Zondag 19/01/2020

Een dichter omringd door as

Dichters maken soms al te vroeg kennis met de dood. Er wordt dan ijverig gezocht naar het eindigheidsbesef in hun werk. In de poëzie van Jotie T'hooft moet je daar bijvoorbeeld niet veel moeite voor doen. Ook in het werk van Jan De Roek, die in 1971 op amper dertigjarige leeftijd verongelukte, gaat het over de vergankelijkheid, maar het is niet daarom dat een keuze uit zijn poëzie en essays het verdient heruitgegeven te worden.

De Roek (°1941) studeerde van 1959 tot 1963 Germaanse filologie aan de VUB. Hij schreef zijn eindverhandeling over Een geverfde ruiter van Hugo Claus, van wie er duidelijke sporen in zijn eigen gedichten te vinden zijn. Zijn kwaliteiten waren de Clausspecialist professor Jean Weisgerber niet ontgaan. De Roek werd in 1967 zijn assistent. En hij trad toe tot de vrijmetselarij. Ondertussen ontplooide De Roek vele activiteiten: hij schreef gedichten, vertaalde poëzie, onder andere van Wallace Stevens, wiens werk ook De Roeks poëzie beïnvloedde. Hij schreef recensies en essays voor allerlei tijdschriften. Op 4 september 1971 verongelukte hij met de auto, aan de vooravond van de Vlaamse Poëziedagen, waarvan hij secretaris was.

Eerder toonden Geert Buelens in zijn monumentale studie Van Ostaijen tot heden en Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters in hun spraakmakende bloemlezing Hotel New Flandres al aan dat Jan De Roek een bepalende rol gespeeld heeft in het poëzielandschap van de jaren zeventig van vorige eeuw. Er verscheen in 1980 een overzicht van zijn werk: zijn poëzie en proza werden in twee delen gepubliceerd door Pink Editions & Productions, de uitgeverij van het fameuze Antwerpse genootschap van dichters en kunstenaars-estheten dat Patrick Conrad en Nic van Bruggen opgericht hadden.

De Roeks belangrijkste gedichten staan ongetwijfeld in de bundel Jeunesse dorée. Het zijn gedichten van iemand die vecht met het bestaan, omdat hij zich bedreigd voelt: "Ik ben een levende toorts, een zinkend schip,/ een slagveld, een verbrande toren;/ ik sta omhelsd door asse te sterven." Er is een intens verlangen naar vereniging met de ander, vooral met de vrouw, maar die blijkt onmogelijk te zijn: "Zij kijkt mij zelfs niet meer aan,/ maar als zij eindelijk de deur uitgaat,/ zie ik nog net de doorn in haar oog/ en weet ik eindelijk/ waarom zij mij bedroog en voel ik mij verraden."

Terecht geeft Hans Vandevoorde in zijn verhelderende inleiding bij deze keuze uit het werk een belangrijke plaats aan Jan De Roek in de Vlaamse poëziegeschiedenis, omdat hij het werk van generatiegenoten als Michel Bartosik, Roger De Neef en Wilfried Adams beïnvloedde en vooral omdat hij met zijn zoektocht naar taalgerichte poëzie onrechtstreeks het pad voor de verdere evolutie van onze poëzie effende. De Roeks werk is dus meer dan een persoonlijke verwerking van de schriftuur van Hugo Claus en Hugues C. Pernath. Met deze uitgave werd werkelijkheid wat De Roek zelf schreef: "De schrijver schrijft zichzelf een gedenkboek en een grafschrift in de hoop dat anderen hierdoor geroepen worden hetzelfde te doen."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234