Dinsdag 15/10/2019

Allemaal de ploeg van 't Stad

"Eén grote ploeg voor Antwerpen is realistisch. Maar voor het ego is dat bijna onmogelijk"

Karel Karsman, geboren met een hart voor Berchem, kalkt de lijnen in het stadion. Beeld Diego Franssens

Voetbal leefde altijd al in Antwerpen en nu wordt de verleden tijd weer heden: Antwerp, Beerschot én Berchem zijn kampioen, elk in hun eigen klasse. Wandelend langs de stadions verraadt de geschiedenis nog veel strijd.

Hij doet de lijnen, onderhoudt de ‘cabine’ van de scheidsrechter en is ‘alle dagen’ op de club. Hij is Karel Karsman en bij thuismatchen van Berchem zit Karel op stoel 168. Sinds 1949 miste hij er niet veel. Karel was toen zes. “Toen ik later verkering kreeg met een meisje uit Kessel, bracht ik haar op zondag om halfdrie naar de trein. Dan was ik op tijd voor de match. We zijn nu toch al vijftig jaar samen.”

Verwar liefde niet met clubliefde. Dat is iets helemaal anders. Bill Shankly, ooit coach bij Liverpool, zei dat het best: “Some people believe football is a matter of life and death. I’m very disappointed with that attitude. I can assure you it is much, much more important than that.”

Zeker in Antwerpen. Daar roepen ze in Berchem “boeren buiten!” als de tegenstander uit Spouwen-Mopertingen zich aanstelt. Antwerp-vrijwilliger Fons Van der Berckt zegt er dat zijn club ‘twaalf en één’-seizoenen geleden in eerste klasse speelde: het nummer 13, stamnummer van Beerschot, krijgt hij niet uitgesproken. En in Beerschot heeft materiaalman Seba Rodriguez geen rood in de kleerkast: “De kleur van de ander? Zot.”

Vispannetje

We rijden naar de Berchemstadionstraat (Antwerpse straatnamen zijn niet moeilijk). We zien dat een staanplaats hier 10 euro kost. In het Ludo Coeck­stadion van Berchem kunnen 13.607 mensen zitten, maar met duizend waren ze dit jaar ook al blij. Alleen vorige week moest er een tent gezet worden achter de goal om 450 eters te kunnen ontvangen en waren nog eens zesduizend mensen naar het stadion afgezakt. Kampioen zijn is plezant.

We lopen door de catacomben omdat vrijwilliger Steven Verberckmoes ons graag meeneemt. Kijk, daar staan de voederbakjes van de kat die Rosco heet. Zij behoedt Berchem voor muizen. En kijk hier, de glorieuze historie van de club. Netjes aan de muren vastgeankerd. “Dit was Ludo Coeck”, toont voorzitter Karel Van Daele. “Hij speelde maar zes maanden in de eerste ploeg. Toen kwam Anderlecht hem al halen.” De Berchem-supporters waren boos en protesteerden met spandoeken: ‘Coeck = Cruijff’. Ze zijn allebei dood nu.

Het Ludo Coeck­stadion van Berchem, met beschermde boog. Beeld Diego Franssens

Kampioen in eerste klasse werd de club nooit, maar wel drie keer tweede: in ’49, ’50 en ’51. Maar in 1987 degradeerde Berchem Sport voor het laatst uit de hoogste afdeling en nu zijn we dertig jaar later.

Het stadion is dat ook. je ziet reclame voor ‘Gelateria Willy Vanilli’ (ijsshop te Wilrijk & Antwerpen), ‘Geen toegang voor brommers’ zegt een bordje en in ‘De Chalet’ at je vorige vrijdag voor 11 euro een ‘Vis­pannetje met puree’. De dood kan hier alleen komen van woorden als ‘professionalisering’. Want die raken de ziel.

Sintelbaan

Toen Lokeren drie jaar geleden de Engelse ploeg Hull City ontving, kwamen tien Britse supporters naar Berchem om foto’s te nemen van dit stadion. Gebouwd in 1906, rondom zie je nog de sporen van de weggenomen sintelbaan, de boog bij de ingang is beschermd. Maar het houtwerk in het materiaalkot verpulvert en de tribunes verbrokkelen. Barechoem – zo spreek je dat hier uit en in De Chalet zie je dat ook op een sjaal – is een oude club. Stamnummer 28. “Het is een idyllische plek.” Wat voor de businessseats zou moeten doorgaan, heet hier ‘De Senaat’: een zaaltje met zestien kunstleren stoelen en 96 ‘eetplaatsen’.

De aftandse tribune van 'Barechoem', Berchem dus. Beeld Diego Franssens

“Al moeten we eerlijk zijn”, zegt Karel Van Daele. “Nostalgie is misschien schoon. Maar de kosten voor gas en elektriek zijn enorm. Je moet dat hier eens warm krijgen. Het is niet geïsoleerd. Het gaat de supporters pijn doen, maar als je vooruit wil, ook met de jeugd, moet er een nieuw stadion komen. In 2019.”

Er is weinig veranderd. In deze kleedkamer, waar Moussa Dembélé, Ludo Coeck dus, Dick Advocaat zelfs en Rik Coppens zich omkleedden, drogen de voetbalschoenen van de helden van nu. Verhalen zat. Van die keer dat de mist zo dik was dat ze aan de ene kant van het veld via orale overlevering moesten horen dat er aan de andere kant gescoord was. Van toen ze bijna kampioen werden, als Anderlecht op hetzelfde moment thuis maar niet zou winnen van Beerschot. 

“Later was Rik Coppens trainer bij ons en die vertelde dat de arbiter voor de match in de kleedkamer van Beerschot was binnengekomen en had gezegd: ‘Mannen, jullie weten toch ook wie de beste ploeg van België is.’ Het werd 3-1 en Anderlecht was kampioen.” Van die keer dat ze op Barcelona mochten spelen. 40.000 man! Helaas was er toen geen terugmatch in wat toen nog Het Rooi heette.

Berchem minuut

Karel Karsman zag het allemaal en hij ziet het nog. Hij was erbij toen 'de eerste zwarte' bij Berchem speelde, tijdens de match tegen Sint-Truiden gekwetst raakte, naar ‘het gasthuis’ werd gebracht en eens genaaid teruggebracht werd en opnieuw zijn plaats op het veld innam.

Karel Karsman kijkt uit over ‘zijn’ Berchem. Beeld Diego Franssens

Het waren die tijden. En toen de tribune eind jaren 50 afbrandde, speelde geel-zwart even in het stadion van Antwerp. Thuis op de Bosuil? “De concurrentie in ’t stad speelt toch vooral tussen Antwerp en Beerschot. Ik denk dat wij een beter contact hebben met die mannen. Wij zijn wat rustiger.”

Rondom dit stadion wonen weinig mensen nog. Er zijn bedrijven en Berchem, dat is toch ook Zurenborg: links bakfietsen-Antwerpen, café Zeezicht op de Dageraad­plaats, veel clichés. Maar Berchem is dus ook dit. Met duizenden zot van vreugde als ze kampioen worden (iedereen viert graag succes), maar vooral die paar trouwe mensen die elke thuismatch in de 28ste minuut zestig seconden lang ‘Berchem Minuut’ roepen. Tot net voor de 29ste minuut het stamnummer herdenkend.

Den Bosuil

Since 1880 – ook dat zal wel traditie zijn, maar bij de Royal Antwerp Football Club spreken ze dus graag Engels. Ze zijn The Great Old en number One. Er is een Antwerp Executive Loge.

Toch voetballen ook zij gewoon op den Bosuil en al 42 jaar is Fons Van der Berckt er vrijwilliger. Volunteers Manager staat op zijn kaartje. “In het spelershome ligt 550 vierkante meter vloer. Die heb ik gelegd. Gratis.”

Fons Van der Berckt, vrijwilliger bij de Royal Antwerp Football Club. Beeld Diego Franssens

Fons heeft de sleutels van het hele Bosuil­stadion en misschien is dit wel de laatste rondleiding die hij geeft. Want ze gaan weer naar eerste en ze krijgen een nieuwe hoofdtribune. Dat is nodig. “We zijn de hele tijd aan het repareren.” Als we helemaal boven naar het ‘kiekenkot’ stappen, waar de camera’s van Proximus TV mogen staan, wijst hij op alle gevaren: vooral het hoofd niet stoten tegen de ijzeren gebinten, daar komt het op aan. “Toch is het stadion nog goedgekeurd door de Belgische Voetbalbond.”

Deze week verwierf Antwerp zekerheid over zijn licentie en dus speelt de ploeg vanaf de zomer weer in eerste klasse. Dat is dertien jaar geleden, maar dat kan Fons dus niet zeggen. “We speelden twaalf en één jaar in tweede”, zegt hij. “Dat andere getal is van die ploeg aan de andere kant van ’t stad. Naar Beerschot ben ik nog niet één keer mee geweest. En dat zal ik ook nooit doen. Mijn vrouw is al lang ziek. We wonen in Sint-Job-in-’t-Goor en ze ligt thuis in bed en op de zetel. Ik ben elke dag hier, maar om 9, 12 en 15 uur moet ze me bellen. Belt ze niet, dan rijd ik naar huis. Zo erg is ze eraan toe. Maar toen op een dag via haar werk een boeket bloemen werd gebracht, zaten daar twee mauve bloemen bij. Hoe ziek ze ook was: die bloemen waren er metéén uit.”

Eeuwenoude wonden

Half maart werd Antwerp kampioen en in De Tijd las je dit: “Met promotie naar eerste klasse volgend seizoen ontstaat een nieuw momentum om voetbalclub Antwerp naar de top van het voetbal te leiden. Met sterke man Paul Gheysens is er geld en burgemeester Bart De Wever is bereid politiek te steunen.” In Het Belang van Limburg zei ex-verdediger Marc Hendrikx: “Het is hét moment voor één Antwerpse topclub.”

Momentje. Fons? “Wat er gebeurd is, blijft lang hangen. Ooit waren we één club, maar toen hebben zij (doelt op Beerschot, red.) het Olympisch Stadion gebouwd en zijn wij naar hier gekomen.” We spreken van 1880, 1899, 1920 – dat is een eeuw en meer geleden. Fons knikt. “Jaja. We kunnen dat niet vergeten.”

De tribune van het Bosuilstadion, thuishaven van Antwerp. Beeld Diego Franssens

Wat ze evenmin kunnen vergeten, is hoe ex-voorzitter Eddy Wauters geld blijft terugeisen van de club en dat zie je in de tribune achter de goal. Op een groot bord hangen acht koppen van clubiconen. Je herkent Rudi Smidts, Alex Czerniatynski en Hans-Peter Lehnhoff. Een negende kop, pal in het midden, werd verwijderd. “Daar hing Eddy Wauters.” Ik moet weer aan Bill Shankly denken: “...much, much more important than that.”

Paars-wit bastion

“Dat is geen club, da’s een project!” Hij had de anekdote al eens verteld toen we half maart samen naar de match van Berchem tegen Spouwen-Mopertingen stonden te kijken. Vorig jaar speelde Beerschot-Wilrijk op Barechoem en paars-wit bracht duizenden supporters mee. Veel lawaai. Ze zouden winnen. Maar het werd 2-0 voor Berchem en stil dropen ze terug naar het Kiel af. Toen riepen de Berchem-supporters dat: “Dat is geen club, da’s een project.” En nu sms’t die vriend hetzelfde als ik hem een foto stuur vanop het gras in Beerschot.

Seba Rodriguez voelt de pijn van de nederlaag nog. De materiaalman van Beerschot weet ook dat ‘de anderen’ nooit het nummer 13 in de mond zullen nemen. Maar hij haat rood en zegt dat je dat hier in dit paars-wit geverfde Olympisch Stadion ook niet makkelijk zult vinden. Fotograaf Diego wijst op de brandkraan. “Die kraan is van de stad. Daar kunnen we niks aan doen.”

Materiaalman Seba Rodriguez. Beeld Diego Franssens

Café Athletiek aan de VIIde-Olympiade­laan is dicht, maar boven de toegangspoort van Beerschot staat de fiere leuze ‘Tene Quod Bene’ en binnen draaien truitjes in het waslokaal dat behangen is met fanions: Olympique Marseille, Galatasaray, Real Madrid, Heart of Midlothian.

Tot 2013 speelde Beerschot in eerste afdeling. Toen werd de club failliet verklaard. “De fusie met Wilrijk heeft ons gered en we moeten die mensen dankbaar zijn”, zegt Rodriguez. “Maar Wilrijk brengt twintig supporters mee en wij 10.000. Je kunt die mensen moeilijk vragen om ‘Wilrijk’ te roepen.”

Zelf heeft hij Spaanse roots en dat was in deze Antwerpse buurt niet uitzonderlijk. In 1969 verliet Seba’s vader Sevilla om in de haven te werken en in de buurt van het Kiel ontstond een grote Spaanse gemeenschap. Zeker tweeduizend man. Cafés die ‘Andalucia’ heetten en ‘Costa del Sol’. Of ‘Las Mañas’. “De concurrentie in die cafés kon je vergelijken met de concurrentie tussen Barcelona en Real Madrid. Maar één speler verbond iedereen bij Beerschot: Juan Lozano. We waren allemaal Lozano-fan.”

Toegangspoort van het Olympisch Stadion, waar Beerschot-Wilrijk­ speelt. Beeld Diego Franssens

Liefde voor het leven

Zo word je supporter en, ooit al eens geschreven: eens je verliefd wordt op een club, verander je niet meer. Het is liefde voor het leven. Ook Seba kwam nog nooit in de Bosuil. “Ik heb horen zeggen dat het stinkt. En bovendien: dat doe je niet als supporter. Alleen zou ik nu wel moeten. Sinds tien jaar ben ik materiaalman en als Beerschot ooit een match op Antwerp zou moeten gaan spelen, moet ik mee. Dat wordt zwaar. Joske (de nu 85-jarige andere materiaalman van Beerschot, RVP) zegt me dat we dan vijf uur op voorhand daar moeten zijn. Heel Deurne zit dicht als het Antwerp-Beerschot is.

Dit stadion is het meest moderne, dat is duidelijk. “En als we logisch denken, dan is één stadion voor heel Antwerpen wel ideaal”, zegt Seba. “Kijk naar Standard en Genk: één grote ploeg voor een stad is realistisch. Maar voor het ego is dat bijna onmogelijk. Het zou raar zijn. Zeker nu de drie Antwerpse ploegen kampioen werden. Wellicht lukt dat pas als Antwerp ooit in een sukkelstraatje terechtkomt. Als er geld zou nodig zijn. Dan zouden politiek en economie het misschien kunnen forceren.”

Zou. Moest. Ooit. Tiens, dat laatste: we keren nog één keer terug naar de catacomben van Berchem en naar een foto van een derby. De foto is zwart-wit, maar je ziet het verschil in schakeringen. Berchem speelde tegen Antwerp en op alle shirts stond één woord: Bell. Bell Telephone sponsorde toen de drie Antwerpse clubs.

Misschien was dat het momentum. Misschien komt het ooit. Misschien nooit. Iedereen wil liefst de ‘ploeg van ’t stad’ blijven. De Schelde is nu nog te diep.   

Seba Rodriguez in het Olympisch Stadion, op 't Kiel. Beeld Diego Franssens

Stoomcursus voetbal in Antwerpen

Antwerp, voluit Royal Antwerp Football Club, werd kampioen in eerste klasse B. Het is de oudste Belgische voetbalclub (sinds 1880!). De clubkleuren zijn rood en wit. Het Bosuilstadion in Deurne is the place to be.

Beerschot, officieel FCO Beerschot Wilrijk, speelde kampioen in de eerste amateurklasse. De paars-witte truitjes kun je spotten in het Olympisch Stadion in de wijk ’t Kiel. Vandaar ook de bijnaam: Kielse Ratten.

Berchem Sport, in geel-zwart, is kampioen in de tweede amateurklasse. De club kende haar gloriejaren kort na WOII. Het Ludo Coeckstadion is op zijn zachtst gezegd aan vernieuwing toe, maar dat is niet nefast voor de feestvreugde tijdens matchen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234