Woensdag 23/09/2020

Een dagdromende individualist

Badly Drawn Boy en Coldplay zorgen voor opwaardering van Britse popmuziek

Badly Drawn Boy

The Hour of Bewilderbeast, Twisted Nerve/PIAS.

Coldplay

Parachutes, Parlophone/EMI.

de Bossen

Feel the Beating..., Twilight Bark/PIAS.

Ween

White Pepper, Mushroom/Sonic Rendez-Vous.

Russ Tolman

New Quadrophonic Highway, Blue Rose/Sonic Rendez-Vous.

De immer voortvarende Britse muziekpers gewaagt al van het debuut van het jaar. En hoewel zulks tot enige skepsis noodt, moeten we het toegeven: de eerste langspeler van Badly Drawn Boy is een hoogst aangename verrassing. Damon Gough, de man achter het pseudoniem, is een dertigjarige doe-het-zelver uit de omgeving van Manchester die, na jaren van slaapkamergeknutsel à la Babybird, in 1997 de eerste van een reeks EP's uitbracht en ook al te horen was op Psyence Fiction van UNKLE. Maar naar The Hour of Bewilderbeast te oordelen is zijn moment nu echt aangebroken. Het gaat om een songcyclus die je als de lo-fi-tegenhanger van Pet Sounds zou kunnen beschouwen en waarin Badly Drawn Boy het over zijn ups en downs in de liefde en het verlies van zijn onschuld heeft. Dat doet hij, gebruikmakend van uiteenlopende stijlen, maar met een bijzondere gave voor melodie. Het ene moment resulteert dat in puike indiepop als 'Everybody's Stalking' of 'Another Pearl'; het andere in sierlijk gearrangeerde pastorale liedjes, type 'The Shining' of 'Stone on the Water', die herinneren aan het werk van de onvolprezen Nick Drake.

Badly Drawn Boy gebruikt veel akoestische gitaar, piano, cello en xylofoon, maar schuwt ook de elektronica niet. Hij is een man van contradicties, een dagdromende individualist, een romanticus die tegelijk gevoelig én grappig durft te zijn en een melancholicus die er geen graten in vindt met een zonnig, loungy deuntje als 'Once Around the Block' uit te pakken. Gough vertrouwt op zijn onderbewuste, put veel inspiratie uit (herinneringen aan) zijn kindertijd en buigt niet voor de macht van de radio of de platenindustrie: hij houdt zijn muziek met opzet ongepolijst en bestaat het zelfs om in een nummer als 'Cause a Rockslide' low budget funk te laten botsen met een mandolineballad en er halverwege ook nog wat kortegolfgeluiden tussen te pleuren. The Hour of the Wilderbeast is niet perfect: tussen de juweeltjes verschansen zich namelijk ook enkele schetsmatige instrumentals. Maar het is wel een plaat die intrigeert, fascineert en je tot luisteren dwingt. Alleen al om die reden is Badly Drawn Boy een aanwinst.

Een andere bescheiden Britse sensatie is Coldplay, binnenkort te zien op Pukkelpop en net bevallen van Parachutes, een debuut dat je dezelfde verwachtingsvolle tintelingen bezorgt als destijds de eerste platen van U2 en Radiohead. De vier leden van Coldplay vonden elkaar aan de Londense universiteit, zijn gemiddeld 22 jaar oud en wisten enkele maanden geleden al de aandacht te trekken met de fantastische single 'Shiver'. Het geheime wapen van de groep is zanger Chris Martin, een natuurtalent met de vocale souplesse en het expressievermogen van een Jeff Buckley. Coldplay grossiert in dromerige, kwetsbare maar sober ingekleurde gitaarpop, die in melancholische sferen baadt, maar waar tegelijk een zekere kracht van uitgaat. Knap geconstrueerde songs als 'Don't Panic', 'Spies' en 'Sparks' geven meteen aan dat we niet met eendagsvliegen van doen hebben. Coldplay maakt muziek die als een hongerige rattenkolonie aan je geheugen knaagt. Weet je tenminste waar die aangename pijn vandaan komt.

Een band waarvan de leden Wim DB, Inneke 23 en Lara Wolfsmelk heten, dicht je haast vanzelf een hoog rock-'n-rollgehalte toe. En terecht: de Bossen, een trio uit het Antwerpse, worden wel eens als de Belgische tegenhanger van Dead Moon omschreven. Hun sound distilleren ze deels uit obscure, trashy garagepunkplaatjes met een sixtiesstempel, deels uit de prestaties van girl groups als The Shangri-las en die combinatie leverde twee jaar geleden met The Girl Collection al een voortreffelijk debuut op. De opvolger, Feel the Beating..., is echter een twijfelgeval. Niet dat het anachronistische maar catchy popliedjes zoals 'Diver', 'Initial Love (Forever)' en 'Sad Boy' aan charme ontbreekt: de rammelende treblegitaar, de ronkende fuzzbas en de pittige meisjesstemmen luisteren lekker weg. Toch steken die tracks een beetje flets af tegen 'I Taste the Floor' en 'Train': donkere, mistroostige maar meeslepende nummers waarin Wim DB het heft in handen neemt en zijn gitaar laat snijden volgens de beproefde Neil Young-methode. Dit zijn de momenten waarop de Bossen boven zichzelf uit lijken te stijgen en hun sympathieke gefröbel omslaat in iets intens en emotioneels. Misschien moeten ze het volgende keer eens met een goede (en dus strenge) producer proberen?

De prettig gestoorde Amerikaanse (nep)broers Gene en Dean Ween zijn met White Pepper al aan hun tiende langspeler toe. En geloof het of niet, hun nieuwste werkstuk laat een enigszins verrassend geluid horen. De scherpe en subversieve kantjes van vroeger lijken weggevlakt, van schuttingtaal valt geen spoor meer te bekennen en dit keer heeft Ween zowaar met een heuse band gewerkt (inclusief achtergrondzangeressen) in een al even heuse studio. Daar valt mee te leven, zeker omdat die nieuwe aanpak occasioneel aanleiding geeft tot een doorwrochte popsong als het zonnige 'Even If You Don't' of de gestroomlijnde countryrock van 'Stay Forever', die op een plaat van, pakweg, Fountains of Wayne niet zou misstaan. Het probleem is alleen dat Ween in zowat de helft van de tracks nog altijd per se grappig wil zijn en daardoor afwisselend flauw, geforceerd en melig overkomt. Belegen acidrock, een onder water opgenomen instrumentaaltje, nerveuze sixtiespunk, huppelende kitschpop - dat alles leidt ertoe dat de plaat op twee gedachten hinkt en de samenhang finaal zoek raakt. De heren zijn er blijkbaar nog niet uit of ze nu voortaan ondergronds of bovengronds willen opereren en komen uiteindelijk tussen wal en schip terecht. Paul Severs zong het dertig jaar geleden al: 'Geen wonder dat ik Ween.'

Voormalig True West-zanger Russ Tolman werd tijdens de jaren tachtig geassocieerd met de Californische Paisley Underground-beweging, waar toen ook bands als Naked Prey, Green on Red en The Dream Syndicate deel van uitmaakten. Sinds hij solo ging hield Tolman zijn psychedelische uitspattingen echter netjes onder controle en groef hij steeds vaker naar de wortels van de Amerikaanse muziek. Op zijn zevende langspeler, New Quadrophonic Highway, probeert hij die roots nu te koppelen aan de moderne technologie en goochelt hij zowel met oude synths en digitale loops als met banjo's, dobro's en pedal-steelgitaren. Die moedige poging tot country-house levert soms aardige resultaten op, maar klinkt tegelijk een beetje gezocht. Tolman klinkt dus op zijn best als hij gewoon zichzelf is, zoals in het samen met Steve Wynn geschreven 'I've Had a Few', het gedreven 'There I Am' of het soulvolle 'Respect & Consideration'. De zanger, wiens stem aan die van Lloyd Cole doet denken, zakt hier nooit onder een bepaald niveau, maar we hebben hem toch al overtuigender gehoord.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234