Zaterdag 28/03/2020

Een duivel uit een kastje

Johan Vandenbroucke

Louis Paul Boon over Jan Walravens: "Wij schreven zomaar wat, Hugo Claus, Maurice D'Haese en ik. En wij maakten verzen, Bontridder, Cami en Wauters. Maar Jan wist wat wij ermee bedoelden. Jan gaf het vorm en inhoud en zin. Als iemand onze literatuur veranderd heeft, dan moet hij daar verantwoordelijk voor gesteld."

Nog geen veertig jaar later is Jan Walravens een schier vergeten literator, wiens naam en faam alleen nog bij literatuuronderzoekers bekend is. Hij was de bezieler van het mede door hem opgerichte tijdschrift Tijd en Mens ('Tijdschrift voor de nieuwe generatie' - zoals hij schreef: "de jeugd die niet door professoren maar door de oorlog opgevoed werd"), de mentor, vriend en literair begeleider van Claus en Boon, de Paul Rodenko van Vlaanderen, de bloemlezer (Waar is de eerste morgen?, 1955), theoreticus en verdediger van de Vlaamse Vijftigers. Volgens, opnieuw, Louis Paul Boon was hij "ónze Sartre, even moedig, even 'er altijd bij'".

Het nu door uitgeverij Atlas heruitgegeven boek Jan Biorix was zijn laatste. Het verscheen in 1965, pas enkele maanden voor hij op 44-jarige leeftijd overleed, aan een wellicht op een reis in Egypte opgelopen ziekte. Het is geen roman, maar een verzameling herinneringen, dagboekfragmenten, artikelen, anekdotes over ontmoetingen en overpeinzingen. Een tijdsdocument in fragmenten, van 1944 tot 1964, haast tot tijdelijkheid gedoemd. Toch leest Jan Biorix als een soort van levensprogramma. Meer zelfs dan zijn romans, Roerloos aan zee (1951) en Negatief (1958), geeft het een indringend beeld van de fascinerende persoonlijkheid die Walravens was.

Jeroen Brouwers schreef een uiterst boeiende inleiding bij de herdruk. Daarin heeft hij het ook over de eerste druk van Jan Biorix, die verscheen als eerste deeltje van een pocketreeks bij de Brugse uitgeverij De Galge (en niet bij Manteau, zoals op de colofonbladzijde staat). In een lezenswaardig artikel in De Standaard der Letteren wees Jos Joosten er op dat die eerste druk een duidelijker indeling had, waardoor het boek een duidelijker bewust geconcipieerde indruk maakt. Volgens Joosten begon Walravens bijvoorbeeld niet toevallig met enkele romanfragmenten uit augustus 1944, terwijl hij na enkele bladzijden al een sprong van tien jaar maakte. In 1944 kwamen vier dingen samen die zijn verdere leven zouden bepalen. De oorlog liep ten einde, zijn vader lag op sterven, zelf begon hij zijn journalistieke leven en maakte hij een geloofscrisis en depressie door.

Ondanks al zijn aanstekelijke enthousiasme, zijn hoopvolle vooruitgangsdenken en geloof in de nieuwe mens, blijft Walravens ook later getuigen van een filosofische somberheid. "Sedert mijn twintigste kan sterven mij niet meer schelen," zegt hij ergens, en ook: "En het is waar dat ik soms de indruk krijg dat de zware golf van pessimisme, droefheid, ongeloof, die mij omstreeks 1939 overrompeld heeft en mij sedertdien voortdurend heeft doen herhalen: de dood mag komen wanneer zij wil, het leven is niet goed... En ik ondervraag mij dikwijls: zou ik op dit moment, ondanks al mijn geluk met mijn vrouw, mijn kinderen, mijn vrienden, mijn huisje en mijn boeken, zou ik nu dood kunnen gaan? Ik kan nog altijd ja zeggen." Jan Biorix is vooral een fascinerend mozaïek van het intellectuele leven in Vlaanderen en Brussel in de tweede helft van de jaren vijftig. Het is opmerkelijk hoezeer Walravens voortdurend rusteloos gedreven op zoek is naar schoonheid en kennis, daarbij ook steeds zichzelf onderzoekend en geen intellectuele confrontatie uit de weg gaand. Zoals Jeroen Brouwers opmerkt: "Jan Walravens bemoeide zich met alles, was bij alles betrokken, had verstand van alles en was twintig jaar lang alom aanwezig." In Jan Biorix staat ook dat hij geen minuut kon stilzitten, omdat hij "altijd wat anders aan te bevelen, te verdedigen of met passie te kraken" had. Een lang niet volledige greep uit de onderwerpen en personen die ter sprake komen, soms in een petite histoire, soms in een van zendingsdrang doordrongen kritiek, soms in een melancholische gedachte: de breuk tussen Sartre en Camus, de dood van Charlie Parker, gesprekken met Schierbeek en Kouwenaar over Lucebert die door Bertolt Brecht naar Oost-Duitsland was uitgenodigd, de opvoedingsideeën van Freinet, Gerard Walschap die geschokt was door wat hij gezien had in Peru, de PEN-club na de Russische inval in Hongarije, de Arkprijs voor Albert Bontridder, het racisme in de VS en Zuid-Afrika, het huwelijksfeest van Hugo en Elly Claus waar Walravens een grafrede hield, een discussie met Herman Teirlinck over experimentele poëzie en abstracte schilderkunst, Dirk Coster na de polemiek van Du Perron, de door Walravens verdedigde jonge hond die Paul Snoek toen was, de woorden van abbé Pierre, Ferdinand Bordewijk, Gaston Burssens, Tone Brulin, Stephen Spender, Alberto Moravia, Willem Frederik Hermans, Roel d'Haese, Luc Peire, Rik Wouters...

Veel gaat specifiek over politiek: "Ik spreek thans met iedereen over politiek, omdat ik meen dat wij een scharniertijd (...) beleven. (...) De klok staat op: Politiek," schrijft hij in 1955. Later heeft hij het er ook over met Claus, die opmerkt: "Heel het communistisch experiment boeit mij geweldig. Maar ik wou nog liever naar China dan naar Rusland. Want in China gebeurt het. Toch wil ik nog eerst naar Amerika."

Even glimlachen moest ik om de stelling die op de Dagen van de Vlaamse Gids in juli 1956 verdedigd werd - dat de cybernetica de wetenschap van morgen is: "Zij brengt ons niet alleen de automation, dat is het gebruik van machines die zichzelf controleren, maar ook een aantal indrukwekkende toestellen die met gedachten of althans met rechtstreekse reflexies begaafd zijn en uit zichzelf reageren kunnen. Deze automaten zullen het uitzicht van onze wereld nog meer veranderen dan de elektriciteit gedaan heeft." Zoals ook om deze opmerking, in 1959: "Ik vrees dat ik velen van mijn intellectuele lezers ga teleurstellen, maar werkelijk, ik houd van televisie."

Ontroerend schrijft Walravens over de jonggestorven dichter, ex-voetballer en socialistische militant Remy C. Van de Kerckhove. Maar ook de twee afsluitende herdenkingsartikelen beklijven: een over Gaston Burssens en een over de Brusselse kunsthandelaar Geert van Bruaene. In dat laatste de zin die vele vrienden van Walravens wellicht ook na zijn dood gezegd hebben: "Het is rot dat zelfs de volmaakte mens sterven moet."

Tot besluit nogmaals Louis Paul Boon: "een klein vinnig man, een duivel uit een kastje, met flikkerende ogen, met een grote snor, met druk bewegende handen en een nog veel drukker bewegende geest. Nee, hoe vlug zijn handen ook waren, ze konden zijn gedachten niet bijhouden. (...) Met die flikkerende ogen, met die bewegende handen, met die ruige snor: Ambiorix. Ik verontschuldig mij, maar ik heb het soms met vertederende spot gezegd: Janbiorix."

Jan Walravens, Jan Biorix, met een inleiding van Jeroen Brouwers, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 207 p., 600 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234