Woensdag 20/01/2021

Een halve slaapplaats naar Mumbai

Een hele slaapplaats was beter geweest, voor een rit van 23 uur. Plaats nummer 7: comfortabel is het nog net. Hongerige landlozen, luide verkopers en Ajit, de man op nummer 8, treinen naar Mumbai. Rudi Rotthier reist met hen mee. 'We geloven dat ongeluk stopt in Shirdi.'

Pats! Je weet dat de trein goed en wel vertrokken is als de hijra opdaagt. Hij, of zij, is in dit geval slecht geschoren maar draagt een onberispelijke sari om haar elegante leden, heeft weelderig, goed gecoiffeerd haar, en mept mannen, en vrouwen, die geen of een te karig aalmoes met hem delen, ergens op het hoofd, kruin, achterhoofd, voorhoofd, schedel. Mijn compartimentgenoten in de Punjab Mail geven braafjes en naar lokale normen veel, niet zozeer omdat de hijra geluk brengt, maar omdat hij/zij een vloek kan uitspreken en de toekomst kan bezwaren, of in ieder geval de rit kan verklooien. Vrouwen geven geamuseerd een bankbiljet dat ergens in een beha belandt, mannen geven prompt en licht gegeneerd. Want dat is ook deel van de hijra-strategie: hoe sneller je hem geeft hoe sneller hij verdwijnt, hoe sneller het risico op een gênante situatie verdwijnt.

Pats! De goddeloosheid staat blijkbaar op mijn voorhoofd te lezen. Ik wek steevast de niet heel tedere agressie op van al wie het hogere vertegenwoordigt: tulku's, priesters, sadhu's, goeroes, en dus ook, hoger/lager, van deze hijra, die haar lippen bevochtigt terwijl ze de scepsis uit mijn hoofd slaat. Ik geef een roepie, te weinig, hef mijn armen in verdediging tegen een tweede, en ongetwijfeld nog fellere klap. Wanneer ik schrikkerig opkijk, is de diva verdwenen en sta ik oog in oog met de toegeeflijk glimlachende ticketcontroleur.

Hij kijkt langdurig naar de vele bladzijden lange lijst met gereserveerde plaatsen en mensen die de wachtlijsten bevolken.

"Mmm", zegt hij uiteindelijk, "Je hebt een halve slaapplaats. Slaapwagen 5, plaats 7, half."

Ik neem blijkbaar een positie in tussen reservatie en wachtlijst.

"Een halve plaats is niet slecht. Je deelt die plaats met een twintigjarige vrouw. Een sikh. Een volle slaapplaats ware beter voor een rit die 23 uur duurt."

Na elke uitspraak laat hij een stilte vallen, om opnieuw naar zijn lijsten te turen, of om de mogelijkheid van baksjisj, van een fooi, open te laten.

Ik ben dik tevreden met een halve plaats, zeg ik.

"Neen, neen, jij zult vannacht goed slapen."

Hij toont zich ineens enthousiast. "Die vrouw had ook in Agra op de trein moeten stappen. Heb je haar gezien?"

"Eh, neen."

"Dan heb je geluk. De andere helft van de slaapplaats is niet opgestapt. Je hebt een hele slaapplaats. Plaats nummer 7, geheel."

"Bedankt."

"Geheel."

Hij aarzelt en zoekt woorden om nog iets heel enthousiasts te kunnen vertellen.

"Je zit goed tot Mumbai."

"Perfect, nogmaals bedankt."

"Niemand zal je nog komen lastigvallen."

"Oké."

Zo gaat het nog enkele keren over en weer, tot hij, zonder fooi, een volgend twijfelgeval met halve slaapplaats gaat opzoeken.

Mars voor land

Aan de eerstvolgende stop, Dholpur, stapt Ajit Singh op, samen met zijn beste vriend en diens zoon. Ajit neemt plaats nummer 8 in, wat betekent dat hij overdag de andere helft van mijn nu hele slaapplaats als zitje gebruikt, en zich 's avonds te ruste kan leggen in de hoger gelegen slaapplaats 8, die overdag dienst doet als bagagerek.

"Moe", zucht hij. "Ik woon in Jaipur. Heb de hele nacht met de auto naar Dholpur gereden. Heb al een hele poos niet meer gegeten." Daar wil zijn beste vriend verandering in brengen: hij torst aan een dikke koffer die niets bevat dan voedsel dat hun echtgenotes hebben geprepareerd. "Hier komen we het weekend mee door." De vriend biedt me suikergoed aan. Ajit wijst het voedsel af: "Eerst rusten en rustig worden."

Een groep sleept zich van wagon naar volle wagon in de hoop op plaats. De vrouwen nestelen zich in de opstapruimte, in het deurgat, waar een van hen haar benen in de wind laat bungelen. Een van de mannen, met borstelige snor, en een katoenen dhoti om zijn lenden geknoopt, blote luciferbeentjes, palmt een fractie van plaats 7 in. Ram heet hij. Ik maak me zo klein mogelijk zodat Ram op meer dan één bil kan zitten.

Ajit is niet tevreden. Hij blaft Ram wat toe, maar die laat de kastijding zonder verpinken over zich heen gaan. "Hij heeft geen reservatie, zelfs geen ticket. Je moet beseffen, als je op een Indiase trein plaats maakt, zul je de hele rit oncomfortabel reizen. Laat staan dat je plaats maakt voor mensen zonder ticket."

De ticketcontroleur, die geregeld passeert, laat de groep ongemoeid. Deze mensen staan niet op zijn lijst, en hebben niet de ambitie er op te gaan staan. Ze willen een uur of vier meerijden - tot in Lalitpur, meer niet. In Lalitpur moeten ze een bus nemen, en uiteindelijk zullen ze nog enkele uren moeten lopen alvorens ze hun dorp in de staat Madhya Pradesh bereiken.

Ram is op de terugweg van een mars voor land. Met 50.000 hebben landlozen gemarcheerd van Gwalior naar Agra. Ze eisten land, ongeveer een hectare per familie, om op te werken en op te wonen - iets wat hen al sinds de eerste grondwet van India is beloofd toen die zestig jaar geleden werd geschreven. Eigenlijk hadden ze met hun mars de hoofdstad Delhi willen bereiken, maar gisterochtend heeft een minister de eisen van de landlozen ingewilligd. Sindsdien zijn Ram en de zijnen op de terugweg. Ze hebben gisteren al een trein genomen, maar na een uurtje werden ze er uitgezet, en hebben ze de nacht in Dholpur doorgebracht.

Hij lijkt niet heel vrolijk met de toezegging van de minister. "Nu begint het pas", zegt hij.

Ajit wordt wat minder vijandig, of wat minder moe, al verhindert hij een gezel van Ram om een deel van zijn plaats in te palmen. Hij vertaalt Rams verhaal.

Ram is niet landloos geboren. Zijn familie bewerkte een stukje land, maar hij was de akte kwijt, een grootgrondbezitter kon wel een met documenten ondersteunde claim voorleggen en Ram en de zijnen zijn een jaar of tien geleden van hun eigen land verdreven. De lokale mandataris weigert hem toegang te geven of de grootgrondbezitter die het land heeft ingepalmd uit te zetten. Diezelfde machthebber zal nu de nieuwe regeling moeten uitvoeren - het valt af te wachten wat daarvan komt. Een ander lid van het groepje is zijn land kwijt gespeeld toen hij een schuld wilde afbetalen. Zijn schuld is nog altijd niet helemaal afgelost - zal het nieuwe stukje land door de schuldeiser worden opgeëist of zijn er garanties in de nieuwe regeling voorzien?

Het is in dit land moeilijk om dingen echt te veranderen, mokt Ajit, "je moet vaak dokken als je wilt dat een ambtenaar de wet uitvoert. En als iemand anders meer dokt, ben je de klos."

Dus deze mensen zijn met een kluitje het riet ingestuurd?

"Ze hebben twee weken gezamenlijk gemarcheerd, ze zijn in contact gekomen met de wereld buiten hun dorp, dat is allicht een goede zaak. Je kunt je niet voorstellen hoe beklemmend een dorp kan zijn. Ik zou trouwens niet in hun schoenen willen staan. Als bekend wordt wat ze gedaan hebben, stuurt die grootgrondbezitter misschien een knokploeg op hen af."

Thee, snacks en honger

De trein behoort duidelijk tot de wereld buiten hun dorp. Ram kijkt geïntrigeerd naar de gestage stroom luide verkopers, die voor weinig geld thee, snacks, boeken en speelgoed verkopen. Zelfs de goedkope, met doordringende keelklanken aangeprezen chai is voor hem te duur. Hij kijkt niet begerig, hij kijkt als een toeschouwer die niet echt aan dit leven deelneemt, maar die ook niets van het spektakel wil missen.

De groep drinkt water uit verweerde plastic flessen die aan elke halte worden bijgevuld. De vrouw die zich over de bagage ontfermt - een dichtgebonden doek - laat een pakje melkkoekjes circuleren. Dan neemt elk ondanks de honger - ze leefden gedurende hun mars van een sobere maaltijd per dag - gedisciplineerd één uitgedroogd koekje, waarop ze zo lang mogelijk kauwen. Vervolgens bergt de vrouw de restende koekjes, die ze natelt, weer op. Het zijn er te weinig voor een tweede rondje. De volgende keer neemt elk een half koekje.

Ram slaat zich af en toe op de buik - ik vermoed tegen de honger. En toch wijst niets in zijn blik erop dat hij een van de vele passerende snacks zou willen kopen.

Wat een mooi land hebben jullie, zeg ik tegen Ajit, in de veronderstelling dat hij het ook vertaalt. Hij wrijft zijn dun, grijzend snorretje glad, en kijkt me vragend maar welwillend aan.

"Wat is er mooi aan?"

Ik wijs naar voorbijglijdend Madhya Pradesh, de ene keer heuvelachtig met bizarre rotsformaties, de andere keer glad, de ene keer bebost, de andere keer uitgedroogd, de ene keer vol weelderige tarwe, de andere keer gesneden door rivieren waarin buffels koelte zoeken. Een groep kleurrijk geklede mannen zit rustig langs het spoor te kakken, en te keuvelen ondertussen. Ik zou nergens liever willen zijn dan hier, op mijn intussen kwartje slaapplaats, tussen vermoeide manifestanten en andere reizigers, die hun valies vol proviand uit mededogen met de hongerigen aan boord voorlopig ongemoeid laten.

Ik vraag aan Ajit hoe ver hij reist. Hij geeft een onrechtstreeks antwoord. "Wij Indiërs", zegt hij, "geloven niet dat het lot voor verandering vatbaar is."

Ik vraag me af of hij nog verwijst naar de landlozen en hun strijd.

"Dat is onze filosofie. Soms zit het leven mee, vaak zit het tegen, en dat heb je maar te accepteren."

De voorbije twee jaar is alles fout gelopen wat fout kon lopen. "Mijn broer werkte bij de spoorwegen en hij werd bij een ongeval onthoofd. Mijn moeder overleed. Mijn vader werd getroffen door een beroerte en hij moet wekelijks twee keer aan de nierdialyse - zijn nierfunctie is teruggevallen tot een derde van normaal. Hij kan de dialyse eigenlijk niet betalen. Mijn andere broer is uit zijn woning gezet, na een juridisch dispuut met een buurman."

Hij pauzeert terwijl de Punjab Mail met groot kabaal een brug oversteekt. "Met mijn kinderen en echtgenote gaat het behoorlijk, maar ik werk mijn leven lang heel hard en ik word niet navenant verloond."

Hij werkt als ingenieur voor het ministerie van Openbare Werken.

"Het lot is onontkoombaar, maar..."

Ik wil verwijzen naar de landlozen die ondanks vele tegenslagen toch proberen hun situatie te verbeteren, maar een nieuwe brug maakt een dialoog tijdelijk onmogelijk.

"Ken je Sai Baba?"

Ik ken er zelfs twee. De ene, onlangs overleden, te herkennen aan elektrocutiehaar, werd door een goochelaar als een charlatan ontmaskerd, en de andere, een 19de-eeuwse, wordt nog altijd met ontelbare portretten vereerd.

"Ik heb het over die oudere Sai Baba. Hij leefde in Shirdi, we beschouwen hem als heilig of misschien zelfs als God. Hij trok vertegenwoordigers van alle godsdiensten aan. Nu nog altijd zijn er vele moslims en christenen die naar zijn tempel komen. Hij was tegen kasteverschillen, en tegen dogma's, en tegen alles wat mensen het idee gaf dat hun god verschillend was van de god van een ander. Hij wou gewoon dat mensen mekaar zouden helpen."

Ik kijk naar de gezellen van Ram, die, als Ajit een beetje plaats zou ruimen, een beter zitje zouden vinden.

"We stappen rond een uur of twee vannacht in Manmad uit, en nemen dan een andere trein naar Shirdi. We geloven dat ongeluk stopt in Shirdi. Het lot verandert niet noodzakelijk, verre van, maar als je je in de juiste gemoedstoestand bevindt, en als God zich mild toont, is er een kleine kans dat je het achteraf beter stelt dan voordien."

En daarvoor dient deze reis?

Ajit leunt door het open raam. De wind droogt een begin van tranen in zijn ogen.

"We hebben niet veel tijd."

Ze blijven hooguit een halve dag in Shirdi. Daarna trekken ze naar de Shiva-tempel in Nasik, waar, zo gaat de legende, de horoscoop kan worden aangepast.

Je wilt de stand van je sterren veranderen?

"Ik zie zo dat je geen man van god bent. Je kunt natuurlijk de stand van de sterren niet veranderen, maar als je in Nasik passeert, zie je ineens de mogelijkheid van een andere lezing, of is er een priester die een andere lezing geeft. Opnieuw, het lot verandert niet noodzakelijk, het verandert waarschijnlijk helemaal niet, maar je moest eens weten hoe mijn familie al opgekikkerd is sinds we deze tocht plannen. Over twee dagen keren we uit Nasik terug, en wie weet hoe de wereld er dan uitziet?"

Hij wordt door het thuisfront gebeld. Zijn vrouw vraagt of het eten smaakt. Hij zegt van wel, hoewel hij nog altijd niets gegeten heeft.

Ik wacht tot na Lalitpur alvorens ik mijn eerste maaltijd nuttig, roti met koude, en nogal smakeloze aardappelcurry, die in een uit geweven bladeren vervaardigd bordje wordt geserveerd. Ram en de zijnen werden ietwat nerveus toen ze het station naderden. De trein stopt er officieel maar twee minuten, maar dat was voldoende voor de licht reizende landlozen. Ik zwaai hen na. Hun aandacht wordt al afgeleid door de psychedelisch fonkelende weegschaal die zowel het gewicht als de toekomst in gelijk vage termen aanduidt. Bij mijn recentste poging om op zo'n weegschaal te gaan staan, was er alleen een 8 zichtbaar, en werd ik aangemaand beter mijn best te doen - dat zou lonen.

Eén halte verder

Een groep politieagenten neemt de plaats in van de landlozen, en vervolgens ambtenaren die maar een halte verder willen. Ajit trekt zich terug in zijn slaapplaats waar hij om de haverklap door het thuisfront wordt gebeld. Hij wordt vrolijker naarmate het doel nadert.

De ambtenaren worden vervangen door twee vrouwen, schoonmoeder en dochter, waarbij de dochter een baby torst. De oudere vrouw neemt de plaats in waar Ajit tevoren zat, en haar dochter zit aan het voeteind van een slaper. Ze moeten maar één halte verder, beweren ze eerst, al weten ze niet hoe die halte heet. Als we al ettelijke haltes verder zijn, beweren ze nog altijd dat de volgende halte de goede zal zijn.

De oudere vrouw is verslingerd aan pan, de combinatie van een blad met kruiden en anijs, die voor een rode mond en rood spuug zorgt en die de spijsvertering zou stimuleren. Ze duwt een geprepareerd blad in haar mond, en als ze door het raam spuwt, voel ik druppels weer naar binnen waaien. Haar schoondochter is helemaal gesluierd. Ik zie in eerste instantie alleen fonkelende ogen. Maar naarmate het duister veld wint, en haar baby lastiger wordt, zakt de sluier en ontstaat een soort gezichtsdecolleté. Ik zie eerst fragmenten van een neus, en daarna een begin van mond. Uiteindelijk gaat de hoofddoek helemaal af en wordt vermoeienis zichtbaar. De ogen lijken ineens niet meer te fonkelen.

Als Ajit, zijn beste vriend en diens zoon in Manmad de trein verlaten, blijven de vrouwen nog altijd aan boord - zonder ticket en ongecontroleerd.

Ik wens Ajit het beste met zijn tegenvallende lot. "Ik zoek het onmogelijke", geeft hij toe, "ik moet maar niet te veel verwachten."

Ik val uiteindelijk in slaap. Als ik wakker word, rijdt een lege trein Mumbai binnen. De vrouwen hebben dan toch een station bereikt dat hen aanstond.

Enkele kinderen zoeken in de lege trein naar bruikbaar spul, naar plastic flessen vooral. En onder de trein haasten ratten zich - ik weet niet waar voor hen de attractie schuilt van een verse trein.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234