Woensdag 28/10/2020

Eén dag niet lachen met Les Ch’tis

ou de Duitse schilder Caspar David Friedrich er eigenlijk ooit geweest zijn, in Wallers-Arenberg? Hij die hield van kerkhoven, ruïnes en omgehakte bomen. Van beklemming op doek. Trouée D’Arenberg, de meest danteske aller kasseistroken, dat is Friedrich anno 2011. Een doodsweg van 2.400 meter, omgeven door een al even dreigend bos. Zelfs wandelaars leggen een extra knoop in hun veters bij het zien van de Drève des Boules d'Hérin. Stenen als botte messen. De al te diepe putten worden gedicht met bitumen. De rest met beukennootjes. In niets te vergelijken met de modeste plavuizen rond de Vlaamse kerken. Het is afzien van strot tot staart.

“En te weten dat ik hier dagelijks het zuur uit de benen rijd.” Serge Damiens is de figuurlijke poortwachter van Wallers. Al meer dan dertig jaar woont hij aan de voet van de strook, in het omgebouwde stationshuisje vlak bij de spoorweg. Ieder halfuur stelt een voorbijrazende trein de fundamenten van zijn woonst op de proef. De ex-machinist woont letterlijk op een meter van de sporen. Het deert hem schijnbaar niet. Met de helleklassieker in het vooruitzicht jaagt hij de bezem door zijn kleine garage en spoelt hij met de tuinslang bijna zijn hond het huis uit. Koers interesseert hem eigenlijk geen bal, Parijs-Roubaix wel. Hij zag Fignon doodgemoedereerd opgeven eind jaren tachtig - “Ik kon zo aan zijn staartje trekken” -, hoorde de knie van Museeuw bijna breken eind jaren negentig en hoopt op een Franse zege in de jaren tweeduizend. “De koers, die is van ons. Parijs-Roubaix, dat is van Wallers. Dan leven we op. Dan wordt er niet gelachen met Le Nord, geloof me. De passage van Boonen en co., dat is óns moment. Zelfs de inwoners die werkelijk niets afweten van de koers, zoals ik, komen dan naar hier, om dingen te verkopen aan de supporters. Standjes met kaas en taart. En de Vlamingen maar eten en drinken! Een vriend van mij verkoopt hier zelfs kasseien. Allez, wie koopt er nu een gewone steen?”

Schrik, veel schrik

Grijs, anders kun je de omgeving van Wallers niet noemen. Er is de groene long van Arenberg, dat wel, maar de streek ademt de melancholie uit die ook de films van de broers Dardenne zo kenmerkt. Dit kan ook Seraing zijn. De trieste voorstad van Luik, waar de Igors, Rosetta’s en Bruno’s strijden tegen sociaal isolement. De alchemie tussen generaties is het bindweefsel van de sombere cinema van de Luikse broers. L’enfant kon evengoed hier opgenomen zijn. Geen streek in Frankrijk die zo vaak dienstdoet als decor voor sociale drama’s als Nord-Pas-de-Calais. Kan ook moeilijk anders. Wie bij het binnenrijden van Wallers het omgebouwde stationshuis van Damiens is gepasseerd, komt terecht in een mijnwerkersdorp. Arbeiderscités die het kruisbeeld hebben ingeruild voor de schotelantenne. Hier liggen moestuintjes nog aan de voordeur, hangt de was nog gewoon aan de draad. Tegenover het lange lint huisjes ligt de steenkoolmijn. De echte Hel van het Noorden.

Hier speelde Germinal van Emile Zola zich af. De rauwe roman over de mijnwerkers en stakingspiketten. Ex-kompel Jean Lepczynski, lid van Les Amis de Germinal et Anciens Mineurs, was erbij in ’93, aan de zijde van Gérard Depardieu. “Rare vent die Depardieu, maar euh, hij vond mij wel een goede figurant.” Lepczynski beulde zich 35 jaar lang de pleuris in de zwarte goudmijn. “Al die tijd zorgden wij voor de economische hoogvlucht van Frankrijk. Na de Wereldoorlogen hadden ze hier nood aan mankracht. Vooral Belgen, Polen en Italianen. Later ook Marokkanen, Tunesiërs en Algerijnen. Goudzoekers zeg maar. Ook ik ben hier beland door mijn vader. Vijfendertig jaar lang at ik stof. Luister naar mijn stem, ik heb amper nog adem. De stoflongziekte. Hoe lang ik het nog ga uithouden? Geen idee. Dat is het resultaat van zo veel jaren labeur. Tussen 1930 en 1960 daalden hier dagelijks vijfduizend mannen naar beneden. Wat zeg ik, mannen en jongens. Gueules noires, ‘zwartsnoeten’. Sommigen waren 12 jaar en wroetten urenlang meer dan 600 meter onder de grond, tussen de kool, in de hitte, met de dood die om de hoek loerde. Meneer, ik heb schrik gehad, veel schrik. Maar dat weten de supporters van de koers niet. L’Enfer, die ligt 100 meter voorbij het bos. De mijn.

“We haalden jaarlijks 500.000 ton naar boven. Driemaal ben ik aan de dood ontsnapt. Mijn schoonvader is niet meer, mijn beste vriend is niet meer. Hier (wijst naar een gedenksteen), 117 zijn er gesneuveld: 117, voor de welvaart van het land. Wallers, dat was steenkool en niets anders. Het ganse dorp leefde ervan. De eigenaar van de mijn was tegelijk eigenaar van het dorp, van alle huisjes, van alle winkels. Het kwam er als mineur op aan om vooral niet ziek te worden of dood te gaan. Dat betekende bijna het einde voor je gezin. Dan moesten vrouw en kinderen de wagentjes van 650 kilogram diep onder de grond voortduwen. Drie jaar voor de definitieve sluiting op 24 maart 1989 ben ik met pensioen gegaan. Het moment dat ik uit de schachtlift kwam, heb ik op mijn blote knieën gebeden. Bedankt hierboven. Bedankt dat ik nog leef.”

Bidden is bijna een dagelijkse bezigheid van de ex-mineurs. In het kerkje even verderop richten ze zich tot Sint-Barbara, de beschermheilige van de mijnwerkers. Marine Jazosz, de conciërge van het kleine doch charmante kerkje, wijst ons de weg. Werkelijk alles staat in het teken van de zwarte kool. Het altaar is vervangen door een berline met opschrift 1898-1989. De glasramen vertellen niet het verhaal van Christus, maar van Sint-Barbara. Er staan weinig kaarsen, weinig beelden. Er ligt vooral steenkool in de kerk. “Met een steenkoolmijn in de buurt moet je gelovig zijn”, vertelt Marine. “Hier komen de mensen nog naar de kerk. Afgelopen weekend zat ze afgeladen vol. We speelden een toneeltje van de apostelen. Bijna het ganse dorp was erbij. Wallers, c’est la fraternité. Arabieren, Polen, Italianen, Belgen, wat doet het ertoe? Cosmopolitique.”

Merci, Jeanke

De mijn van Wallers is onlosmakelijk verbonden met Parijs-Roubaix, met dank aan Jean Stablinski, de ex-wereldkampioen die zelf ook neerdaalde in de Hel. Op het moment dat de klassieker in de jaren zestig enigszins aan populariteit en prestige inboette door een gebrek aan kasseistroken, stapte Stablinski op de organisatoren van Parijs-Roubaix af. Lepczynski: “Hij sprak hen over de Trouée D’Arenberg. Ze verklaarden hem gek. Meneer Stablinski, dat zijn geen stenen, dat zijn gewoon putten. Vergeet het. Maar ja, ze moesten iets doen, hé. In ’65 telde de wedstrijd maar 22 kilometer aan kasseien meer. Kon ook niet anders. Na de Tweede Wereldoorlog werd het ganse land bijna onder een verse laag asfalt gelegd. Peter Post won ooit Roubaix aan een gemiddelde van meer dan 40 per uur. Dus ja, onze pavés hier in Arenberg werden dan toch goedgekeurd.”

“Ons respect voor de coureurs was echt groot. Wij vochten tegen het stof en de hitte diep onder de grond, terwijl zij het volle pond gaven en nog altijd geven boven ons hoofd. Afzien, maar dan op een andere manier. Zij aten stof in het bos, wij in de mijn. Zij wilden de koers winnen, aan een toekomst bouwen. Wij hadden geld nodig om onze toekomst te redden. Hoe zij aankomen in Roubaix, zo zagen wij er iedere dag uit. De Jean ook. Wat een schone mens, de Stablinski. Onder de grond, daar speelt het spel van kopmannen en waterdragers niet. Daar vecht je voor elkaar, voor het overleven. Eén keer is hij hier met het peloton voorbij gedokkerd. In ’65. De ganse aanloopstrook naar de Trouée stond vol arbeiders. Wij, de mineurs, die onze collega vooruit schreeuwden. Allez Jean! Een van ons in Parijs-Roubaix. Zot van de koers was hij, compleet zot. Een paar jaar geleden kroop hij voor het laatst op zijn fiets, in zijn fiere maillot van wereldkampioen. Niet meer dan 30 meter. Daarna ging hij naar het ziekenhuis en keerde nooit meer terug. Merci, Jeanke.”

Sterk water

Het onherroepelijke slot op de mijnschacht betekende niet alleen een rauwe nekslag voor de hele regio, maar legde ook de kiem voor het spottende discours dat het Noorden sindsdien te beurt valt. Parisiens huiveren van Nord-Pas-de-Calais, dat ze associëren met regen, werkloosheid, alcoholisme en een onuitspreekbaar patois. Noorderlingen, dat zijn beotiërs van het zuiverste ras. Chômeurs die drinken uit verveling en stempelen als hun job beschouwen. “Ce chont des Ch’tis.” Dany Boon heeft met Bienvenue chez les Ch'tis het al te karikaturale beeld van het Noorden enigszins bijgesteld, anderzijds liegt de realiteit niet. Neen, het zijn geen laveloze malloten die aan hun zetel kleven, maar dat er in Wallers zoveel kinderen ’s middags thuis eten is heus niet omdat vader of moeder genieten van een lunchbreak op het werk. In Wallers is gewoon geen werk. De mijn is dicht.

Het hele dorp leeft nog in de jaren zeventig. Fietsenmaker Ziolkowski prijst zijn fluo fietskaders aan in Franse francs. Vergeelde foto’s van Museeuw en Ballerini, een fietspakje uit de tijd van Hinault en tandwielen uit de tijd van Merckx. In Wallers zijn auto’s haast oldtimers. De facteur heeft er nog tijd voor een glaasje sterk water. De mijnsluiting sluimert over het dorpsplein. Het stof hangt nog in de straten. Niks wijst erop dat het straks beter wordt.

“Wat kan ik daar eigenlijk op zeggen?”, vraagt Lepczynski zich af. “Wij trekken ons de spot niet aan. Trouwens, sinds de film van Boon zijn we zelfs populair in Frankrijk. De vooroordelen over onze regio kloppen niet, of toch niet helemaal. Alcoholisme? Jongeman, luister even. Als wij moeten kiezen tussen een pint bier op café of een vers brood bij de bakker, dan is de keuze gauw gemaakt. We kunnen het ons niet permitteren om de godganse dag op café te zitten. De werkloosheid, dat is helaas wel waar. Sinds de sluiting van de mijn trekt het volk hier weg, op zoek naar werk. Mijn kinderen verdienen hun geld tot in Avignon. Uit noodzaak. Het gaat hier niet goed, hé. Ook de metallurgie heeft het bijzonder zwaar. Wreed is het. Mijn generatie en die van mijn ouders hebben de welvaart van Frankrijk mee opgebouwd in de steenkoolmijnen. Nu hebben ze ons niet meer nodig. Ze lachen. De mijn zou beter opnieuw opengaan, hoe hard het werk er ook is. Volk in de mijn betekent ook volk op café ’s middags om een koffie te drinken bij onze boterhammen. Voor de sluiting telde de streek hier op een gegeven moment zeventien cafés. Die zijn op een paar na allemaal verdwenen.”

Vlaming, Waal, halve Belg

Café Le Zanzibar is een van de weinige overgebleven staminees. Een kleine kroeg in de schaduw van de deels afgebrande kerk. Het dorpsplein is maar een tennisveld groot. Putten in de weg zijn opgevuld met kasseien. De mensen zijn vriendelijk. Ze rijden met koersfietsen, waarschijnlijk gekocht bij Ziolkowski. Iedereen flandrien in Wallers. Iedereen beroemd. “Zondag hé, dan kijkt de ganse wereld naar ons”, zegt Claude Maes zonder verpinken. De stamgasten knikken. “Roubaix, wie kent dat niet? Ons bos, onze hel. Manneke, daar zijn we best trots op.” De stem van Maes palmt het hele café in. Als hij lacht daveren de muren. Als hij praat luisteren de mensen. “Jaja, Maes, familie van de brouwers. Iek sprek een beetje Vlams. Na vijf pinten spreek ik zelfs Zweeds. Wat wil je weten? Of we zot zijn van de koers? Aja, natuurlijk! Jullie Boonen, dat is ook hier een echte ster. En Moeseeuw, ja die ook.”

Patron Steeve beaamt: “Zondag, ça c’est la fête totale. We worden onterecht voor dronkaards aanzien in Frankrijk, maar op de dag van de koers is dat niet gelogen. (lacht) Claude heeft gelijk: de koers, dat is ons moment de gloire. Ze passeren hier zelfs op het dorpsplein! Vorig jaar waren we eigenlijk nog trotser, dan is de Tour hier gepasseerd. Wij, in de Ronde van Frankrijk, schitterend. Nu nog een Fransman die zondag wint en we zijn helemaal content. Chavanel? Rijdt die mee? En Duclos-Lassalle? (lacht)”

Toch gaat de toogpraat ook verder dan koers en kolder. Ze spreken niet met de ‘ch’, maar draaien hun tong toch twee keer rond als het over de povere conditie van de streek gaat. Barman Steeve: “Allez kom, we gaan niet ontkennen dat er een zekere graad van alcoholisme is, maar daar is een reden voor. Niet dat iedereen hier stomdronken over straat loopt, maar sommigen zoeken een uitweg uit hun miserie. De fles kun je moeilijk een goede uitweg noemen. Werk, dat is de oplossing. Nord-Pas-de-Calais zoekt al twintig jaar naar een alternatief voor de mijn. De industrie moet muteren, zich specialiseren.”

Het discours van Steeve werkt aanstekelijk en port ook Claude aan om zijn zegje te doen: “Technologie! Nu zetten we in op technologie. In de universiteit van Valenciennes wordt aan onze toekomst gewerkt. Dan zal er niet meer gelachen worden met ons. Wacht maar, we komen terug.”

Steeve: “We moeten ook werk maken van ons onderwijs. Ons imago van domoren is verbonden met de mijn. Als we vooruit willen, moet het onderwijsniveau omhoog. De algemene kennis moet verbeteren. Kennis en economie hangen samen. We geven de moed niet op. Sommige signalen zijn hoopgevend. Kijk eens naar de Franse Ligue 1. Lille, Lens en Valenciennes. Drie clubs in de hoogste voetbalklasse. Dat zegt toch iets, niet?”

Claude voelt zich opnieuw aangesproken: “We moeten de boel hier ook niet helemaal afbreken. Kijk eens over de grens. Jullie Wallonië, gaat het daar zoveel beter? Ik dacht het niet. Charleroi? Wat blijft daar nog van over? Ik voel me best wel verwant met de Walen, maar ook met de Vlamingen, door de familiale band. Oh, ik ben een halve Belg eigenlijk.”

Een oudere man aan het raam knikt, zegt niks, slurpt zijn glaasje rosé naar binnen, aait de nogal lang uitgevallen hond Edgar over zijn kop en vertrekt geruisloos. “Hij komt straks wel terug, om te betalen. Hij moet ook nog zijn pronostiek invullen. Cancellara? Meestal winnen de Vlamingen, hé. Dit is geen terrein voor de echte buitenlanders.”

Trillen als pudding

Bij het verlaten van Wallers oogt de garage van Serge Damiens kraaknet. Dat de voorbijrazende treinen heel wat stof doen opwaaien en alle werk bijna tenietdoen, ach, het kan hem niet schelen. Een gemeentelijke equipe poetst het monument ter ere van Jean Stablinski. Vreemd, twee dagen Wallers en niet één wielertoerist gezien. Tot een rood regenjasje komt aangedokkerd. Veel te traag. Zijn lichaam siddert als een pudding. “What the hell is this?” Mike Dunne, een aussie uit Sydney, is speciaal voor het tweeluik Ronde-Roubaix naar onze contreien gevlogen. “Is this Arenberg? Pff, shit.” Dunne wrijft zich het stof uit de ogen en vraagt zich af waar hij eigenlijk is. Is dit nu Noord-Frankrijk? Man, hier zou ik echt nooit willen wonen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234