, ja. Zeer. Ik kan niet verdragen dat een publiek niet gul is met zijn applaus als ik het een goede uitvoering vond. Helaas krijg je vaak bij een abonnementenpubliek maar een lauw applausje, terwijl iedereen zijn best doet tot en met. Bah. Publiek verschilt enorm van land tot land. Hier in Frankrijk is men iets onstuimiger dan in Brussel. Het hoeft geen staande ovatie te zijn voor alles wat je doet, maar het moet oprecht zijn.

"Schubert was een brok melancholie en dat herken ik maar al te goed, die is ook een stukje van mij. Grote hoogtes van geluk en diepe laagtes. De muziek is daarin een houvast. Zij laat me toe om die melancholie te vatten en te beheersen. Ook in de barok gaat het gelukkig om gevoelens die in muziek worden uitgedrukt en waarin we onszelf terugvinden omdat ze van eeuwige waarde zijn. Händel heeft tegenwoordig bijna een popstatuut, het publiek dweept met hem.

"Misschien klinkt het simplistisch, maar als ik een stuk kies, wil ik in de eerste plaats dat het publiek zich niet verveelt. Er moet zowel dramaturgisch als muzikaal genoeg afwisseling zijn en de personages moeten een zekere geloofwaardigheid hebben. Echte psychologische analyse is er natuurlijk pas na Freud gekomen, maar toch zoek ik opera's uit waar hij ook nog plezier aan zou beleven. Daarom wil ik volgend jaar in de Munt in Brussel Eliogabalo van Francesco Cavalli uitvoeren, een somber en zwart stuk met een libretto waarover gediscussieerd kan worden.

"Tekst is voor mij altijd belangrijk geweest. Van kinds af aan was ik verliefd op zangers die intelligent met de inhoud van hun lied omgingen. Ook toen ik zelf zong, nam ik de tekst altijd au sérieux, maar ik ging er niet zo diep in op als nu. Ik wist toen geen 10 procent van wat ik nu weet. Ik ben intussen ouder geworden natuurlijk, maar ik ben het allemaal blijven bestuderen. Zo wist ik niet - en veel zangers weten dit niet - dat recitatieven in een opera tot in de negentiende eeuw allemaal geschreven werden in verzen van zeven en elf lettergrepen. Je zult zeggen: is dat belangrijk? Ja, want het verklaart veel onverklaarbare dingen in de notering van die recitatieven. Er staan vaak pauzes in en meer dan één dirigent heeft mij gezegd: zing er maar overheen, die pauze heeft geen zin. Nu weet ik dat ze het einde van een vers markeren en dus wel zin hebben. Het publiek, de zangers en de componisten waren destijds veel meer geïnteresseerd in de vorm waarin iets geschreven werd dan nu. Als je hier in Parijs in de Comédie Française naar een stuk van Racine gaat kijken, doen de acteurs er alles aan opdat je toch maar niet zou horen dat het in rijmende alexandrijnen is geschreven. Dat is gelukkig een voorbijgaande trend en ik begin er ook in te slagen om zangers zover te krijgen dat ze er net zo in opgaan als ik.

"Ik bestudeer het libretto tot in de details omdat ik alle schakeringen wil begrijpen. Je kunt zo'n tekst vaak op verschillende manieren lezen, in lagen. Neem La Calisto van Cavalli, dat we al zo vaak hebben uitgevoerd. Dat stuk lijkt libertijns, alle vormen van seksualiteit komen erin voor, maar eigenlijk is het volgens mij ook een religieus stuk. Jupiter verleidt de nimf Calisto, maar als je de woordkeuze ontleedt, begrijp je dat hij eigenlijk de christelijke god is en zij de menselijke ziel, die haar leven op aarde eerst moet uitdoen voordat ze in de hemel kan komen. Dat past in het neoplatonisme, de destijds heersende filosofische stroming die de Griekse mythologie probeerde te verchristelijken. Die subtekst was zelfs de voorwaarde waarop zo'n tekst gedrukt mocht worden. In het geval van Eliogabalo werd de toelating voor het drukken van het libretto nooit gegeven. Het werd gecensureerd en het oorspronkelijke stuk, dat we in de Munt zullen spelen, is, op een recente productie in een klein Italiaans theater na, nooit opgevoerd.

"Van die barokopera's houd je met de partituur eigenlijk 'maar' een schets in handen die je eerst helemaal moet uitwerken. Let wel, het is zoals bij Rubens: zo'n schets is vaak mooier dan het schilderij zelf. Dat uitwerken doe ik het liefst van al omdat je als uitvoerder eigenlijk mee creëert. In de zeventiende eeuw was dat heel gewoon. We weten dat ten tijde van Monteverdi soms tien luiten samen improviseerden of dat twee violisten capabel waren om tijdens repetities een begeleiding uit te werken op basis van niet meer dan een zangstem en de baslijn op de partituur. Dat kunnen we ons nu nog moeilijk voorstellen. We zijn het verleerd door het symfoniseren van de muziek. Daar heb ik uiteraard niets tegen, die fantastische symfonische muziek is echt een gewin, maar in de evolutie van een cultuur gaat winst vaak samen met een verlies. In de opleidingen bleek het van toen af niet langer nodig en zelfs niet meer wenselijk om muzikanten te leren hoe ze kunnen improviseren. Alle aandacht ging naar het virtuoos bespelen van hun instrument. Ik vind het jammer dat het improviseren in de zogenaamd serieuze westerse muziek meer en meer verdwenen is. Voordat de mens kon lezen en schrijven, speelde hij immers al op een instrument, het hoort bij onze muziekcultuur. Vroeger was het ook ondenkbaar dat een muzikant maar één instrument bespeelde of dat hij of zij niet kon zingen. Dat fascineert me geweldig omdat het een veel creatievere omgang was met de muziek. Natuurlijk, als Wagner partituren naar de drukker stuurt, dan is het duidelijk de bedoeling dat niemand daar ooit een noot aan verandert. Bij Monteverdi houd je een documentatiepartituur in handen. Soms staan er aanduidingen over welk instrument er bespeeld kan worden, maar zelfs dat is uitzonderlijk. Ze dienen meer als voorbeeld van hoe het stuk op die bepaalde voorstelling gespeeld werd dan om je op te leggen hoe het moet.

"Ik ga ervan uit dat het hedendaagse publiek over het algemeen niet in het getto van de oude muziek leeft waarin de macrobiotische benadering van de barok door sommige van mijn collega's zich bevindt. Dat was trouwens helemaal niet barok. Geen enkele componist hernam een succesvolle opera in dezelfde vorm als de eerste keer. Er werd erg veel aangepast, naar mijn smaak maakten ze het soms zelfs te bont. Een nieuwe dirigent in een andere stad verving aria's door zijn eigen composities, schrapte scènes, maakte van een tragisch einde een komisch, werkelijk alles kon. Het was ook toen een industrie, al die kleine theaters die een stuk uitvoerden om zoveel mogelijk publiek te trekken en te overleven. Nu beleven we het andere uiterste, alles is droog en rigide, en dat kan voor mij niet. Ik verander geen noot, voeg net als toen gewoon begeleiding toe in functie van de akoestiek van een modern theater. Het heeft tevens als voordeel dat de bewerker het muzikale concept tot op een bepaalde hoogte aan het scenische kan aanpassen. Met enkele jaren ertussen kunnen twee verschillende producties van eenzelfde stuk dan muzikaal totaal anders uitvallen. Met zulke dingen houd ik me graag bezig, net als met het feit dat de zangers perfect Italiaans moeten zingen. Er is altijd een coach. Dat is voor mij het juiste soort purisme."

'Misschien mag ik wel trots zijn op wat ik tot nu toe heb gedaan, maar er is toch nog geen zelfvoldoening, hoor. Alles kan altijd beter. Over sommige plaatopnamen ben ik in hoge mate tevreden. Bij andere moest ik onder stress werken omdat een zanger niet in conditie was of niet echt beantwoordde aan wat van hem of haar verwacht werd, en die plaat moet natuurlijk evengoed uitkomen. Dan is de enige hoop dat de montage de problemen zal kunnen oplossen, maar daar ben ik dan niet zo gelukkig mee. Als alles goed gaat, benader je bij een plaatopname het best de perfectie, en dit jaar heb ik een gelukkig jaar. Maar tegelijk ben ik bang voor hybris, voor het Icarus-effect. Hij vloog hoog, tartte de goden en stortte neer. Ik probeer dus voorzichtig te zijn en vooral niet op mijn lauweren te rusten. Het voordeel is dat ik gaandeweg ben gaan dirigeren, en dat kun je lang doen. Een zanger moet zich op een bepaald moment toch terugtrekken, al heb ik dat nooit gedaan. Ik zing bijna nooit meer, maar het is niet uitgesloten dat ik dat alsnog doe. Mijn stem kan het nog, ik gebruik ze nog tijdens repetities. Maar wat ik niet meer kan, is als zanger op tournee gaan en iedere dag een ander concert zingen. Het zal dus altijd beperkt blijven tot een concert, het liefst in de zomer.

"Verder houd ik me meer en meer bezig met latere muziek, vooral Mozart. In 2005 maak ik een tournee met het Freiburger Barockorchester met La Clemenza di Tito en in 2006 komt Don Giovanni in Parijs. Eén ding kan ik nu al wel met zekerheid zeggen: ik zal het nooit in mijn hoofd krijgen om Verdi te dirigeren. Het is fantastische muziek, daar niet van, maar ik zou de grootste moeilijkheden van de wereld hebben met de zangers en hun ingehamerde tradities. Om die daaruit te krijgen! Ik zou wel graag het symfonische repertoire aanpakken, want het geeft een bevrijdend gevoel om eens een orkest te dirigeren zonder zangers. Niet dat ik niet van hen houd of ze niet begrijp, ik ben er tenslotte zelf een, maar die ego's! Zoals zo vaak heeft dat natuurlijk alles te maken met hun onzekerheid. Ze leven met een instrument dat een deel is van hun lichaam. Altijd weer moet je hen bevestigen, zeggen hoe mooi het is wat ze doen. Iedereen wil geliefd zijn, maar bij zangers is het soms toch wat overdreven."

'Het dirigeren is vanzelf gekomen. Ik ben in Bazel begonnen, waar ik twintig jaar les heb gegeven in de Schola Cantorum Baseliensis. Voor mijn leerlingen dirigeerde ik kleine projectjes en zo kreeg ik de smaak te pakken. Toen werd ik uitgenodigd om in Innsbruck operafragmenten te zingen van Antonio Cesti, een Venetiaanse componist die in Wenen aan het Habsburgse hof werkte. Ik heb altijd graag in bibliotheken geneusd en in mijn zoektocht naar oude opera's stootte ik op een keer op een hele opera van Cesti. Ik dacht: niemand voert die uit, waarom zou ik het zelf niet doen? In die productie zong en dirigeerde ik, al dat keren en draaien voor het publiek was een beetje een circusact, maar het was een succes en toen vroeg de directeur van het festival mij om nog meer werk te dirigeren. Zo is dirigeren veel belangrijker geworden dan ik me ooit had kunnen voorstellen en had ik langzaam maar zeker minder tijd om te zingen. Maar jammer vind ik dat niet echt. Dirigeren is een sociale activiteit, een zanger is eenzamer. Als het herfstweer wordt en de verkoudheden beginnen, is er weer de angst dat je stem het niet meer zal doen. Na het concert ga je dan maar onmiddellijk slapen.

"Het belangrijkste aan dirigeren is communiceren en die groep enthousiast te maken voor een nieuw werk of voor een compositie die ze al zo vaak gespeeld hebben dat ze ze wel kunnen dromen maar die ik op een andere manier aanpak. Je moet tevens een goede psycholoog zijn. Dat heb ik sinds 1985 met iedere keer dirigeren beter geleerd. Je leert vooral een diplomaat te zijn, niet alles te zeggen wat je denkt. Wat ook op een bepaalde manier vermoeit, maar ik hou ervan.

"Ik ben bijna uitsluitend met muziek bezig. Dat te mogen doen is voor mij het grootste geluk. Maar ik moet voorzichtig zijn, ik moet nu enkele weken rust nemen. Het is te veel geweest. Voor het eerst ga ik drie weken met vakantie. Er gaan zeker een paar partituren mee, maar ook boeken. Romans en non-fictieboeken, voornamelijk over politiek. Wat in de wereld gebeurt, en vooral de hele situatie in het Midden-Oosten, interesseert me zeer omdat het zo beangstigend is. Daar ben ik me veel bewuster van geworden door samen te leven met mijn vrouw. Zij is in Teheran geboren. Op haar veertiende kwam ze naar Parijs om verder piano te studeren aan het conservatorium, maar ze is hier gebleven omdat de revolutie uitbrak in Iran. Ze is bovendien van Armeense oorsprong, haar hele familie leeft in ballingschap. De toestand is er het laatste jaar natuurlijk niet beter op geworden. De oorlog tegen het terrorisme wordt helaas totaal verkeerd aangepakt, het kan alleen maar erger worden. Als ik dan details als zeven- en elfgrepige verzen zit te tellen, denk ik inderdaad soms: waar ben ik mee bezig? Met die barokmuziek zal ik de wereld niet veranderen. Maar zonder muziek is het ook niet leefbaar. En al helemaal niet voor mij. "Mijn vrouw was niet mijn eerste liefde, mijn vorige huwelijk is op de klippen gelopen, maar ze is wel mijn grote liefde, daar ben ik zeker van. Ze zit volledig op mijn golflengte en we voelen elkaar heel goed aan. Dat ervaar ik als een groot geluk. Drie van mijn kinderen leven in België, een werkt hier in Parijs en in maart word ik grootvader. Daar kijk ik naar uit. Toen mijn kinderen klein waren kon ik bijna niet geloven dat ze er waren, maar naarmate ze opgroeiden werd het werkelijker. Dan kon ik beter met ze praten en discussiëren, hun problemen bespreken en helpen op te lossen. Als kind hebben ze hun vader niet genoeg gezien, dat is een nadeel van een leven als het mijne. Het voordeel ervan is dat ik alle tijd voor hen neem als ze er zijn. Soms zeggen ze me wel eens: papa, je hebt geluk gehad een passie te hebben in je leven, ik wou dat ik dat ook had. Dat is waar, en ik prijs mezelf gelukkig met mijn passie. Alleen dat perfectionisme is soms een last. Dan zeg ik tegen mezelf: kom, verder, op naar het volgende stuk. Ik blijf maar verbeteren en daar kun je slaaf van worden. Een passie houdt je ook jong. Ik ben net zevenenvijftig geworden. Mijn medestudenten aan de universiteit zijn allemaal leraars oude talen geworden en stilaan met pensioen nu. Dat kan ik me niet voorstellen. Ik ben er ook zeker van dat ze er veel ouder uitzien dan ik. Ik heb zelf drie jaar lesgegeven en ik deed het graag, maar die periode liep parallel met mijn eerste successen als zanger. Ik had al verscheidene keren verlof zonder wedde gevraagd om tournees te maken, en aan het begin van het vierde jaar vroeg ik het opnieuw aan, om een plaat op te kunnen nemen met Gustav Leonhardt. Dat werd mij geweigerd. In een opwelling heb ik beslist: dan kom ik morgen niet meer. Die keuze was snel gemaakt.

"Mijn verjaardag doet me hoe langer hoe meer nadenken over het einde van mijn leven. Er liggen immers minder jaren voor dan achter mij, en dat is niet zo'n prettig gevoel. Maar dat zal wel voor iedereen het geval zijn. Ik zou willen dat er iets was na de dood, maar ik weet het niet. Ik ben christelijk opgevoed, maar een katholiek voel ik me niet. Ik heb te veel kritiek op wat er allemaal in de kerk gebeurt. Het Latijnse woord religio zegt me wel iets, dat wil zeggen: verbonden. Ik voel me verbonden met een hoger wezen, heel erg beïnvloed door zowel de christelijke als de antieke cultuur. Eigenlijk ben ik een neoplatinist."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234