Vrijdag 01/07/2022

Een goede bouwheer weet wat hij wil

De Antwerpse architect Bob van Reeth draagt nu al zes maanden lang de dure titel van Vlaams Bouwmeester. Zijn ploeg heeft inmiddels veel werk verzet: een nieuwe manier om architectuuropdrachten toe te kennen, een kwaliteitskamer waar over het Vlaams architectuurbeleid kan worden nagedacht, een nieuwe stimulans voor de integratie van kunst en architectuur, en een Meesterklas voor pas-afgestudeerde architecten.

Jan De Zutter

In het Graaf de Ferrarisgebouw aan de Brusselse Jacquemainlaan loodsen pijltjes de bezoekers door keurig saaie gangen naar het kantoor van de Bouwmeester. Je zit er op stoelen aan een tafel naar een ontwerp van de meester zelf, en de koffie wordt zwart en heet geserveerd in een oerdegelijk Belgisch Boch-servies - een ontwerp van Van Reeth. Hij heeft meteen de opdracht gegeven om alle tussenmuren te laten slopen: ze zijn vervangen door glazen wanden die het kantoor een aangename transparantie geven. Inmiddels heeft het team van de Bouwmeester de funderingen gelegd voor een Vlaams architectuurbeleid dat de regio mogelijk terug op de internationale architectuurkaart zal brengen. Want Vlaanderen - en bij uitbreiding het bouwgekke België - heeft in het buitenland de reputatie het lelijkste land van de wereld te zijn. Dat heeft niet enkel te maken met de lintbebouwing, de fascinatie van de would-be burgerij voor fermettewoningen, of de onhebbelijke gewoonte om elk stukje vrije ruimte te bebouwen, maar ook met de wijze waarop de overheid met haar patrimonium omging. Als de Vlaamse overheid bouwde, bouwde ze opbergdozen voor ambtenaren.

"Het ontbrak de Vlaamse regering aan een visie op architectuur," zegt Bob van Reeth. "Er werd gebouwd in functie van de benodigde hoeveelheid vloeroppervlakte om ambtenaren onder te brengen." In de Vlaamse jaarboeken over architectuur van het ministerie van Cultuur was er al meermaals heftige kritiek geformuleerd op het beleid van de Vlaamse regering. En er was een kentering gekomen. Steeds meer werden er architectuurwedstrijden uitgeschreven voor nieuwbouw of vernieuwbouw. "Maar te dikwijls was de wedstrijd een façade waarachter de overheid zich kon verschuilen, en die haar garandeerde dat ze geen verantwoordelijkheid moest op nemen voor de geleverde ontwerpen," zegt Van Reeth. "Een goede bouwheer is een bouwheer die weet wat hij wil. Dat de architect in zijn ontwerp maximaal vrij moet zijn, is onzinnig. Het is de spanning tussen een bouwheer met een sterke visie en een goed architect, die kwaliteitsvolle architectuur oplevert."

De eerste taak van de Vlaamse bouwmeester bestond er dan ook in om de overheid ertoe te verplichten zich een visie eigen te maken. In de beleidsnota's van de Vlaamse bouwmeester heet dat de Architectuurkamer, een vergadering van alle betrokken verantwoordelijken van alle mogelijke Vlaamse departementen waar over architectuur kan worden gepraat. Hoe er zal worden gebouwd, wordt in beperktere kring besproken in de door Van Reeth opgerichte Kwaliteitskamer, waar 'reflectiegesprekken' worden gehouden onder ambtenaren, architecten - onder wie ten minste drie internationaal gerenommeerde architecten - stedenbouwkundigen, kunstenaars en landschapsdeskundigen. De eerste doelstelling van de Vlaamse bouwmeester richt zich niet eens op architectuur, maar op de vraag hoe de Vlaamse regering zich naar buiten toe wil profileren. Want ook dat doet ze via haar architectuurbeleid. Van Reeth drukt erop dat elke 'constructie' die in opdracht van de Vlaamse regering wordt gebouwd - zelfs bruggen of gsm-masten - een culturele daad is die met zorg omkleed moet worden. Gebouwen van de Vlaamse overheid zijn openbare gebouwen, "maar in het merendeel ervan kom je als burger niet in", zegt Van Reeth. "Hoe openbaar is een openbaar gebouw dan wel?" In Nederland, waar er al langer een rijksbouwmeester actief is, wordt over zoiets nagedacht. Dat resulteerde in boeiende oplossingen, onder meer in De Resident, een overheidsgebouw in Den Haag. Net zoals het Ferrarisgebouw in Brussel, is De Resident een 'ministerie', alleen is er anders met het begrip openbaarheid omgesprongen. Want naast kantoren voor ambtenaren zijn er in De Resident ook kantoren voor de privésector én winkels. Het gonst er van het volk en ook de doorsnee burger komt er over de vloer, al was het maar om er te winkelen. De overheid heeft er zich ingeplant in het echte leven en niet - zoals dat bij Vlaamse overheidsgebouwen meestal het geval is - aan de marge van de samenleving. Het masterplan van De Resident werd door de bekende Luxemburgse architect Rob Krier ontworpen, de definitieve plannen door een groep architecten, onder wie de Amerikaanse postmodernist Michael Graves. De nieuwe Nederlandse rijksbouwmeester Witse Pattyn voerde enkele jaren geleden een systeem in dat Vlaanderen zal overnemen, namelijk dat van de beperkte architectuurwedstrijd. Van Reeth wil bij de aanvang van elk jaar een lijst bekend maken van alle gebouwen die de Vlaamse overheid dat jaar wil optrekken. Die lijst wordt internationaal gepubliceerd. Alle architecten of bureaus die zich geroepen voelen gebouwen te ontwerpen voor de Vlaamse overheid, kunnen zich bekend maken bij de bouwmeester. Die beschikt zo over een databank van kandidaat-ontwerpers. "Uit die databank selecteren we voor elke opdracht een reeks kandidaten die een ontwerp mogen leveren," zegt Van Reeth.

Volgens de Bouwmeester moeten de kandidaten ook een heel verschillende visie hebben op architectuur. "Het is niet de bedoeling om één architecturale stijl te promoten in Vlaanderen. In werkelijkheid zijn er verschillende architectuurstijlen, die ook in de samenleving zichtbaar moeten zijn." Van Reeth pleit dus voor een zo gevarieerd mogelijk architectuurlandschap. Omdat de beperkte groep kandidaten ook betaald worden voor hun voorstellen, is de kans groter dat belangrijke architectenbureaus zich kandidaat zullen stellen. In het verleden moesten de bureaus op eigen risico, en dus op eigen kosten, hun ontwerp indienen. Wie niet geselecteerd werd, had voor niks gewerkt. In Nederland kwamen al verschillende overheidsgebouwen via dit nieuwe systeem tot stand, en dat werpt vruchten af. De Bouwmeester maakt geen eisenprogramma (zoveel kamers voor zoveel ambtenaren) voor nieuwe gebouwen. Dat doet de administratie. Hij maakt een projectdefinitie. En die gaat over veel meer dan over hoeveel ambtenaren er achter een bureau moeten zitten.

"In Brussel moest een pand worden verbouwd dat beschikte over verschillende binnenplaatsen. Voor ons vormden die binnenkoeren de 'ziel' van het gebouw. In de projectdefinitie hebben we opgenomen dat deze 'ziel' bewaard moest blijven in het nieuwe ontwerp." Deze aanpak is heel anders dan de traditionele façadearchitectuur, waarbij voor historische panden enkel de gevel bewaard wordt. Achter de gevel komt dan een banaal kantoor te liggen. En dat, zo weet elke architect - heeft met architectuur niets te maken.

Dat de Vlaamse overheid in het verleden architectuur enkel zag als een plek om ambtenaren in op te bergen, leidde ook tot andere excessen. Listige bouwpromotoren speelden in op de vraag voor een nieuw gebouw voor pakweg 2.000 ambtenaren. Het was de promotor die de architect koos, het ontwerp stuurde en vaak de locatie zocht. En de overheid was al lang tevreden dat ze een gebouw had. Op die manier ontstonden mastodonten, ontworpen door middelmatige architecten, gebouwd door de promotor met het beste lobbyapparaat achter zich. Aan dat soort geklooi met de openbare ruimte moet nu een einde komen.

Het zoeken van een locatie is de taak van de overheid, die daarmee ook een statement maakt. Als Vlaanderen nu nieuwe administratieve centra wil bouwen in Gent en Brugge, werkt de bouwmeester nauw samen met de stad en tracht hij de inplanting van de gebouwen in de stedebouwkundige plannen van de steden te passen. Een Vlaams overheidsgebouw moet immers meer zijn dan een gebouw. "Het moet de omgeving stimuleren, het moet bijdragen tot de ontwikkeling van het landschap eromheen." Een Vlaams administratief centrum moet bereikbaar zijn, wat betekent dat het verweven is met andere functies: "woorden als kindercrèche, ontmoetingsplaats, marktplaats beginnen te vallen als we het hebben over een Vlaams administratiegebouw," zegt Van Reeth.

Volgens Van Reeth kan dit soort creatief denken een plaats krijgen bij alles wat de overheid bouwt. Onlangs kwam hij tussenbeide bij de heraanleg van een verbindingsweg naar Bredene aan de Oostendse rotonde De Bolle. Over een lengte van 800 meter komt er een weg, een tunnel en een brug. Een schijnbaar banale opdracht die verder weinig creativiteit behoeft. Maar na overleg met de stad Oostende, de Vlaamse administratie en de NMBS stelde Van Reeth zes vrouwelijke curatoren aan die een artistieke projectvisie moesten geven op de weg. "Vrouwen omdat het aanleggen van wegen, bruggen en tunnels nog steeds het voorrecht is van mannelijke ingenieurs," zegt Van Reeth. Binnenkort wordt uit de voorstellen een project geselecteerd. De genomineerde curator mag dan een vijftal kunstenaars aanstellen die de weg kunnen verrijken met 'kunst'. "En ik hoop niet dat het een standbeeld in het midden van een rotonde zal zijn," wuift Van Reeth de evidente oplossingen weg.

Van Reeth wil ook werk maken van de introductie van kunst bij overheidsgebouwen. Er is een decreet uit 1986 dat de integratie van kunst bij overheidsgebouwen verplicht maakt. Alleen werd het decreet zelden toegepast - er waren ook geen sancties als het niet gebeurde - en de zeldzame keren dat er kunst werd 'toegevoegd' aan een gebouw ging het om een sculptuur die ergens in de inkomhal werd geplaatst. Van Reeth heeft de cel kunstintegratie nu naar zich toegetrokken, zodat ze een wezenlijk deel uitmaakt van de diensten van de Vlaamse Bouwmeester. "Kunstintegratie betekent niet dat je ergens een kunstwerk moet plaatsen," zegt Van Reeth. "Het betekent dat je het artistieke denken over architectuur stimuleert. Bij de heraanleg van een kanaal kan er bijvoorbeeld geld gaan naar Vlaamse schrijvers die hun visie over de ingreep op papier mogen zetten. Alle kunstuitingen kunnen," zegt Van Reeth. "Modeontwerpers, fotografen, schrijvers, dichters, plastische kunstenaars, theatermakers, choreografen, cineasten, filosofen... we willen ze allemaal betrekken bij projecten van de Vlaamse overheid."

Voor Van Reeth ligt het voor de hand, maar eigenlijk is het ook een nieuwigheid: het begrip duurzaamheid wordt structureel geïntegreerd bij architecturale opdrachten. De Vlaamse overheid heeft een voorbeeldfunctie als het op ecologisch en duurzaam bouwen aan komt. Dat er in overheidsgebouwen gescheiden waterleidingen moeten zijn zodat het toilet kan worden doorgetrokken met regenwater uit de waterput, lijkt Van Reeth de normaalste zaak van de wereld. Maar ook hier wil hij duurzaamheid niet al te kneuterig invullen. "Toen we een advies moesten geven over gsm-zendmasten gingen we er van uit dat het om tijdelijke constructies zou gaan. Binnen enkele jaren zullen gsm's rechtstreeks via de satelliet communiceren en heb je die masten niet meer nodig. Duurzaamheid staat hier gelijk met tijdelijkheid. Je moet constructies bedenken die gemakkelijk te verwijderen zijn en geen schade berokkenen aan het landschap."

Architectuur spreekt niet alleen over baksteen en beton, maar over hoe mensen leven én werken. Daarom is Van Reeth uitermate geïnteresseerd in de nieuwe experimenten van de Vlaamse overheid met office sharing. "In de toekomst wil men ambtenaren meer thuis laten werken. Dat betekent dat je geen eigen bureau meer nodig hebt. Als je naar je werk komt, maak je gebruik van een vrijstaand bureau." Dat experiment Anders Gaan Werken werd al met succes uitgeprobeerd op de dienst gebouwen en nu wordt een hele verdieping van het Boudewijngebouw verbouwd om office sharing toe te laten. Omdat er minder ambtenaren permanent op kantoor aanwezig zullen zijn, zal dat z'n impact hebben op de architectuur. Er kunnen andere accenten worden gelegd en de architect kan bijdragen in het zoeken naar geschikte werkvormen voor ambtenaren.

Alhoewel Van Reeth vindt dat de Vlaamse Bouwmeester niet sanctionerend, maar stimulerend moet werken, heeft hij al enkele keren behoorlijk dwars gelegen. Nadat De Morgen hem zijn mening vroeg over de nieuwe plannen van het HST-station in Antwerpen, zorgde hij voor deining door het ontwerp vakkundig af te kraken. "Niet eens omdat ik het mooi of lelijk vond, maar omdat het zou instorten als het gebouwd werd als op de plannen," zegt hij. Wat eerst een pijnpunt leek te worden tussen de Bouwmeester en de NMBS werd een boeiende discussie over architectuur. De HST-architect hertekende zijn plannen en keerde, dixit Van Reeth, met een schitterend ontwerp terug. Dat nieuwe ontwerp werd met de betrokken overheden besproken en zal nu uitgevoerd worden.

Van Reeth vindt ook dat de Vlaamse overheid een rol te spelen heeft in de bekendmaking van jong Vlaams talent. Hij heeft daarom de Meesterklas in het leven geroepen. Elke Vlaamse architectuurschool (de ingenieur-architecten van de universiteiten van Leuven, Brussel en Gent en de architectuurhogescholen in Antwerpen, Diepenbeek en Brussel) mag jaarlijks één beloftevolle afgestudeerde architect aanwijzen. Die jongeren krijgen de kans om kleinschalige opdrachten van de Vlaamse overheid uit te voeren, onder begeleiding van een gerenommeerd internationaal architect. Eind september komen de pas-afgestudeerden samen met de voormalige Nederlandse rijksbouwmeester Kees Rijnboutt om zich te buigen over een educatief centrum, een boswachterswoning, een technisch gebouwtje voor de luchthaven van Oostende en twee projecten van sociale woningen. Niet alleen brengen deze jongeren vers bloed in de Vlaamse administratie, zij krijgen een eerste belangrijke kans om een eigen ontwerp verwezenlijkt te zien én - als hun ontwerp goed wordt bevonden - mogen ze de titel Jonge Vlaamse ontwerper voeren.

De Vlaamse Bouwmeester lijkt na zes maanden van stilte, een indrukwekkende aanzet te hebben doorgegeven voor een nieuw Vlaams architectuurbeleid. Maar Vlaanderen zou Vlaanderen niet zijn, mocht de impact van Van Reeth niet overal met blijdschap worden ontvangen. Er wordt inmiddels gelobbyd om de 'macht' van de bouwmeester te beperken.

"Ja, ik voel dat ook wel aan", zegt Van Reeth. "Ik denk dat het te maken heeft met de wisseling van regering. De nieuwe ploeg neemt een initiatief over van de vorige regering en bekijkt dat terecht zeer kritisch. Wellicht is er onvoldoende kennis over wat wij hier precies uitspoken en zorgt dat voor zenuwachtigheid. Binnenkort hebben we gesprekken met de bevoegde ministers. Ik ben ervan overtuigd dat ze dit beleid zullen willen voortzetten."

Van de ambtenarij heeft Van Reeth echter geen klagen. De verwachte tegenwerking uit die hoek bleef weg. "Integendeel, wij merken dat alle diensten die betrokken zijn bij bouwopdrachten snel enthousiast worden over de nieuwe manier van werken en zeer creatief meewerken. Misschien maakt men zich daarom ook zorgen. Het bureau van de Vlaamse Bouwmeester heeft impact. Veel impact."

'Het is niet de bedoeling om één architecturale stijl te promoten in Vlaanderen''Jonge architecten krijgen de kans om kleinschalige opdrachten van de Vlaamse overheid uit te voeren'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234