Zaterdag 28/01/2023

Een gat in de nacht

In een uitgebreide cultuurhistorische studie onderzoekt Roger Ekirch de geschiedenis van het duister in de westerse maatschappij van voor de industriële revolutie. Vijftien jaar lang las hij daarvoor dagboeken, kranten, reisverslagen, memoires, brieven, gedichten, wetboeken en politierapporten.

Roger Ekirch

Nacht en ontij

Oorspronkelijke titel: At Day's Close. Night in Times Past

Vertaald door Meile Snijders

De Bezige Bij, Amsterdam, 996 p., 29,90 euro.

In bijna elke kwestie placht oom Josef zijn gehoor in twee rivaliserende kampen te schetsen, de zonen van het licht en de zonen van de duisternis", schrijft Amos Oz in Een verhaal van liefde en duisternis. Voor zijn oom Josef was het duidelijk tot welk kamp hij behoorde. Het goede kamp. Dat van het licht. Stond het trouwens niet in de Bijbel dat er overal duisternis was voor God sprak: "Er zij licht"?

Aan licht is er de laatste jaren geen gebrek. Zeker niet in België, dat door God wel heel rijkelijk voorzien is. Maar God zag dat het licht goed was, en God maakte de scheiding tussen het licht en de duisternis. Toen werd het licht dag en de duisternis noemde hij nacht. En wat God scheidt, kan de mens moeilijk verbinden. Dat blijkt uit Nacht en ontij, een boek van de Amerikaanse historicus Roger Ekirch.

"In de vroegmoderne tijd was de nacht niet zozeer de achtergrond van het dagelijks bestaan, maar de belichaming van een aparte cultuur, met eigen gewoonten en rituelen", schrijft hij. Tot aan het einde van de zeventiende eeuw was het enige kunstlicht dat op straat (in de steden) te zien was, afkomstig van de lantaarns van voetgangers en de ramen en deuren van verlichte huizen. Het donker was echter veel meer dan een tijdelijke afwezigheid van licht. Tijdens de nacht vielen alle herkenningspunten weg. Er gebeurden vele ongelukken, mensen verdwaalden op het platteland of kregen in de steden "poep en pies" over hun lijf. Daniel Defoe verdedigde het onhygiënische gedrag van zijn stadsgenoten door te verwijzen naar de vele hoge gebouwen en voegde eraan toe dat de "burgers hun po's pas na tien uur 's avonds mochten legen, waarvoor met tromgeroffel het sein werd gegeven". Trouwens, bij het legen van de po diende men tegen de voorbijgangers "gardy-loo" ("kijk uit voor het water") te roepen.

De nacht was het domein van "nightwalkers", "banshees" (vrouwelijke geesten) en "chauffeurs" die "mensen met brandende fakkels" martelden. In de vroegmoderne tijd werden er in Engeland vijf tot tien keer zo veel mensen vermoord als tegenwoordig. "Duister", schrijft Ekirch "was de grootste bedreiging voor de veiligheid. Bovendien hadden kwaadwillenden uit de natuurlijke en bovennatuurlijke wereld 's nachts alle vrijheid." Er ontstonden mythes en legendes. Men creëerde kwelgeesten en elfen.

Officiële autoriteiten, zoals de kerk, beseften maar al te goed dat in het duister de gewone orde buiten werking trad en trachtten er vat op te krijgen. Daarom werd op vele plaatsen in de middeleeuwen de avondklok ingesteld en in steden als Venetië "het voetgangerslicht" ingevoerd. En niet om de zwakke weggebruiker te beschermen. Op het einde van de vijftiende eeuw verplichtte de stad Parijs de eigenaren in hoofdstraten 's avonds een lantaarn voor hun huis te hangen.

Maar licht werd stilaan belangrijker, zowel voor de veiligheid als voor de ontwikkeling van de handel. "De toenemende commercialisering en de groei van de steden speelden hierin een belangrijke rol", aldus Ekirch. De ongemakken van de nacht moesten verholpen worden. Voor de kerk bleef de nacht lang onaantastbaar. Die moest je thuis doorbrengen, want de straatverlichting was er niet om feestende losbollen bij te lichten. Er verschenen nachtwachten op straat. Zij riepen, in tegenstelling tot de toenmalige kerkklokken, om het uur de tijd, en patrouilleerden in de ganse stad. Ze waren niet alleen belangrijk om branden te voorkomen, en wangedrag te beteugelen, maar vooral om "de straten vrij te houden van mensen die er niet moesten zijn". Ze waren er dus niet om de nacht aantrekkelijker te maken. Het huis vormde een essentiële bescherming tegen de nacht. Mensen sloten zich in tegen de ondergaande zon. Ze wilden niet overvallen worden door de duisternis. Ze beveiligden zich met wapens, honden, sloten, kaarsen en hun geloof.

Maar het was niet alleen kommer en kwel. De nacht schonk ook veel mensen de privacy die ze overdag niet vonden, bood hen rust na het werken. De nacht was er ook om verhalen te vertellen, "naaikransjes" te organiseren, te dobbelen en te drinken. De bierhuizen waren er voor de lagere standen, de taveernes en herbergen voor de rijkere cliënteel. Voor de machtigen van de aarde was het "masque" of het maskerspel de belangrijkste vorm van amusement in de vroegmoderne tijd. Dan werden formele regels en beperkingen enige uren opgeheven. Maar al deze cabarets, nacht- en bierhuizen kregen ook een kwalijke reputatie.

De nacht was ook aantrekkelijk omdat hij de zichtbare wereld deed verdwijnen. Religieuze en politieke minderheden, zieken, invaliden en slaven probeerden op hun manier "een gat in de nacht te maken", zich voor de wereld te verbergen.

De nacht legde de breuklijn vast van de maatschappij. Hoewel de tegencultuur van de nacht geen eenheid vormde, was ze wel een bedreiging voor de formele wereld. Het was een "alternatieve werkelijkheid waar een belangrijk deel van de voorindustriële bevolking aan deelnam", schrijft Ekirch. Een alternatieve werkelijkheid misschien wel, maar zeker geen idyllische realiteit.

Dat gold ook voor de slaap. Ofschoon de vredige slaap een belangrijk onderwerp was in toneelstukken en gedichten, sliepen de mensen waarschijnlijk slechter dan nu. Angsten, kou, ziektes, lawaai, luizen en vlooien zorgden zelden voor een groot slaapcomfort. Maar slaap was belangrijk. Dat blijkt ook uit het grote belang van het bed, dat altijd het duurste stuk meubilair was in huis. Tussen de vijftiende en zeventiende eeuw ontwikkelde het Europese bed zich van een strozak op een lemen vloer tot een houten raamwerk met een matras gevuld met lompen en restjes wol met kussens, dekens en een sprei. Althans voor diegenen die het konden betalen. Mensen sliepen ook op de vloer, al dan niet samen met hun beesten, in portieken of onder de winkelramen. Wegens het tekort aan bedden sliepen de mensen ook veel in één bed. Vandaar het Italiaanse gezegde "als het bed smal is, zorg dan dat je in het midden ligt". Ook met vreemden werd het bed gedeeld, wat dan weer interessante gesprekken en andere activiteiten opleverde. Men zou het niet verwachten, maar mensen lagen zonder kunstlicht langer wakker. Tot het einde van de vroegmoderne tijd sliepen ze bovendien in twee delen. Even na middernacht werden ze wakker, bleven dan wat op, en gingen daarna weer slapen. Waarom is niet duidelijk. Sommige historici verwijzen dan naar de kloosterregels in het christendom. Voor Ekirch heeft het meer te maken met de noodzaak om ook 's nachts waakzaam te blijven. Zeker in het "holst van de nacht", zoals middernacht genoemd werd, moest men op zijn hoede zijn.

Vanaf de achttiende eeuw werden de nachten en de avonden in de stad totaal anders. De ontwikkeling van de economie en de handel maakten de duisternis toegankelijker. De nacht ging winst opleveren. Winkels bleven langer open, en de fabrikanten droomden toen al om de productiviteit te verhogen "door 24 uur per etmaal te werken".

Spoken en geesten verdwenen stilaan uit de steden, maar diefstal, vandalisme en geweld waren nog even bedreigend. Daarom werd in veel steden de straatverlichting verbeterd en kwam er een professionele politiemacht. Meer licht en meer blauw op straat dus. In 1736 kreeg Londen bijna vijfduizend olielampen, die het hele jaar door van zonsondergang tot zonsopgang bleven branden.

De kerk bleef moeite hebben met deze modernisering. Paus Gregorius XVI verbood straatlantaarns met als argument dat de bevolking van het licht gebruik kon maken om opstootjes te organiseren. Maar de trend was gezet. Ofschoon het in grote delen van het platteland nog lang donker bleef, vervaagden de grenzen van dag en nacht. Het tempo van het dagelijkse leven steeg en het bereik van mensen werd groter. Ironisch genoeg waren de straten in de stad die 's nachts nu beter zichtbaar waren, overdag donkerder door rook, roet en andere lichtvervuiling.

Maar de nacht zou grotendeels verdwijnen. Het duister werd productief gemaakt en de nacht verbleekte door het licht van de markt. Wat God scheidde, werd door de mens door elkaar gehaald.

Nu leven heel wat Amerikaanse steden in een vierentwintigureneconomie. Dat heeft andermaal zijn invloed op de slaap. Slapen is je tijd vergapen. "Slapen is verliezen", schrijft Arnon Grunberg. Nu blijkt dat 30 procent van de Amerikanen zes uur of minder per nacht slaapt. Ofschoon de meeste mensen op een lekkere matras liggen, zich veilig voelen en bevrijd zijn van kwelgeesten, hebben velen slaapstoornissen en lopen ze overdag versuft rond. In veel licht maar met een duister hoofd. Zonder vlooien maar met grote zorgen.

Nacht en ontij is een heerlijk boek. Hoe de Verlichting ons denken en onze straten verlichtte, hoe de verandering in tijdsindeling en tijdsbesef de tijden door elkaar schudde, wordt door Ekirch uitvoerig en grondig geanalyseerd. Met honderden feiten, anekdotes, onderzoeksresultaten, gedichten, spreuken en roddels monteert hij een boeiende collage over het duister. Het is een helder geschreven boek zonder heimwee naar een (niet-bestaand) verleden, maar met een bezorgdheid dat "met het verdwijnen van de duisternis ook de mogelijkheden voor privacy, intimiteit en zelfreflectie schaarser worden".

Hou de nacht donker, ook te veel licht maakt blind. En lees dit boek voor je slapen gaat. Met open ogen en een zachte leeslamp.

Jos Geysels

Officiële autoriteiten, zoals de kerk, beseften maar al te goed dat in het duister de gewone orde buiten werking trad en trachtten er vat op te krijgen

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234