Zondag 24/10/2021

Een hard-

werkende dilettant

door Sophie De Schaepdrijver

Marcel Proust, het beroemdste moederskind uit de Europese literatuur, is in de loop van de twintigste eeuw postuum verheven tot een wetenschap. En met een immer aanzwellend patrimonium aan tijdschriften, monografieën, onderzoekscentra en leerstoelen mag de professionele Proustkunde vol vertrouwen de toekomst tegemoet zien. Temeer daar ook het internet niet ten achter is gebleven in de Marcelogie. Men vindt er amusante amateursites, zoals het elektronische tijdschrift Proust Said That en de stek van de Marcel Proust Support Group, een stel lieden uit San Francisco dat zichzelf elf maanden de tijd heeft gegeven om A la recherche uit te lezen. (Proust als de nieuwste extreme challenge. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.)

Daarnaast biedt het web ook echt geleerde verwijzingen. Bijvoorbeeld informatie over de Proust-ploeg van het Franse Centre National de la Recherche Scientifique: een noeste club die zich wijdt aan het dateren, klasseren, inventariseren, annoteren en anderszins deskundig omlijsten van des schrijvers geringste krabbel. Geen geringe opdracht, gegeven Prousts barokke schrijfdiscipline. Hij placht zijn uitgevers te pijnigen met uitzinnig 'gecorrigeerde' drukproeven: doorhalingen, verplaatsingen, en hele extra alinea's in de marges en op links en rechts aangeplakte repen papier. (Een zo'n 'aangevulde' pagina bleek bij het uitvouwen anderhalve meter breed. Tekstverwerking!)

Meer Prouststudie wordt verricht bij het Kolb-Proust Archive for Research, aan de universiteit van Illinois in het midwesterse Urbana-Champaign - een gemeente die, ondanks haar naam, niets stedelijks of schuimwijnachtigs heeft. Er wordt voornamelijk hard gewerkt. Het archief bezit, behalve veertigduizend steekkaarten met verwijzingen naar Proustiana, de grootste collectie Proust-brieven ter wereld (elfduizend). Een collectie die tot stand kwam dankzij de tomeloze ijver van Philip Kolb, een filoloog uit Chicago die in 1938 op Prousts brieven promoveerde, om daarna zijn hele werkende leven aan de man te wijden. (Op de oorlogsjaren na, die hij in de Navy doorbracht, wat hem nog een Belgische medaille opleverde.) Niet dat Kolb zichzelf ooit de onpeilbaarheid van zijn onderwerp verheelde. Een heel leven, schreef hij, kon niet volstaan om "in de diepte de onnoembaar vele facetten van Prousts universum te doorgronden". Deze vaststelling deed overigens niets af aan zijn werklust: toen Kolb in 1992 stierf, was hij de drukproeven aan het corrigeren van het 21ste deel van de correspondentie.

De wereld mag hem dankbaar zijn, want Prousts brieven zijn een weelde, wijs en werelds. Soms aanzienlijk meer werelds dan wijs, want voor alles was Proust een sociabel mens - en sociabiliteit vergt een talent voor inlevend gebabbel. Dat hij óók bezat. Getuige een briefje uit augustus 1904 aan zijn vriend prins Antoine Bibesco, een jonge, knappe Roemeense diplomaat en ladies' man: "Hoe gaat het met je? Laat je nog eens iets van je horen? (...) Ik ben een paar dagen op het jacht van de Billy's schoonvader geweest. Mooi schip, mooie besturing, mooie vrouwen." Babbel, babbel. Juist dat mondaine aura om Proust benevelde voor sommige tijdgenoten het zicht op zijn schrijverschap. Een schrijver die van zijn erfenis leefde (wat zeg ik, leefde, in de Ritz uit souperen ging) en omging met de Greffulhes, de prinsen Murat en de Caraman-Chimays of het niks was: kon dat een serieuze schrijver zijn? Nee toch zeker? Nog in 1914 schreef een criticus in de prestigieuze Nouvelle Revue Française dat Du côté de chez Swann duidelijk het resultaat was van jaren vrije tijd - te véél vrije tijd. De man was duidelijk een vorm van tijdsmanagementsdenken in de bellettrie toegedaan en achtte Prousts boek klaarblijkelijk niet voldoende "efficiënt". Wellicht vond hij dat het allemaal wat compacter had gekund. ("Een welgesteld Parijzenaar gaat een verhouding aan met een voormalige cocotte, en maakt daarbij vele jaloerse crises door. Ook cakejes en bedlegerige tantes spelen een rol.") André Gide, toch geen onnozel mens, had Prousts roman zelfs verworpen voor publicatie in diezelfde NRF. Ongelezen dan nog - eenvoudig omdat hij de schrijver in al te veel salons had ontwaard. Wel had Gide het fatsoen om Marcel naderhand nederig om vergiffenis te vragen. "Ik zag u - zal ik het maar bekennen? - als een snob, een mondaine dilettant, die in ons tijdschrift niet thuishoorde".

Proust werd afgedaan als een dilettant met geld van zichzelf, een type burger dat op weinig fiducie kon rekenen in de gestrenge artistieke kringen van toen. (Het is vandaag niet anders.) Ook de wonderbaarlijke impressionist Caillebotte, bijvoorbeeld, werd nimmer echt serieus genomen, omdat hij geld had en zijn schilderende vrienden ondersteunde. Prousts 'dilettantisme' stak schril af bij de loopbanen van zijn vader en broer, artsen allebei, maatschappelijk hoog aangeziene deskundigen met tastbare carrières, aantoonbaar nut voor de samenleving, prestige. Wie ooit als onnutte boekenwurm aan een familiediner heeft aangezeten in het gezelschap van doktoren ("Wat jij doet, is daar eigenlijk vraag naar?"), voelt de gapende afstand tussen beide levensvervullingen. Sterker, Marcels keuze voor het schrijverschap gold lange tijd zelfs bij dierbaren als niet echt een levensvervulling.

Toch kon hij niet anders. De kaders van het professionalisme waren de zijne niet; zelfs de gedachte aan een leerstoel in de kunstgeschiedenis of de filologie verwierp hij, al had hij het in die branches ver kunnen brengen. Het was zijn universum niet. Het bestudeerde beroepsliteratendom à la Cocteau - het door elkaar halen van literatuur en leven op het cynische af - was dat al evenmin. Het leven, zo schreef hij, diende de literatuur te voeden, niet omgekeerd. Men mocht de literatuur niet toestaan om "onze maatschappelijke banden te vertekenen, het morele fundament ervan aan te tasten". Ziekelijk, beminnelijk en scherpzinnig, koos hij ervoor het leven aan te vatten zonder het wapenschild van het zelfgenoegzame gildedenken. "Ik als schrijver. Ik als intellectueel. Ik als deskundige." Niets van dat alles. En maakte deze weigering hem tot dilettant, welnu, dan maar dilettant. Een amateur die, driekwart eeuw na zijn verscheiden, duizend carrières doet bloeien, een dilettant wiens werk een leger professionelen op de been houdt: hier zit ongetwijfeld een les in. Al zou ik dat examen toch maar doen als ik u was.

Voor een zeer degelijke biografie van Proust kunt u terecht bij William C. Carter, Marcel Proust: A Life (Yale University Press, 2000). Alain de Bottons Hoe Proust je leven kan veranderen (Atlas, 1999) is een wijs en geestig boek.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234