Zaterdag 16/01/2021

Een doorsneemens in de nazi-tijd

Einde augustus vorig jaar verscheen in Duitsland Het verhaal van een Duitser van Sebastian Haffner (1907-1999). Het boek klom vrijwel onmiddellijk naar de top van de bestsellers non-fictie en staat nog altijd op nummer één. De auteur analyseert zijn jeugd en leven als jonge volwassene tijdens het nazi-regime niet vanuit een politieke hoek, maar plaatst de gebeurtenissen in hun context. Het verhaal van een afscheid.

Sebastian Haffner

Het verhaal van een Duitser

Knack Wereldbibliotheek / Radio 1, 256 p., 990 frank.

Haffner schreef Het verhaal van een Duitser net voor de Tweede Wereldoorlog, hij had Duitsland in 1938 verlaten en was in Londen gaan wonen. De kinderen van Haffner vonden het manuscript terug tussen zijn nalatenschap. Haffner vertelt op een erg boeiende manier over zijn leven in Duitsland tussen 1914 en 1933, hij doet dat in een mooie, glasheldere en sobere stijl. Al op 31 augustus vorig jaar stond in de Frankfurter Allgemeine Zeitung te lezen dat Geschichte eines Deutschen het belangrijkste boek van 2000 was.

Een tweede reden voor het succes van het boek ligt vermoedelijk in de identificatie met de voorbeeldige Duitser die Sebastian Haffner ongetwijfeld was. Hij was "een doorsneeproduct van het Duitse burgerlijke intellectuele milieu". Zijn vader was een Pruisisch ambtenaar, eigenaar van veel liberale wijsheid en van een grote bibliotheek. De zoon kreeg een uitstekende opleiding, Haffner noemde zichzelf een conservatief liberaal, een democraat pur sang. In 1954 keerde hij naar Duitsland terug en werd een belangrijk publicist, hij schreef voor onder meer Die Welt en Stern. Zijn Anmerkungen zu Hitler geldt nog altijd als een van de scherpzinnigste analyses van het nazisme.

Sebastian Haffner zat op 31 maart 1933 als jonge jurist in de bibliotheek van een gerechtshof in Berlijn te werken. In de grote ruimte hing de stilte van "gezamenlijk geestelijk werk", van een "geluidloos concert". Plotseling viel een geluid in de oren dat aanzwol en even weer verdween. De stilte kreeg een andere inhoud, spanning en angst vulden de zaal. Toen kwam een storm van bruine SA-uniformen aangewaaid, het kabaal was dermate overtuigend dat de joodse werknemers na een korte, zakelijke sommering van de suppoost zelf het gebouw verlieten. Enkele collega's van Haffner barstten in lachen uit, "dat ogenblik was meer schrikbarend dan het voorval zelf: bliksemsnel besefte ik dat zelfs in deze ruimte, toch akelig, nazi's zaten".

Maar de fatale vernedering kwam uit Haffners mond zelf. Op de vraag van een SA-man of hij Ariër was, antwoordde hij zonder meer bevestigend. Hij was dat ook, toch besefte hij onmiddellijk de nederlaag, de blamage, zijn gebrek aan verzet. Toen hij het gerechtshof verliet was de storm bedaard, maar Haffner voelde dat het de voorbode was van veel groter onheil. In Berlijn was het nochtans business as usual. Film- en theaterzalen zaten vol, dansende stelletjes amuseerden zich in cafés en wandelaars flaneerden door de straten. Verontrust trok hij 's avonds met zijn joodse vriendin naar "die Katakombe". Daar werkte de cabaretier Werner Finck, een schepper van woorden die vertelden wat ze niet mochten vertellen. Hij sprak over concentratiekampen, huiszoekingen, angst en leugens in zinnen vol dubbele bodems. Zijn humor was zacht en danste, zijn spot was fijn van snit, zijn optreden was zo troostvol dat er stevig werd gelachen. Misschien voor het laatst. Toen wist Haffner: het gerechtshof was als instituut in elkaar gestort, "die Katakombe" stond nog overeind.

Tot 1933 kon men zijn wie men was, men was gelukkig of ongelukkig, verliefd of verloofd, getrouwd of ongetrouwd, men kon thuis zijn benen gewoon onder tafel schuiven en een normaal gesprek op gang brengen. In dat jaar echter werd het land bij zijn fundamenten gegrepen en door elkaar geschud tot alles finaal instortte. De intensiteit van 1933 valt niet te taxeren. "Wie daarover iets wil ervaren, moet biografieën lezen, en liefst niet de biografieën van staatsmannen, maar de veel te zeldzame biografieën van onbekende individuen." Alleen daaruit kan blijken hoe alle normale mechanismen werden ontmanteld, zelfs de privé-sfeer werd totaal aangetast, Haffners boek is er een sprekend voorbeeld van.

De auteur analyseert zijn jeugd en leven als jonge volwassene nooit vanuit een politieke hoek. Hij plaatst de gebeurtenissen in hun context en wijst met verbluffend gemak op een aantal feiten die de Duitse samenleving in de schoot van Hitler heeft geworpen. Alle kinderen van zijn generatie beleefden de Eerste Wereldoorlog als spel, de oorlog was ver weg, in Berlijn viel er niets van te merken. Of toch, het eten was niet denderend en bijwijlen schaars, maar wie denkt aan eten tijdens de finale van een belangrijke sportwedstrijd? En iedereen liep in een overwinningsroes met het hoofd boven de wolken. De Duitse capitulatie was een donderslag in hun kinderoren. Niet zozeer de frontervaring van de soldaten, als het positieve oorlogsbeeld dat aan tienjarigen zoals Haffner werd voorgeschoteld, was een van de redenen voor het latere succes van de nazi's.

Na de oorlog bleef het oorlog. Althans in Berlijn, waar de Spartacus-opstand uitbrak. Maar de revolutie was saai, verliep chaotisch en zonder strategie. Nooit werd er uitleg gegeven, de revolutie gebeurde omdat ze gebeurde. De keizer werd ontslagen, de Weimar-republiek was een feit, al zou ze nooit de juiste balans vinden. De republiek behandelde haar tegenstanders namelijk grootmoedig, de politici lieten haar verdedigen door haar tegenstanders, het Freikorps. Niet alleen wat de personen betreft, ook qua ideeën en vechtstijl vormde dit corps de voorbode van de SS, stelt Haffner. Zelfs de Hitlerjugend stond letterlijk in haar kinderschoenen, zoals in Haffners school, waar de leden van de Rennbund Altpreußen, Haffner incluis, de pro-revolutionairen in elkaar timmerden. Nog zo'n voorafspiegeling van het nazisme was de lichaamscultuur. Sport, sport, supersport, "de laatste grote massawaan" waaraan Haffner zich bezondigde. Iedereen wist alles over sport, deed aan sport, was een levende sportencyclopedie. Haffner kwam achteraf tot het besef dat heel die cultus het oorlogsspel wakker en overeind had gehouden.

In 1923 vernietigde de hollende inflatie het dagelijkse leven. Eén dollar kostte miljoenen mark. Veel mensen vluchtten in aandelen en betaalden daar achteraf de prijs voor. De straten vulden zich met bedelaars en arme mensen. Gehaaide zakenlui werden héél snel héél rijk, yups van de jaren twintig, champagnefeesten, ongeduldige liefde in bars en nachtclubs, kort en snel opgebruikt. "De jongeren die toen de liefde leerden, verwaarloosden de romantiek en omarmden het cynisme." Tussen 1914 en 1924 kregen ze geen vaste waardepatronen meer mee, alle traditie leek zoek. Het leek of niemand nog wist hoe een behoorlijk persoonlijk leven uit te bouwen. Alle sensaties, liefde en leed, geluk en ongeluk, waren de jongste tien jaar uit het publieke domein gekomen. Pas onder Gustav Stresemann, de politicus die de inflatie kon bedwingen, kregen de Duitsers opnieuw de kans een leven in de privé-sfeer te creëren. Ze wisten helaas niet meer hoe eraan te beginnen.

Die Stresemann-tijd (1924-1929) was géén grote tijd, wel de beste periode voor Haffners generatie. Er leek verse lucht door het land te stromen, Berlijn was een internationale metropool. Een deel van de jeugd werd gedragen door "een nieuw idealisme", een liberale geest die omvattender was dan het politieke liberalisme van de negentiende eeuw. Misschien lagen daar de fundamenten voor een "nieuwe voornaamheid", voor "een nieuwe esthetiek". En Haffner werd verliefd, even was de hemel wit van de sterren, de lucht zuiver als helder water.

Maar om de hoek lagen de demonen op de loer. Ze werden in korte tijd baas van de straat, van de stad, baas van het land. Hun baas brulde redevoeringen. Hij was gekomen om te bevelen en hij beval dat het uit moest zijn met korte haren voor de dames en met blote spektakelbenen à la Marlene Dietrich. Haffners ster vertrok naar Parijs, de Berlijnse lucht werd haar te dun, hij zou haar later nog één keer terugzien. Zijn latere joodse vriendin kon niet aan de terreur ontsnappen. Nefast in heel die ontwikkeling was het falen van de oppositieleiders. Ze vertrokken liever met de noorderzon, of hielpen Hitler zelfs aan een meerderheid om te regeren. Vanaf dat moment bestond oppositie nog alleen als individuele daad van vertwijfeling.

Mooi en verrassend vind ik Haffners portrettering van de politicus Walther Rathenau, minister van Wederopbouw en van Buitenlandse Zaken in 1922. Met Rathenau werd de politiek plotseling opnieuw interessant, als persoon was hij onontkoombaar. De massa groeide wanneer hij sprak, hij had een enorme impact op de fantasie van jong en oud, hij creëerde liefde en haat tegelijk. Haffner stileert deze man tot legende, hij stelt hem voor als de wandelende synthese van drie millennia cultuur- en gedachtegoed, rekent hem tot de vijf of zes grote persoonlijkheden van de beginnende twintigste eeuw. "Een aristocratisch revolutionair, een idealistische organisator van de economie, als jood een Duits patriot, als Duits patriot een liberale wereldburger, als liberale wereldburger een chiliast, een streng dienaar van de wet."

Dat is een verrassend beeld, want in standaardwerken over de Weimar-republiek (Peter Gay, Kurt Sontheimer) wordt de naam Rathenau nauwelijks vermeld. Hij was ook maar enkele maanden minister toen hij door jonge rechtse militanten werd neergeschoten. Maar ik geloof Haffner. Peter Sloterdijk omschrijft Rathenau in zijn Kritiek van de cynische rede (1983) als briljant stilist, als auteur van boeken die nog altijd het lezen waard zijn. "Rathenaus boek Zur Kritik der Zeit van 1912 is een eminent essay van een burgerlijk politicus, tegelijk succesvol grootondernemer en filosoof van respectabele rang, om zichzelf en zijn tijdgenoten de essentie van de moderne maatschappij te verklaren," aldus Sloterdijk. Haffner las Rathenau, dat verklaart misschien zijn idolatrie. En hij was niet alleen. Toen de politicus in Berlijn werd begraven, trokken honderdduizenden mensen door de straten, urenlang, ze weigerden afscheid te nemen van een mythe. Rathenau haalde zijn charisma uit zijn niet te vatten cultureel vermogen, zijn geest kon vliegen. Hitlers geest kwam uit de onderwereld waar de demonen huizen.

In april 1933 begon Haffners persoonlijke duel met het nazisme. Het gevecht was verloren voor het begon. Afscheid nemen werd een ritueel. Hij nam afscheid van het gerechtsgebouw, van politieke partijen die een voor een verdwenen, van zijn vertrouwde kranten die plotseling een andere redactie kregen, van een radiospreker die later vermoord werd teruggevonden, van acteurs en actrices. Hij nam afscheid van boeken die verbrand en verboden werden, van een vriendenkring waarin je niet meer kon uitmaken wie wie was. En vooral, zelfs "in het meest private leven wachtte afscheid op afscheid op mij". Zijn beste vriend emigreerde, zijn vader zag hoe de nazi's zijn burgerlijk-liberale waarden verpulverden. Hij bezweek eraan. Haffner koos voor een oplossing die hij aan Stendhal ontleende. Je moet je ik heilig en zuiver houden. Niet meeheulen met de nazi's en eindigen in grenzeloos cynisme dat verschrikkelijke absurditeiten met een holle lach accepteert. Maar je ik ook niet laten aantasten door leed, haat of rancune. Hij verliet het land.

Haffner beschrijft wat er gebeurt wanneer een democratisch midden in elkaar stort omdat de antiliberale krachten te sterk worden. Wanneer benepen theorieën uit de achterkamers van besloten huizen kunnen ontsnappen, plotseling de weg naar de openbaarheid vinden en zich in de geesten kunnen vastzetten. Het verhaal van Haffner is indrukwekkend in zijn eenvoud. Zijn Duitse uitgeverij vertelde me dat er daar ondertussen 300.000 exemplaren van zijn verkocht.

Wim Vermeylen

Haffner vertelt glashelder over zijn leven in Duitsland tussen 1914 en 1933

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234