Donderdag 21/10/2021

Een fascinerende buitenissigheid

Een gigantische rots met een soort uitkijktorentje werd gebouwd door Poolse krijgsgevangenen, ter ere van aartshertogin Maria-Christina, die elk jaar in Attre kwam jagen

Een van de fascinerendste tuinen van ons land is het unieke park bij het kasteel van Attre in Henegouwen. Het is niet alleen een van de puurste voorbeelden van de Engelse landschappelijke tuin op het vasteland, maar het herbergt ook een aantal uiterst merkwaardige bouwsels.

Het kasteel van Attre werd in 1752 voor François-Philippe Franeau d'Hyon ontworpen door architect Laurent-Benoît Dewez die later ook het exuberante kasteel van Seneffe tekende. Van de toenmalige aanleg is niets bewaard gebleven. Merkwaardig zijn wel de grote zuilen uit roze marmer die hier en in de zichtas aan de overkant van de straat zijn geplaatst. Ze zijn afkomstig van de ruïnes van de nabijgelegen abdij van Cambron-Casteau. De twee sfinxen op het bordes van het kasteel zijn kopieën van beelden uit het Parijse Bagatelle met de gezichten van de maîtresses van Louis XV, Madame de Pompadour en Madame du Barry.

Achter het kasteel komt men in een andere wereld terecht. Hier strekt zich een idyllisch landschap uit waar koeien en schapen grazen, waar een zijarm van de Dender zich meanderend een weg baant en waar eeuwenoude boomgroepen schijnbaar achteloos zijn neergezet. De Dender duikt overigens op verschillende plaatsen in het park op, waarbij telkens de indruk wordt gewekt dat hij verder stroomt, maar bij nader toezien gaat het om doodlopende armen die blijkbaar bedoeld zijn om de wandelaar op een verkeerd been te zetten.

Het park van Attre, dat grotendeels op het einde van de 18de eeuw werd aangelegd door de zoon van François-Philippe, François-Ferdinand Franeau d'Hyon, raadsheer van Jozef II van Oostenrijk. Het was een van de allereerste voorbeelden van een Engelse landschapstuin op het Europese vasteland.

In tegenstelling tot de formele Franse tuinen van Le Nôtre, die toen nog volop in de mode waren en waarin de natuur door de mens naar zijn hand werd gezet met lange rechte zichtassen en extreem gecultiveerde hagen- en bomenrijen, werd in die Engelse landschapstuin geprobeerd om een geïdealiseerd natuurbeeld te scheppen, met golvende weiden, stromende riviertjes, meertjes, strategisch geplaatste boomgroepen, enz. Daar waar in de Franse tuin de hand van de mens duidelijk zichtbaar en tastbaar was, werd de menselijke regie in de Engelse landschapstuinen verborgen gehouden. Maar toch waren ze evenzeer mensenwerk. In feite waren het een soort levende landschapsschilderijen waar een romantisch natuurideaal werd gecultiveerd. In een latere fase werden daaraan ook elementen uit de klassieke oudheid - tempels, ruïnes, Romeinse zuilen, enz. - toegevoegd. Waardoor men in feite twee op het eerste gezicht tegenstrijdige sferen opriep: enerzijds een arcadisch natuurideaal en anderzijds een bijna groteske wereld met vreemde bouwwerken die niet echt thuishoren in dat landschap en die er een element van vervreemding en verval aan toevoegen of een beeld van een wilde, ongetemde natuur willen oproepen.

De Oostenrijkse elite interesseerde zich sterk voor dat nieuwe tuinideaal dat in Engeland furore maakte en stuurde zelfs spionnen op pad om te kijken wat daar precies gebeurde. Het verhaal wil dat Attre werd aangelegd op advies van die spionnen, als een soort proefproject om aan de Oostenrijkse keizer te tonen hoe zo'n Engelse tuin er nu echt uit zag.

Alhoewel de tuin in de loop der jaren door latere bewoners werd aangepast en zogenaamd verfraaid is de oorspronkelijke aanleg toch grotendeels bewaard gebleven. Het ligt er nu allemaal wat verwaarloosd bij, maar dat draagt misschien wel bij tot de charme ervan. Nu is de vergankelijkheid die men bij de aanleg van de tuin wilde oproepen met allerlei kunstgrepen immers niet langer geveinsd. En het spookachtige silhouet van een reusachtige, half verdroogde acacia in de weide achter het kasteel lijkt pas nu, in al zijn desolaatheid, op het romantisch ideaal zoals dat in het begin van de vorige eeuw werd uitgebeeld door de Duitse schilder Caspar David Friedrich.

Onze wandeling begint aan de linkerkant van het kasteel en loopt in een grote boog, met de wijzers van de klok mee, rond het park. Het eerste bouwwerk dat we tegenkomen is een enorme 16de-eeuwse duiventoren, waarschijnlijk nog een overblijfsel van een vroeger kasteel. Als men weet dat alleen grootgrondbezitters in die tijd duiven mochten houden, a rato van één koppel per halve hectare, en dat Attre het recht had om 3.600 duiven te hebben , dan kan men zich een idee vormen van de vroegere omvang van het landgoed.

We lopen dan het park binnen door een smeedijzeren rococohek, versierd met het wapenschild van de eigenaren, een eenhoorn met een kruis. Even verder, omringd door een haag, staat een oude schandpaal die enkele jaren geleden werd teruggevonden in een beek. Hij stond waarschijnlijk tot aan de Franse Revolutie op het dorpsplein van Attre.

Derde halte zijn de resten van de zogeheten Vignoutoren, een oude vestingtoren die zou dateren uit de tijd van de Noormannen. In de 17de eeuw nam een zeker Vignou zijn intrek in deze toren. Hij had de gewoonte om zich met een paternoster langs de drukke handelsweg van Ath naar Soignies (Zinnik) te installeren om eenzame reizigers in zijn schuilhol te lokken en te beroven. Bij zijn arrestatie bekende hij veertien voorbijgangers te hebben vermoord en verbrand in de ovens van zijn 'fort'.

Aan de rand van een soort ravijn waar ooit een hangbrug moet zijn geweest, kan men met enig zoeken ook nog de overgroeide ruïnes zien van een sierhermitage. Tot voor enkele jaren lag hierin nog een grafsteen met een sculptuur van de kruisigingsgroep en een tekst uit 1416, maar die is, zoals zoveel in Attre, gestolen. Vroeger zou het ravijn gediend hebben als een natuurlijke hertenkooi.

Voor ons zien we dan een eerste uiterst merkaardig bouwwerk: een heus Zwitsers chalet dat over de rand van een vroegere steengroeve hangt. Het chalet werd in het midden van de vorige eeuw gebouwd door Zwitserse ambachtslui die daarvoor speciaal naar Attre waren gehaald. Het was bedoeld als theehuis en rustplaats. Toen het werd gebouwd had men van hieruit een prachtig uitzicht op het park tot aan het kasteel, maar dat panorama is intussen benomen door de hoge bomen. Het chalet wordt spijtig genoeg al jaren niet meer onderhouden en verkeert in een erbarmelijke staat. Het is zelfs gevaarlijk om er binnen te gaan, maar het is alleszins een verrassing om zoiets op deze plaats tegen te komen.

Maar de grootste verrassing die het park van Attre in Europa uniek maakt, moet nog komen.

Onderaan de steengroeve, die gedeeltelijk is volgelopen met water, nodigt de ingang van wat een grot lijkt, de wandelaar om af te dalen en verder op onderzoek uit te gaan. Maar het is beter opnieuw naar het hoofdpad te lopen en nog iets verder het bos in te trekken. Ineens sta je dan voor, enigszins onttrokken aan het oog door hoge bomen, een gigantische rots met bovenaan een soort uitkijktorentje. De rots is vierentwintig meter hoog en beslaat een oppervlakte van meer dan één hectare. Ze werd tussen 1780 en 1788 aangelegd door een groep Poolse krijgsgevangenen in opdracht van Franeau. Ze bestaat uit gigantische steenbrokken, waarvan sommige meer dan tien ton wegen, die zonder mortel op elkaar zijn gestapeld. Franeau liet de rots optrekken ter ere van de Oostenrijkse aartshertogin Maria-Christina (1742-1798), colandvoogdes van de Oostenrijkse Nederlanden, die elk jaar samen met haar man enkele dagen naar Attre kwam om er te jagen. Dat deden ze vanuit een jachtpaviljoentje bovenaan de rots. Het verhaal wil dat bedienden konijnen en patrijzen zodanig omhoog gooiden dat deze als bij wonder in het schootsveld van de edele dame terechtkwamen. Omdat ze nogal bijziend was, werden speciaal voor die gelegenheid witte konijnen gekweekt, die ze beter kon zien...

Een metershoge rotsspleet - waarvan de vorm lijkt op een vrouwelijk schaamdeel - langs het pad geeft toegang tot een tunnel die naar de rots leidt. De tunnel komt uit in een komvormige ruimte, een soort leeuwenkuil helemaal omgeven door hoge rotsen en struiken en opgeschoten bomen. Overal zijn gapende grotten die doen vermoeden dat er nog meer tunnels zijn. In die tunnels is het pikdonker en ze lijken allemaal zonder einde, maar zodra u op de tast enkele meters bent gevorderd zal u tot uw eigen verrassing merken dat ze uiteindelijk niet zo bedreigend zijn als ze er uitzien, maar veeleer bedoeld zijn om de bezoekers door een ingenieus spel met perspectief en licht op een verkeerd been te zetten. Het zou geen verrassing meer zijn en het plezier bederven als ik hier meer details gaf. Neem wel een zaklamp mee om de soms verrassende details in de tunnels te zien, maar gebruik de lamp pas nadat u er eerst op de tast bent doorgelopen.

Een van de tunnels leidt naar een waterige grot die uitgeeft op een vijver. De bodem van de vijver zou helemaal bedekt zijn met zwart en wit gekleurde tegels waarvan men hier en daar onder het slib nog een spoor kan zien.

Aan het plafond van de grot hangen namaakstalagtieten waarvan een aantal is gevallen en op de grond ligt. Helemaal achteraan in de grot, waar een bronnetje ontspringt, lag vroeger een beeld van Maria-Magdalena 'die haar zonden beweent'. Eenmaal per dag zou de zon binnenschijnen, pal op het verdwenen beeld.

Zodra we de indrukken hebben verwerkt die dit bizarre, buitenissige bouwwerk oproept, lopen we verder door het bos, langs een grote vijver en tussen metershoge rododendrons. Voor u het bos verlaat, moet u nog even een zijspoor inslaan naar een vervallen badhuis. Dar lijkt eerder op een Romeinse tempel waarvan de gevel versierd is met vier Toscaanse zuilen van roos marmer. Vroeger moeten in het badhuis drie levensgrote houten heiligenbeelden hebben gestaan, maar ook die zijn spoorloos verdwenen.

Onderaan het badhuis ligt een boothuis. Toen de Dender nog tot hier kwam, konden er bootjes aanleggen. Vanop het terrasje onder de zuilen heeft men een prachtig zicht op het kasteel in de verte en over de golvende weiden en de pittoreske boomgroepen aan de andere kant van de Dender.

Tot nu toe hebben we het vooral gehad over de buitenissigheden van Attre, de bizarre bouwwerken. Maar zeker ook de aandacht verdienen ook de soms gigantische, eeuwenoude eiken, lindes, acacia's, platanen en paardekastanjes, die ooit met uiterste zorg over het park gespreid werden geplant om een zo idyllisch mogelijk landschap te creëeren. De grote paardekastanje die achteraan het kasteel staat, zou de tweede zijn die in ons land in de 18de eeuw werd geplant. De eerste staat in het kasteelpark van Beloeil, een aantal kilometers verderop.

Praktisch Het park en het kasteel van Attre zijn voor bezoekers open op zaterdag en zondag, van 10 tot 12 u en van 14 tot 18 u. In juli en augustus ook op de werkdagen, behalve woensdag. Bij de ingang wordt een plannetje verkocht met daarop het parcours langs de buitenissigheden. In het kasteel hangen enkele aquarellen uit het begin van de 19de eeuw waarop de buitenissigheden zijn afgebeeld, en een schilderij met de beroemde rots. Het kasteel ligt in het centrum van Attre, in de buurt van Ath. Tel. 068/45.44.60.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234