Zaterdag 16/10/2021

Een dansende monnik

Heeft een mens een zelf nodig? Hoe eetbaar is geschilderd brood? Kunnen bomen praten? Het zijn maar een paar vragen die de dichter Cees Nooteboom oproept in zijn nieuwe bundel, Zo kon het zijn. Ongeveer gelijktijdig daarmee verscheen ook een heruitgave van zijn prachtige Japanse novelle Mokusei!. Een gesprek over reislust en dichtkunst.

Herman Jacobs

... wat hij vaak gedacht had: dat hij haar wilde worden, en dat hij het gevoel had, zonder dat een van beiden ooit iets gezegd had, dat er bij haar net zoiets aan de hand was, dat zij, hoe idioot het ook klonk, bezit probeerde te nemen van zijn lichaam, niet om hem te hebben, maar om hem te zijn.

Hij zou dit nooit aan iemand uit kunnen leggen. Hoe kun je tegen een ander, zelfs al is het je beste vriend, zeggen dat je aan de greep van een vrouwenhand kon voelen dat die aangedreven werd door een begeerte die ver boven elk kortstondig bezit uitging, dat die hand naar zijn gebeente greep, naar zijn schouders, zijn ellebogen, zijn knieën, zijn bekken, zijn hoofd, overal waar hij meer been was dan vlees, alsof zij wist dat daar zijn essentie zat, dat zijn ziel eerder in het harde, technische deel van zijn lichaam huisde dan in het zachte dat zoveel eerder verdwijnen zou.

Mokusei! is de mooiste novelle aller tijden. Dat vond ik in ieder geval toen ik ze voor het eerst las, niet lang nadat mij de ramp had getroffen die de meesten van ons eenmaal treft, als we afscheid moeten nemen van degeen die de volmaakte, noodzakelijke geliefde was, de enig mogelijke onder die zes miljard. Zij was niet Japans, noch ben ik een Nederlandse fotograaf, maar dit was mijn verhaal, hier stond exact, exact, wat mij was overkomen. De uiterlijkheden waren anders - en ook de innerlijkheden waren, om de waarheid te zeggen, niet precies dezelfde -, van de details klopte niets, en toch: dit was mijn verhaal, helemaal, zo dwingend was de kracht van deze zinnen, zo spookachtig juist de toon, zo onovertroffen de formulering ervan.

Dit is, dacht hij, eerder oorlog dan iets anders. Woede was er in haar liefde gemengd, een woede die met de zijne correspondeerde. Bijten, verslinden, de ander eens en voor altijd binnendringen, opvreten, meenemen, heel die hopeloze bedoening van mensen die elkaar willen worden, één ding willen zijn en het niet kunnen, altijd weer gedwongen worden uit elkaar te gaan, los te laten, lege kamers achter zich verzamelend waarin gebaren en woorden, de verminkte taal van nooit afgemaakte zinnen moet vervliegen tussen de onaandoenlijke voorwerpen die wachten op de volgende gasten of die niet wachten, die er alleen maar zijn.

Enige tijd nadien zou ik, niet eens tot mijn verbazing, ontdekken dat de schrijver van dit meesterwerk in miniatuur, Cees Nooteboom, ook de auteur was van het definitieve, alle andere overbodig makende, mij met sprakeloosheid slaande verloren-liefdesgedicht, 'Abschied'. En dus leren wat deze opmerkelijke dichter zelf al veel eerder had geleerd: "(...) dat al mijn unieke dromen / in bioscopen te zien zijn", zoals hij schreef in zijn gedicht 'Churchill's black dog, oder Herr Nuszbaum klagt'.

Vele jaren later, staande voor een uitpuilend boekenrek, weet ik dat de mooiste novelle aller tijden alleen als abstractie kan bestaan, net zoals de enig mogelijke geliefde (- en dat abstracties machtig zijn). Maar dat Mokusei! een meesterwerk is vind ik, nu ik het voor de zoveelste maal herlees, nog steeds - het is net verschenen in de mooie, uniform vormgegeven reeks waarin De Arbeiderspers bezig is alle romans en verhalen van Nooteboom opnieuw uit te geven.

Bij die uitgave hoort een kleine anekdote, vertelt Cees Nooteboom daags na zijn optreden in Antwerpen op Dichters in 't Elzenveld: "Wel geestig. Toen ik naar de uitgever belde voor mijn auteursexemplaren, zeiden ze: 'Die hebben we niet.' Hoezo, hebben jullie niet? 'Ja, nee, we hebben nog maar twee exemplaren. Er is een vergissing gebeurd, de hele oplage is meteen uit het magazijn uitgeleverd, er was een hele grote bestelling van (de boekhandelsketen) Bruna, en nu hebben we er nog maar twee over.' Ik zeg, nou ja, goed, maar hoe moet dat dan? Want die bewijsexemplaren wil ik wel graag. 'Ja, nou, dan zullen we die bij de boekhandel moeten terugkopen.'"

De novelle, hoezeer ze de schrijver ook rauw uit de ziel gescheurd lijkt, is overigens niet Nootebooms eigen verhaal. Ze is losjes gebaseerd op de geschiedenis van de amour fou die een vriend van hem, de schilder-etser Sjoerd Bakker, in Japan overviel - Bakker maakte later ook de omslagtekening voor de eerste uitgave van Mokusei!. 'Schrijven doe je niet met hartebloed, schrijven doe je met inkt,' zoals Nootebooms collega Mulisch in een interview met deze krant verklaarde. Bovendien, wat is eigen, wat is zelf? Hebben we zoiets eigenlijk wel nodig, een zelf?

Nooteboom: "Wat is dat dan, dat zelf? Mensen hechten daar een overdreven betekenis aan, denk ik soms. Het is ook aan verandering onderhevig, je noemt jezelf 'ik', zowel op je zevende als op je 72ste, maar heb je het dan over hetzelfde 'zelf'? En verder is het de vraag hoeveel van dat zelf werkelijk van jezelf is. We worden geboren in een taal, in een maatschappij, in een tijd - al die dingen beïnvloeden dat zogenaamde autonome zelf. De meeste mensen vinden dat een uitermate onaangename, bedreigende gedachte, dat ze niet helemaal van zichzelf zouden zijn. Maar je moet toch ook een beetje afstand van jezelf kunnen nemen?"

In 'Zelf', een gedicht uit zijn nieuwe dichtbundel Zo kon het zijn, formuleert hij het zo:

En als we ons zelf nu eens achterlieten? Daar gaat het, zonder groeten, mokkend en tobbend op zoek naar iets beters. Het kijkt niet eens om. En wij? Wij moeten eerst wennen aan dit stralende landschap van vroeger en later, van lichtende tijd zonder nu.

Laten we het eens over die nieuwe bundel hebben. Al heeft Nooteboom zijn naam als auteur gevestigd met zijn romans en misschien meer nog met zijn reisverhalen, "poëzie is toch de kern" van zijn schrijverschap, vindt hij. Ook in gedichten kun je overigens reizen, om te beginnen letterlijk: Santa Monica, Paros, Hamburg, Galway, het Duitse Detmold en Japan worden in Zo kon het zijn aangedaan, en verder bevat de bundel een cyclus van vier gedichten met de titel 'Kartografie'.

Dat het niet ieder dichters lol is, dat zwerven over de aardbol, is de avond tevoren nog gebleken, toen Nootebooms Duitse collega Durs Grünbein zijn gedicht 'Kosmopoliet' besloot met het niet mis te verstane vers "Reizen is een voorproefje van de hel".

Nooteboom heeft dit vaker bij de hand gehad: "Ja, kijk, zelfs bij heel intelligente mensen heb je altijd twee scholen, meestal heel extreem. 'Reizen maakt dom,' heeft Willem Brakman eens gezegd. Terwijl, Borges was niet dom, hij was zelfs blind, en toch ging hij op reis. Borges wilde zijn hand ergens op kunnen leggen, de piramides aanraken. Hij is ook in Japan geweest. En de kwellingen die met reizen gepaard gaan, uren en uren in een vliegtuig zitten, al die dingen, dat is allemaal heel relatief moet ik zeggen. Als je toch bedenkt dat Van Dyck, waar hier in Antwerpen nu zo'n mooie tentoonstelling over is gemaakt - in de tijd die die man nodig had om in Italië te komen ben je nu vier keer in Siberië en terug geweest.

"'Het lichaam werd tijd ontstolen, de ogen rust,' zegt Grünbein in dat gedicht. Het is weleens niet leuk, op reis zijn, maar die turbulentie om je heen werpt je op jezelf terug en daardoor heb je op reis juist tijd om na te denken, te mediteren, is mijn ervaring. Ik vraag me altijd af, als ik aan een boek bezig ben, als ik ongeveer voor me zie waar het over zal gaan, waar komt dat nu allemaal vandaan? In mijn geval is het zo, vooral bij fictie, dat wat er uiteindelijk komt voorbereid is door die reizen. Ik vind dat dus geen verloren tijd. Hij blijkbaar wel. Maar dan moet-ie gewoon thuisblijven. Er zijn mensen die dat doen en ik heb daar het grootste respect voor, ik heb daar verder geen oordeel over. Alleen hebben zij wel altijd een oordeel over reizen. 'Reizen is dom' - dat is toch onzin? Zeg dan gewoon: ik wil liever thuisblijven. Daar is helemaal niets tegen. Maar voor mij is reizen een natuurlijke staat. Ik ben een nieuwsgierig mens."

Misschien is het aantrekkelijke van reizen ook de omstandigheid dat het, doordat je je in zekere zin altijd ergens 'tussenin' bevindt, de tijd opheft? Dat laatste, het uitschakelen van de tijd, dan wel het transformeren van tijd in oneindigheid, wat op hetzelfde neerkomt, is, met name in zijn poëzie, een steeds terugkerend thema in Nootebooms werk - "lichtende tijd / zonder nu," om nog eens op het al geciteerde 'Zelf' terug te komen.

"Ik heb er allerlei theorieën over opgeworpen in de loop van de tijden, omdat mij altijd gevraagd wordt 'Waarom reis je zoveel, is dat geen vlucht', al die clichés die je dan te horen krijgt. Het heeft inderdaad iets met het opheffen van de tijd te maken, zeker als - het is heel kinderachtig wat ik nu ga zeggen, maar toch ook waar: als je vliegt, ik zeg nou maar iets, van Fiji naar Tonga, en je vertrekt om vier uur, dan kom je om zes uur aan - alleen is het dan gisteren. Dat is dus echt zo. Daar heb ik ook gelogeerd, in het International Dateline Hotel, daar woon je dus gewoon letterlijk op de datumgrens, en daar is de tijd in zekere zin opgeheven. Dat zijn natuurlijk thema's die precies bij mij passen.

"Als je op mijn manier reist, dan bevind je je ook altijd al in verschillende tijdsgewrichten tegelijk. In de meeste plaatsen die ik bezoek, Venetië, Florence, San Francisco, ben ik niet met het nu bezig, maar met het toen. Ik bèn er natuurlijk wel in een 'nu', maar over het algemeen gaat het mij op de meeste van mijn reizen ook altijd om het 'toen'. Spanje, dat is natuurlijk toch ook de romaanse kunst, Cervantes, Velázquez. Dat heb je in Los Angeles niet zo, nee. Al vind ik dat ook geen bezwaar - dat komt aan de orde in het boek dat ik over mijn reizen in de Verenigde Staten heb geschreven (De wereld een reiziger, HJ): hoe kan het dat iemand bediende is van de schoonheid, om het nu maar zo te zeggen - Florence, Botticelli, enzovoort -, èn zich tegelijkertijd onderwerpt aan gebarsten asfalt en neonreclames in het midden van Arkansas? Dat kan.

"En trouwens, hoe kort ook, àlles heeft een geschiedenis, Los Angeles, Australië, noem maar op, mensen onderschatten dat. De aborigines zijn er toch al duizenden jaren?"

Terug naar de poëzie. Nooteboom heeft heel 'open', toegankelijke gedichten geschreven (en liedteksten voor Liesbeth List), neem een afdeling als 'Chagrin public' uit Aas (1982) - maar die zijn in zijn werk niet in de meerderheid. Zijn vorige bundel, Het gedicht van het oog (1989), was een sterke maar ook strenge verzameling, met nogal wat immanente, al dan niet via een omweg over zichzelf gaande gedichten. Ook in Zo kon het zijn is het abstractieniveau af en toe erg hoog. Weliswaar vind je ook 'gewone', meditatieve verzen als het titelgedicht (integraal geciteerd op pagina 29) - maar neem het volgende, 'Plato, Meléndez' (over de Spaanse schilder van stillevens Luis Meléndez (1716-1780), zoals Nooteboom in de 'Aantekeningen' achteraan toelicht), niet het sterkste uit de bundel, maar zeer illustratief:

Plato had gelijk, Meléndez bewijst het. Kaas, kersen, pruimen, kan, wegens schoonheid oneetbaar, onbruikbaar, lang voor ons denken voorbeeldig, zonder denker of schilder tot verschijning voor eeuwig veroordeeld,

de kaas, de pruimen,

de kersen, de kan.

Nooteboom: "Tja, dat lijkt me duidelijk genoeg, toch? Dit gaat over de platonische ideeën, natuurlijk - maar ik geloof dat die alleen in de kunst bestaan. Pas door de kunst worden de dingen platonisch. Dus er is niet een eeuwige idee van een kan, nee, er is een kan, en dan schildert iemand die, en dan wordt het de platonische idee van een kan: de kan."

Plato, geen vriend van de kunsten, zou het er niet mee eens zijn geweest - en al helemaal niet met de formulering "tot verschijning voor eeuwig veroordeeld". Maar typerend voor deze niet van paradoxen afkerige dichter is het wel.

"Veroordeeld, ja. Want die kaas, die kan, die mogen niet het gewone leven leiden van kaas en kan," verklaart Nooteboom. "Het gekste wat ik onlangs heb gezien, en dat heeft hiermee te maken, op een heel andere manier dan, was in het egyptologisch museum van Turijn. Daar ligt brood van vierduizend jaar oud. Je ziet daar dus de volstrekt normale vorm van een broodje - er is alleen iets vreselijks met dat broodje gebeurd: het is nooit opgegeten. Is dat niet tragisch?"

Jawel - "alleen het geschilderde brood is nog eetbaar", moeten we concluderen, net zoals Nooteboom dicht in 'Hof, januari'. "De bedoeling van die regel is eigenlijk: uiteindelijk is dat brood toen opgegeten. Maar dat brood op dat schilderij, dat blijft daar maar. Dat is vereeuwigd - niet letterlijk, ooit houdt ook dat schilderij op te bestaan, maar toch... Dat is wat kunst doet. Neem nu Van Dyck, waarom staat zo'n museum stampvol mensen? Mensen die anders normaal gesproken in de kerk hadden gezeten, begrijp je? Ik bedoel, kunst is de transcendentie van deze tijd. Het is het enige wat er nog is, als je niks anders meer hebt."

Weer een andere paradox is te vinden in 'Landschap bij Detmold':

"Nee, nee / wij zijn maar bomen / en struiken, / een ogenblik in je / voorbijgaande dag. / Zag je ons? En wist je dan hoe / wij heetten? / Elzen, wilgen, eiken, / kende je ons? / Zag je hoe zeer we hier zijn, / hoe we altijd hier zijn, / ook als jij ons niet ziet? / Denk je ooit na over onze voorbeeldige / trouw aan onszelf / en aan jullie, / hoe we hier staan in alle seizoenen, / een huis voor veel vogels / een grote viool voor de wind. / Jullie noemen ons landschap, / uitzicht, natuur, / en kleuren ons bij naar je stemming, / maar wij, / in ons langzame zwijgen, / wij blijven uitsluitend / onszelf, / geen onderwerp voor een / gedicht."

"Dit heb ik geschreven voor het kunstproject Die poetische Landschaft, in de buurt van Detmold," legt de dichter uit. "Tien dichters uit binnen- en buitenland kregen de opdracht daar eens in het in landschap rond te gaan kijken en er iets over te maken. Die gedichten zullen ondergebracht worden in huisjes die de Zwitserse kunstenaar Peter Zumthor voor ze gaat bouwen, her en der in het landschap verspreid. In mijn gedicht laat ik die bomen en struiken het hele project een beetje ironiseren. En paradoxen hebben altijd al een rol gespeeld in mijn werk. "

Is er misschien, bij alle soms fraaie verwoordingen, in deze gedachtenlyriek niet toch wat veel gedachte en wat weinig lyriek? Daar kan Nooteboom het niet mee eens zijn:

"Nee, aan de vorm is juist heel veel zorg besteed. Het is niet zo dat ik ging zitten en dacht, hoe zal ik deze fraaie gedachte nu eens vermommen als poëzie. Ik heb trouwens ruimte genoeg om, als ik werkelijk gedachten of beschouwingen mee te delen heb, die in proza te formuleren. Als je die cyclus 'Basho' ziet die ik gisteren heb voorgelezen, uit Het gezicht van het oog, dat is toch heel beeldend. Het is geen barokke, woorderige poëzie, dat niet. Godzijdank, dat laat ik graag aan anderen over.

"Maar poëzie heeft iets mediamieks, iets druïdeachtigs, poëzie moet zich in avontuurlijk gebied wagen, moet doordringen in een taalgebied dat ze zelf schept. Dat ze daar dan soms uit terugkomt met dingen die in eerste instantie duister kunnen lijken - kijk, als ik Eugenio Montale lees, of Wallace Stevens, of Gerrit Kouwenaar, dan vind ik daar een zekere mate van versluiering en verdichting in en persoonlijke allusies die ik ook niet allemaal begrijp. Maar dat vind ik helemaal niet erg.

"Mijn poëzie is voor een klein gezelschap, een klein kerkgenootschapje - "een gnosis van gemaskerde zinnen / in een steeds onherkenbaarder schrift," heet het in het openingsgedicht, 'Latijn' -, die heeft zijn eigen liefhebbers en daar zijn er niet heel veel van, dat weet ik. Ik heb daar vrede mee. Eerlijk gezegd houdt dat me ook allemaal niet zo bezig. Al ben ik natuurlijk toch ook nieuwsgierig naar wat men ervan vindt, zo ben ik ook weer wel."

"Je bestaat toch uit een massieve tegenstelling," besluit Nooteboom. "Je hebt van die voorstellingen van mensen die gaten door zich heen hebben - niets klopt. Daar vergelijk ik het dan maar mee. Ik heb iets van een danser in me en iets van een monnik, New York en het zenklooster. Het is niet eenduidig wat ik doe. Tot grote dogmatische conclusies ben ik ook nooit gekomen."

Cees Nooteboom, Mokusei! & De Boeddha achter de schutting, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 102 p., 599 frank. Cees Nooteboom, Zo kon het zijn, Atlas, Amsterdam/ Antwerpen, 48 p., 995 frank.

'In het egyptologisch museum van Turijn ligt een broodje van vierduizend jaar oud. Nooit opgegeten. Is dat niet tragisch?'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234